Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1581

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201308081/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:10532, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2011 heeft het college een aanvraag van de stichting om subsidie voor kosten die zijn gemaakt in verband met de ontbinding van een arbeidsovereenkomst met een werknemer afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308081/1/A2.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Openbare Bibliotheken Maas en Peel, gevestigd te Helden, gemeente Peel en Maas,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 juli 2013 in zaak nr. 12/1102 in het geding tussen:

de stichting

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2011 heeft het college een aanvraag van de stichting om subsidie voor kosten die zijn gemaakt in verband met de ontbinding van een arbeidsovereenkomst met een werknemer afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2013 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2014, waar de stichting, vertegenwoordigd door J.M.H. Ummels, bijgestaan door mr. M.J.H. Verburg, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.L. Mallee, mr. J. Hermans en H.G.M. Luijten, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In het kader van de vernieuwing van de bibliotheekstructuur in de provincie Limburg zijn taken van het zogeheten Bibliotheekhuis overgegaan naar de basisbibliotheken. Volgens het provinciale beleid "taak over, mens over, middelen over" kunnen de basisbibliotheken alleen taken en middelen overnemen, als ook het personeel dat deze taken uitvoert, wordt overgenomen. Het college heeft bij brief van 5 juli 2005 de besturen van de Limburgse gemeenten, bibliotheken en het Bibliotheekhuis meegedeeld op welke manier het college uitvoering gaat geven aan dit beleid. Zo zal het college in het kader van dit beleid subsidie verstrekken aan de basisbibliotheken voor de salariskosten van het overgenomen personeel. Deze exploitatiesubsidie is structureel van aard. Het college heeft ten behoeve daarvan de Beleids- en aanvullende subsidieregels provinciaal beleid bibliotheekvernieuwing 2009-2011 vastgesteld.

2. Ingevolge artikel 1 wordt voor de toepassing van de Algemene Subsidieverordening 2004 (hierna: de verordening) verstaan onder:

a. waarderingssubsidie: een subsidie die ten doel heeft uitdrukking te geven aan enige waardering van de provincie voor (een) activiteit(en) van de aanvrager;

b. exploitatiesubsidie: een per boekjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon;

c. projectsubsidie: een subsidie anders dan een waarderings- of een exploitatiesubsidie.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, zijn kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd niet subsidiabel, tenzij sprake is van kosten voor onderzoek, voorlichtingsactiviteiten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten.

Ingevolge artikel 30, tweede lid, kan het college, indien toepassing van het bepaalde in de verordening naar zijn oordeel tot kennelijke onbillijkheden leidt, van enige bepaling afwijken.

3. De stichting heeft op 1 januari 2006 medewerkers van het Bibliotheekhuis overgenomen, zo ook [medewerker].

De stichting heeft bij brief van 13 september 2011 bij het college een aanvraag ingediend om subsidie voor de door haar in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [medewerker] betaalde vergoeding als bedoeld in artikel 7:685, achtste lid, van het Burgerlijk Wetboek van € 25.000,00.

Het college heeft aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat deze kosten volgens het beleid "taak over, mens over, middelen over" niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het college heeft verwezen naar zijn brief van 5 juli 2005, waarin is meegedeeld dat volgens dit beleid de wachtgeldaanspraken worden overgenomen door een eventuele nieuwe werkgever en de provincie geen verantwoordelijkheid neemt voor wachtgeldaanspraken. Voorts is er volgens het college geen reden voor toepassing van de in artikel 30 van de verordening opgenomen hardheidsclausule, omdat de afwijzing van de subsidieaanvraag niet onbillijk is. Daarbij komt dat toepassing van de hardheidsclausule in dit geval ongewenste precedentwerking zou hebben, aldus het college.

4. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten die samenhangen met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [medewerker] niet voor subsidie in aanmerking komen. Volgens de stichting is er geen grond voor de conclusie dat de kosten ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening niet subsidiabel zijn. Voorts is voldaan aan de subsidieverplichting om de beëindiging van het dienstverband van [medewerker] vooraf en onverwijld aan het college te melden. Verder voert de stichting aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de kosten die daaruit voortvloeien voor subsidiëring in aanmerking komen, omdat uit de brief van het college van 5 juli 2005 kan worden afgeleid dat de exploitatiesubsidie ook die kosten dekt.

4.1. De stichting ontvangt in het kader van het beleid "taak over, mens over, middelen over" jaarlijks een exploitatiesubsidie voor de salariskosten van het overgenomen personeel. De stichting heeft los van deze subsidie een eenmalige subsidie aangevraagd voor de kosten van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [medewerker]. Uit artikel 1 van de verordening volgt dat deze aanvraag geen betrekking heeft op een exploitatiesubsidie, maar op een projectsubsidie.

4.2. Nu de stichting bij brief van 13 september 2011 projectsubsidie heeft aangevraagd voor de vergoeding die zij aan [medewerker] heeft moeten betalen, die betalingsverplichting volgt uit de beschikking van de kantonrechter te Roermond van 29 april 2011, waarbij de arbeidsovereenkomst met [medewerker] met ingang van 1 september 2011 is ontbonden, vloeien de kosten waarvoor projectsubsidie is gevraagd voort uit de vóór de subsidieaanvraag ontstane financiële verplichting tot betaling van de ontslagvergoeding. Hieruit volgt dat die kosten, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening niet subsidiabel zijn. De stelling van de stichting dat in dit geval is voldaan aan de subsidieverplichting dat de beëindiging van een dienstverband vooraf en onverwijld aan het college dient te worden gemeld, leidt niet tot een ander oordeel, omdat die verplichting is verbonden aan de hier niet aan de orde zijnde exploitatiesubsidie. Tot slot is er geen grond voor het oordeel dat de stichting uit de brief van het college van 5 juli 2005 over de exploitatiesubsidie voor de salariskosten van overgenomen personeel heeft mogen afleiden dat kosten die voortvloeien uit de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een overgenomen personeelslid als in dit geval aan de orde voor een projectsubsidie in aanmerking zouden komen.

Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de kosten die samenhangen met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [medewerker] ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de verordening niet voor subsidie in aanmerking komen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

5. De stichting betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. De stichting heeft geen gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de rechtbank niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven voor toepassing van de hardheidsclausule. De stichting heeft na onderhandelingen met het Bibliotheekhuis over de overname door de stichting van taken en personeel van het Bibliotheekhuis besloten om [medewerker] over te nemen. Het college was bij die onderhandelingen niet betrokken. Vervolgens is in het kader van een gemeentelijke herindeling een gedeelte van de taken van de stichting overgegaan naar de bibliotheek in Venlo. Dat die bibliotheek niet bereid was om [medewerker] over te nemen, maakt niet dat de afwijzing van de subsidieaanvraag van de stichting door het college onbillijk is. Dat [medewerker] door ziekte feitelijk geen werkzaamheden meer verrichtte voor de stichting en de stichting wel de salariskosten droeg, leidt evenmin tot die conclusie. Dit behoort tot de risico’s van de stichting als werkgever. Voorts wordt de stichting niet gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank buiten het geschil is getreden door bij haar oordeel te betrekken dat het niet uitgesloten is dat de stichting een andere medewerker wellicht had kunnen overdragen aan een andere bibliotheek dan wel dat de arbeidsovereenkomst met [medewerker] ook op een andere grondslag en wellicht zonder geldelijke vergoeding ontbonden had kunnen worden. De rechtbank heeft dit dan ook kunnen betrekken bij de beoordeling of er bijzondere omstandigheden zijn die ertoe leiden dat de afwijzing van de subsidieaanvraag leidt tot kennelijke onbillijkheden. Anders dan de stichting betoogt, heeft de rechtbank bij haar oordeel mede mogen betrekken dat het toewijzen van de subsidie in dit geval een precedentwerking tot gevolg zou hebben die het college onwenselijk acht. Het college heeft toegelicht en door de stichting is niet weersproken dat in een vergelijkbaar geval waarin een bibliotheek een vergoeding moest betalen wegens de ontbinding van een arbeidsovereenkomst met een overgenomen werknemer, de desbetreffende bibliotheek die vergoeding voor zijn rekening heeft genomen. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ontbinden van arbeidsovereenkomsten, gelet op maatschappelijke ontwikkelingen, niet uitzonderlijk is en dat het honoreren van de subsidieaanvraag een precedent zou scheppen. De door de stichting beschreven aanleiding voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [medewerker] leidt niet tot een ander oordeel.

6. Tot slot wordt aan het betoog van de stichting dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om op de voet van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht af te wijken van het beleid "taak over, mens over, middelen over", niet meer toegekomen, aangezien dit beleid geldt voor een exploitatiesubsidie en het geschil daarop geen betrekking heeft.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

609.