Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1578

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201308286/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:1933, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/198

Uitspraak

201308286/1/V1.

Datum uitspraak: 24 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 augustus 2013 in zaak nr. 13/16642 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2014, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Hofstede, advocaat te Almelo, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling niet nader heeft onderbouwd dat het aanvragen van een paspoort de Eritrese autoriteiten aanleiding geeft te veronderstellen dat zij een asielaanvraag heeft ingediend en zij derhalve bij terugkeer in Eritrea een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Volgens de vreemdeling zal het aanvragen van een paspoort op de Eritrese ambassade leiden tot vragen en zullen de Eritrese autoriteiten uitvoerig onderzoek naar haar doen. Onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van 18 april 2013 (hierna: het ambtsbericht) heeft de vreemdeling voorts toegelicht dat iedere Eritreër die een Eritrese ambassade verzoekt om een dienst een zogeheten "Immigration and citizenship services request form" (hierna: een B4-document) moet ondertekenen, waarbij de ondertekenaar verklaart bij terugkeer in Eritrea een passende straf te zullen accepteren. Volgens de vreemdeling brengt ook het ondertekenen van een B4-formulier een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Eritrea met zich.

2.1. De staatssecretaris heeft de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 25 januari 2012 (Kamerstukken II 2011-2012, 19 637, nr. 1488, hierna: de brief) geïnformeerd over een wijziging van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Eritrea. De staatssecretaris heeft tot deze wijziging besloten, omdat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van 30 november 2011 volgt dat vreemdelingen bij gedwongen terugkeer naar Eritrea kans lopen op gevangenschap, al dan niet voor onbepaalde tijd, mishandeling en foltering, soms de dood tot gevolg hebbend. Volgens dat ambtsbericht lopen illegaal uitgereisden ook bij vrijwillige terugkeer deze risico's.

2.2. De wijziging van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Eritrea, zoals de staatssecretaris heeft aangekondigd in de brief, is neergelegd in paragraaf C7/11 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000). Volgens paragraaf C7/11.4.5 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van belang, verleent de staatssecretaris een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 aan een vreemdeling met de Eritrese nationaliteit die Eritrea illegaal is uitgereisd, behalve als sprake is van contra-indicaties.

Volgens paragraaf C7/11.10 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van belang, zal gedwongen terugkeer naar Eritrea niet plaatsvinden. Aangenomen wordt dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM aanwezig is. Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die Eritrea legaal is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren.

2.3. In het besluit van 27 juni 2013 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij twijfelt aan de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd over het verlies van haar paspoort en voorts dat de vreemdeling zich kan wenden tot de Eritrese ambassade voor het verkrijgen van een nieuw paspoort. Nu de vreemdeling lange tijd buiten Eritrea heeft verbleven, geen problemen heeft ondervonden bij het inreizen van dat land en in 2012 de geldigheidsduur van haar paspoort heeft verlengd op de Eritrese ambassade in Saoedi-Arabië, kan zij zelfstandig en op legale manier terugkeren naar Eritrea, aldus de staatssecretaris.

2.4. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris niet betwist dat de vreemdeling geen Eritrees paspoort meer heeft en heeft hij gesteld dat hij voorzichtigheid moet betrachten, gelet op de onvoorspelbaarheid van handelen van de Eritrese autoriteiten. Voorts heeft hij beaamd dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM indien de Eritrese autoriteiten vermoeden dat zij een asielaanvraag heeft ingediend.

De vreemdeling zal op de Eritrese ambassade een nieuw paspoort moeten aanvragen. Gelet op de grondslag van de beleidswijziging zoals toegelicht ter zitting bij de Afdeling, nu het ambtsbericht geen duidelijkheid geeft over de vraag of en op welke wijze de autoriteiten bij de procedure tot aanvragen van een paspoort op de Eritrese ambassade de vreemdeling zullen ondervragen over haar langdurige verblijf buiten Eritrea en nu de staatssecretaris niet is ingegaan op de vraag of reeds dat langdurige verblijf op zichzelf voldoende is om aan te nemen dat die autoriteiten de vreemdeling ervan zullen verdenken dat zij een asielaanvraag heeft ingediend, heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling vrijwillig kan terugkeren naar Eritrea zonder een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Grief 1 slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 juni 2013 alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 augustus 2013 in zaak nr. 13/16642;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 juni 2013, V-nr. 271.290.1056;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014

412-785.