Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1573

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201307573/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2013, heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad op zijn bezwaarschrift van 1 maart 2013, gericht tegen het besluit van 5 februari 2013, waarbij de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel [locatie] is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307573/1/R2.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Veenendaal,

en

de raad van de gemeente Veenendaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 augustus 2013, heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad op zijn bezwaarschrift van 1 maart 2013, gericht tegen het besluit van 5 februari 2013, waarbij de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen ten behoeve van de bouw van een woning op het perceel [locatie] is afgewezen.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft de raad het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant] heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2013.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. H.K.C. van Nijnanten en J. Heikamp, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

Reikwijdte beroep

1. Met toepassing van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van 26 september 2013.

Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit

2. Nu de raad bij besluit van 26 september 2013 alsnog een besluit heeft genomen op het bezwaarschrift van 1 maart 2013, is de Afdeling van oordeel dat [appellant] bij een uitspraak op het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit geen belang meer heeft.

Dat [appellant] bij zijn beroep terzake tevens heeft verzocht om met toepassing van artikel 8:55c van de Awb een op grond van artikel 4:17 van deze wet verbeurde dwangsom vast te stellen, leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 mei 2010, in zaak nr. 201001808/1/R3, dat het nemen van een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, ook in het geval daaraan een aanvraag ten grondslag ligt, niet het nemen van een beschikking op aanvraag als bedoeld in artikel 4:17 gelezen in samenhang met artikel 1:3, tweede lid, van de Awb is. Dit betekent dat geen dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb is verbeurd. Nu dit verzoek derhalve kennelijk niet voor inwilliging in aanmerking komt, kan ook hieraan geen belang als hierboven aangegeven worden ontleend.

2.1. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 26 september 2013

3. [appellant] kan zich niet met het besluit van 26 september 2013 verenigen en voert ten eerste aan dat dit besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel. [appellant] betoogt dat het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal (hierna: het college) in 1999 heeft toegezegd op het perceel [locatie] de realisatie van een woning mogelijk te maken en dat deze toezegging nog steeds geldt. [appellant] voert voorts aan dat thans sprake is van gewijzigde omstandigheden, nu van provinciewege is aangegeven dat er geen bezwaren bestaan tegen de bouw van de woning. [appellant] voert verder aan dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen, te meer nu hij financieel nadeel ondervindt.

3.1. Blijkens het besluit van 26 september 2013, zoals toegelicht door de raad ter zitting, heeft het college in 1999 weliswaar aangegeven in principe mee te werken aan de realisatie van een woning, maar is hierbij een voorbehoud gemaakt wat betreft de uitkomst van de te voeren planologische procedure. Het college heeft getracht te voorzien in de betreffende woning, maar dat is niet gelukt, nu het college van gedeputeerde staten van Utrecht geen verklaring van geen bezwaar wilde afgeven. Bij brief van 24 mei 2005 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat wat het college betreft door de verrichte inspanningen is voldaan aan de inspanningsverplichting van het college. Gelet op deze inspanningen en de jaren die inmiddels zijn verstreken, ziet de raad geen aanleiding om nu af te wijken van het gemeentelijk beleid dat mede is ingegeven vanuit het provinciale beleid. De raad stelt zich op het standpunt dat het gemeentelijk beleid niet voorziet in de bouw van een woning op de door [appellant] gewenste locatie, aangezien dit beleid erop is gericht de vestiging van niet aan het landelijk gebied gekoppelde functies aldaar tegen te gaan en het perceel bovendien geen deel uitmaakt van een kernrandzone.

3.2. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (hierna: de structuurvisie) is vermeld dat een terughoudend beleid wordt gevoerd als het gaat om de ontwikkeling van niet aan het landelijk gebied gebonden functies. In delen van het landelijk gebied is sprake van een kwalitatieve opgave waar omzetting van landbouwgrond naar groene ofwel stedelijk gelieerde functies aanvaardbaar is. Het gaat daarbij onder meer om de kernrandzones. In de structuurvisie is voorts vermeld dat van gemeenten verwacht wordt dat zij voor hun kernrandzone(s) een integrale visie en specifiek beleid ontwikkelen, waarin de omvang van de kernrandzone wordt begrensd en de (toekomstige) gebruiksmogelijkheden worden afgewogen.

3.3. Bij het besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan komt de raad beleidsvrijheid toe. De Afdeling toetst dit besluit terughoudend. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van de vaststelling van het plan en voorts of bij het nemen van dat besluit anderszins niet is gehandeld in strijd met het recht.

3.4. Vast staat dat het perceel [locatie] niet in het stedelijk gebied maar in het landelijk gebied ligt. Blijkens de structuurvisie is het provinciale beleid erop gericht de ontwikkeling van niet aan het landelijk gebied gebonden functies aldaar tegen te gaan. De raad heeft verklaard het provinciale beleid op dit punt te onderschrijven en ook als gemeentelijk beleid toe te passen. Blijkens de structuurvisie biedt het provinciale beleid voorts in bepaalde delen van het landelijk gebied wel mogelijkheden voor de realisatie van stedelijke functies en dienen gemeenten ten aanzien van de zogenaamde kernrandzones zelf beleid te ontwikkelen en de begrenzing daarvan vast te stellen. De raad heeft gesteld dit te hebben gedaan alsmede dat het perceel [locatie] geen deel uitmaakt van een kernrandzone. In het bij besluit van 27 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied" behoort dit perceel dan ook niet tot de gronden die als kernrandzone zijn aangeduid. De raad heeft zich gelet op het vorenstaande terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] om op het perceel [locatie] de bouw van een woning toe te staan in strijd is met zijn beleid. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van dit beleid. De Afdeling overweegt hiertoe dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig is dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college maar bij de raad. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zelf verwachtingen heeft gewekt dat zijn verzoek zou worden toegewezen. Gelet hierop heeft de raad, wat er ook zij van de gestelde toezegging van het college, niet gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Het betoog faalt.

3.5. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de raad van de gemeente Veenendaal op het bezwaarschrift van [appellant] naar aanleiding van zijn aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel [locatie];

II. verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 26 september 2013 van de raad van de gemeente Veenendaal ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.J.M. Schoonbrood, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Schoonbrood

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

694.