Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201308173/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kralingen-West" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308173/1/R6.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Rotterdam,

en

de raad van de gemeente Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kralingen-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de stichting Stichting Woonstad Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. T.N.H. Nguyen, advocaat te Rotterdam, mr. P. Mulder en C. Feliks, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de wijk Kralingen-West te Rotterdam, met uitzondering van een deel van de sub-wijk Jaffa, en maakt enkele nieuwe ontwikkelingen mogelijk waaronder woningbouw.

3. [appellante] richt zich tegen de bestemming "Gemengd-6" met de aanduiding "horeca" die is toegekend aan het perceel aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam. Volgens [appellante] is ten onrechte ter plaatse horeca mogelijk gemaakt op de begane grond en de eerste verdieping. Daartoe voert zij aan dat het bestemmen van dit perceel voor horeca in strijd is met het Horecagebiedsplan Kralingen-Crooswijk 2012-2014 van 26 november 2012 (hierna: Horecagebiedsplan). In dit verband voert zij aan dat onduidelijk is hoe het toestaan van nieuwe horeca zich verhoudt tot de leefbaarheid die in dit gebied gelet op het Horecagebiedsplan een aandachtspunt is. Voorts voert [appellante] aan dat geen sprake is van bestaande horeca die thans als zodanig wordt bestemd. In dit verband wijst zij op de lopende procedure met betrekking tot de verleende ontheffing van het destijds geldende plan "Crooswijk Zuid-Jaffa". Volgens [appellante] heeft de raad ten onrechte geen belangenafweging gemaakt van de ruimtelijke gevolgen van de nieuwe bestemming. Zij wijst op de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2012 in zaak nr. 201113132/1/T1/R1. Tevens is onduidelijk waarom op dit perceel horeca op de eerste verdieping wordt toegestaan, aldus [appellante].

3.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam de bestemming "Gemengd-6" met de aanduiding "horeca" toegekend.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Gemengd-6" aangewezen gronden bestemd voor:

b. woningen, op de verdiepingen;

c. ter plaats van de functieaanduiding "horeca", tevens voor horeca, uitsluitend op de begane grond, met dien verstande dat aan de Vlietlaan 52-56 horeca tevens is toegestaan op de eerste verdieping.

3.2. [appellante] woont aan de [locatie 1] te Rotterdam. De woning van [appellante], die zich op de eerste verdieping van het gebouw aan de [locatie 2] bevindt, is op grond van artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder b, van de planregels bestemd overeenkomstig het huidige gebruik. Nu op grond van artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder c, van de planregels op het perceel aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam tevens horeca op de eerste verdieping is toegestaan, is ter plaatse van de woning van [appellante] tevens horeca toegestaan.

3.3. Het Horecagebiedsplan dient als richtinggevend kader bij horecaontwikkelingen binnen de deelgemeente Kralingen-Crooswijk. In het Horecagebiedsplan is de gewenste ontwikkeling per onderscheiden horecagebied in de deelgemeente weergegeven. Het horecagebied Middelpunt, waar de Vlietlaan deel van uitmaakt, is in het Horecagebiedsplan gekwalificeerd als ‘gericht ontwikkelen’. In het Horecagebiedsplan is in dit verband vermeld dat in dit horecagebied kwalitatief goede daghoreca gewenst is. Om uitbreiding van overlast gevende voorzieningen te voorkomen is in dit gebied alleen uitbreiding toegestaan van horeca met categorie-aanduiding A, B en C, met uitsluitend openingstijden tussen 07:00 uur en 23:00 uur, waarbij het ten gehore brengen van achtergrondmuziek is toegestaan. De gemeentelijke doelstelling ‘horeca en leefbaarheid in balans’ en de deelgemeentelijke doelstelling ‘terugdringen van overlast’ betekent hier dat de leefbaarheid een aandachtspunt is. Ter zitting is toegelicht dat de gebouwen aan de Vlietlaan 52-56, op de woning van [appellante] na, leeg staan en door het toestaan van kwalitatief goede daghoreca ter plaatse een positieve impuls wordt gegeven aan de omgeving. Daarbij is opgemerkt dat in een ander gebouw in het gebied de horecafunctie is komen te vervallen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het toestaan van horeca op het perceel aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam in strijd is met het Horecagebiedsplan.

3.4. De Afdeling stelt voorop dat in het vorige plan "Crooswijk Zuid-Jaffa" aan het perceel aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam de bestemming "Winkels waarboven woningen" was toegekend. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Bij besluit van 11 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk aan de Stichting Woonstad Rotterdam ontheffing verleend als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, in samenhang gezien met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening, van het destijds geldende plan "Crooswijk Zuid-Jaffa" voor het wijzigen van het gebruik van de kelder, het souterrain, de begane grond en gedeeltelijk de eerste verdieping van het gebouw aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam van winkel in horeca. Deze ontheffing was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in rechte onaantastbaar.

De raad heeft beoogd hetgeen met de ontheffing ter plaatse mogelijk wordt gemaakt, planologisch vast te leggen. Anders dan [appellante] betoogt staat geen rechtsregel eraan in de weg dat de ruimtelijke onderbouwing van de ontheffing ook als ruimtelijke onderbouwing van het desbetreffende plandeel wordt gebruikt nu wordt voorzien in dezelfde ruimtelijke ontwikkeling en [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden wezenlijk zijn gewijzigd. Uit de plantoelichting volgt dat de raad bij de keuze om ter plaatse horeca toe te staan tevens in het kader van het hiervoor genoemde Horecagebiedsplan de ruimtelijke aanvaardbaarheid heeft beoordeeld en daarbij tot de conclusie is gekomen dat horeca op deze locatie kan worden toegestaan. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom horeca op het perceel aan de Vlietlaan 52-56 te Rotterdam uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

625.