Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1557

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201306311/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:5098, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/193

Uitspraak

201306311/1/V1.

Datum uitspraak: 22 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 juni 2013 in zaak nr. 13/4334 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2]; hierna tezamen: de vreemdelingen

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2012 heeft de minister aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2013 heeft de minister het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 17 juni 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdelingen beogen verblijf bij de in Nederland woonachtige M. Dir Bedrosijan (hierna: de referent), houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), en naar gesteld de echtgenoot van vreemdeling 1 en de vader van vreemdeling 2. De vreemdelingen en de referent hebben allen de Syrische nationaliteit.

3. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, zoals ten tijde van belang luidend, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan een vreemdeling die als echtgenote feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder f, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan een vreemdeling die als meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van die vreemdeling, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden, nadat aan de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend.

4. Volgens paragraaf C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals ten tijde van belang luidend, dienen de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk te hebben behoord tot diens gezin. De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoord hebben, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel - indicatief - bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hierover aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen te worden verstrekt.

5. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het besluit van 31 januari 2013 onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd, voor zover hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdelingen hun feitelijke gezinsband met de referent niet aannemelijk hebben gemaakt en derhalve niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000. Voor deze overweging heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte redengevend geacht dat de door hem aan de vreemdelingen tegengeworpen tegenstrijdigheden geen betrekking hebben op het feitelijke samenwonen van het gezin ten tijde van het vertrek van de referent uit Syrië en dat, nu de vreemdelingen en de referent eenduidig hebben verklaard dat zij destijds samen op het Peugeotplein in Aleppo woonden, hij nadere vragen had moeten stellen over hun woonsituatie aldaar. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat het onderzoek naar de feitelijke gezinsband verder strekt dan het onderzoeken of eensluidend over het laatste woonadres van het gezin is verklaard. Nu de vreemdelingen en de referent over basale onderwerpen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd, hebben de vreemdelingen niet aannemelijk gemaakt dat zij tot aan het vertrek van de referent uit Syrië feitelijk tot diens gezin hebben behoord, aldus de staatssecretaris.

5.1. In het besluit van 31 januari 2013 heeft de staatssecretaris aan voormeld standpunt onder meer ten grondslag gelegd dat de vreemdelingen en de referent tegenstrijdig hebben verklaard over de adressen waar zij hebben samengewoond en de duur van hun verblijf op deze adressen. Zo heeft vreemdeling 1 verklaard dat zij en de referent zeven jaar bij zijn ouders hebben gewoond, terwijl de referent heeft verklaard dat zij een of twee maanden bij zijn ouders hebben gewoond. Verder heeft vreemdeling 1 verklaard dat zij naar het laatste woonadres is verhuisd toen vreemdeling 2 drie jaar oud was en dat het gezin twintig jaar op dit adres heeft verbleven, terwijl de referent en vreemdeling 2 hebben verklaard dat zij als gezin op diverse adressen hebben gewoond en drie jaar op het laatste woonadres hebben verbleven. De verklaringen van de vreemdelingen en de referent over voormelde onderwerpen zijn, anders dan de rechtbank heeft overwogen, relevant voor de beoordeling van hun feitelijke gezinsband en van hen mag worden verwacht dat zij daaromtrent zonder doorvragen door de staatssecretaris eensluidend verklaren.

Onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij tot aan het vertrek van de referent uit Syrië feitelijk tot diens gezin hebben behoord.

De grief slaagt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 31 januari 2013 worden getoetst in het licht van de daartegen door de vreemdelingen aangevoerde beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

7. In beroep hebben de vreemdelingen, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 6 november 2012, nr. 22341/09, Hode en Abdi tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int), betoogd dat, ook indien de staatssecretaris wordt gevolgd in zijn standpunt dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij tot aan het vertrek van de referent uit Syrië tot diens gezin behoorden, zij in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, nu vaststaat dat vreemdeling 1 en de referent zijn gehuwd en de referent de overkomst van de vreemdelingen wenst.

7.1. De beroepsgrond faalt, reeds omdat, anders dan de vreemdelingen betogen, niet vaststaat dat vreemdeling 1 en de referent zijn gehuwd. De staatssecretaris heeft zich immers op het standpunt gesteld dat het gestelde huwelijk niet met documenten is aangetoond en dat daarom identificerende gehoren hebben plaatsgevonden om de vreemdelingen in de gelegenheid te stellen hun feitelijke gezinsband met de referent aannemelijk te maken.

8. Voorts hebben de vreemdelingen betoogd dat de staatssecretaris subsidiair had moeten toetsen of zij voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zoals opgenomen in artikel 3.22, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000).

8.1. Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, van het Vb 2000, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, en een garantstelling heeft ondertekend, voor zover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven.

Ingevolge het derde lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt, tenzij sprake is van gezinsvorming, de verblijfsvergunning in afwijking van het eerste lid eveneens verleend, indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de wet is verleend en gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.

8.2. Volgens paragraaf B2/2.9 van de Vc 2000, zoals ten tijde van belang luidend, vormt het derde lid van artikel 3.22 van het Vb 2000 een aanvulling op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000. Gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden vragen om gezinshereniging maar niet in aanmerking komen voor een ‘afgeleide’ verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, enkel en alleen omdat zij een andere nationaliteit bezitten dan de hoofdpersoon, kunnen op grond van deze aanvulling met voorbijgaan aan het middelenvereiste in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, indien gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft, aldus deze paragraaf.

8.3. Niet in geschil is dat de vreemdelingen op 12 april 2011 onderhavige aanvragen om verlening van een mvv voor verblijf bij de referent hebben ingediend. Evenmin is in geschil dat de staatssecretaris deze aanvragen terecht heeft aangemerkt als aanvragen met het oog op verlening van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000. Gelet hierop en op hetgeen in de in 8.2 weergegeven paragraaf is vermeld alsmede in aanmerking genomen dat de vreemdelingen dezelfde nationaliteit als de referent bezitten, heeft de staatssecretaris in de aanvragen terecht geen subsidiair verzoek om een mvv met het oog op verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 3.22, derde lid, van het Vb 2000 gelezen.

De beroepsgrond faalt.

9. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin bestaat nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het besluit van 31 januari 2013 waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Dientengevolge vallen die gronden thans buiten het geschil.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 17 juni 2013 in zaak nr. 13/4334;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon-van Rooij, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Oudeboon-van Rooij

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2014

487.