Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1555

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201305881/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:6010, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 72.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305881/1/V6.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats] (België),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2013 in zaak nr. 13/376 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 72.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 30 november 2012 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen voor zover een boete van € 72.000,00 is opgelegd en de boete op € 40.000,00 vastgesteld.

Bij uitspraak van 22 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij een boete is opgelegd van € 40.000,000, de boete op € 32.000,00 vastgesteld en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. F.P.M. Willeme, juridisch adviseur te Denekamp, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.E. van der Kamp, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU), is het verkeer van werknemers binnen de Unie vrij.

Ingevolge artikel 56, eerste alinea, zijn in het kader van de volgende bepalingen de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een ander land van de Unie zijn gevestigd dan dat, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling ten aanzien van wie ingevolge bepalingen vastgesteld bij overeenkomst met andere mogendheden dan wel bij een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, een tewerkstellingsvergunning niet mag worden verlangd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, is voormeld verbod niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

Ingevolge artikel 1e, eerste lid, van het Besluit uitvoering Wav (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, is het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav niet van toepassing met betrekking tot een vreemdeling die in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening tijdelijk in Nederland arbeid verricht in dienst van een werkgever die buiten Nederland is gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, mits

a. de vreemdeling gerechtigd is als werknemer van deze werkgever de arbeid te verrichten in het land alwaar de werkgever gevestigd is,

b. de werkgever de arbeid in Nederland voor de aanvang daarvan schriftelijk aan de Centrale organisatie voor werk en inkomen heeft gemeld, onder overlegging van een verklaring en bewijsstukken als bedoeld in het tweede lid, en

c. er geen sprake is van dienstverlening die bestaat uit het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.

2. Het door een inspecteur van de Arbeidsinspectie (thans: de Inspectie SZW) op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 22 maart 2011, voor zover thans van belang, houdt in dat uit een controle van de Arbeidsinspectie, die op 28 en 29 mei 2010 op het Pinkpopfestivalterrein, gelegen aan de Hofstraat te Landgraaf, heeft plaatsgevonden, is gebleken dat [drie vreemdelingen], allen met de Tunesische nationaliteit, en [vreemdeling], met de Marokkaanse nationaliteit (hierna tezamen: de vreemdelingen), ten behoeve van [appellante] werkzaamheden verrichtten bestaande uit het bereiden en verkopen van etenswaren, zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij artikel 2, eerste lid, van de Wav, heeft overtreden. Zij stelt dat de vreemdelingen rechtmatig verblijf in België hadden en dat zij tijdens de schoolvakanties arbeid mochten verrichten, mits daarvan melding was gemaakt bij de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (hierna: de Federale Overheidsdienst), hetgeen ook is gebeurd. Volgens [appellante] beschikten de vreemdelingen voorts over arbeidskaarten, zowel voor als na de controledata, gedurende de perioden dat zij buiten de schoolvakanties arbeid verrichtten. Gegeven de omstandigheid dat de vreemdelingen tijdens de weekenden buiten de schoolvakanties niet over arbeidskaarten beschikten, maar hun werkzaamheden wel bij de Federale Overheidsdienst waren aangemeld, moet het ervoor worden gehouden dat de Belgische autoriteiten bekend waren met de werkzaamheden van de vreemdelingen en zij een arbeidskaart voor het slechts werken in de weekenden derhalve niet nodig achtten, aldus [appellante].

3.1. Niet in geschil is dat de vreemdelingen ten tijde van belang een machtiging tot verblijf hadden om studies te volgen aan een onderwijsinrichting in België. Evenmin in geschil is dat de vreemdelingen op 28 en 29 mei 2010 niet beschikten over een arbeidsvergunning, als bedoeld in de Wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (Belgisch Staatsblad van 21 mei 1999, bladzijde 17800). Partijen zijn verdeeld over de vraag of [appellante] voor de werkzaamheden van de vreemdelingen was vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van zogeheten arbeidskaarten in België en zij dientengevolge was vrijgesteld van het vereiste om over tewerkstellingsvergunningen te beschikken voor de door de vreemdelingen in Nederland verrichte werkzaamheden.

3.2. Ingevolge artikel 2, onder 18˚, van het Koninklijk besluit houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers (Belgisch Staatsblad, 26 juni 1999, Ed. 2, bladzijde 24162; hierna: het Besluit Uitvoering) zijn de personen die een machtiging tot verblijf hebben om studies te volgen aan een onderwijsinrichting in België, uitsluitend voor de arbeidsprestaties tijdens de schoolvakanties, vrijgesteld van de verplichting tot het verkrijgen van een arbeidskaart.

3.3. [appellante] heeft niet aangetoond dat de vreemdelingen de werkzaamheden tijdens een schoolvakantie, als bedoeld in artikel 2, onder 18˚, van het Besluit Uitvoering, hebben verricht. [appellante] heeft haar stelling, dat het voor het werken in de weekenden ingevolge de Belgische regelgeving niet is vereist om over een arbeidskaart te beschikken, niet nader toegelicht dan wel gestaafd.

Reeds omdat [appellante] niet heeft aangetoond dat de vreemdelingen gerechtigd waren om zonder arbeidskaart voor haar in België arbeid te verrichten, heeft zij niet aangetoond dat de uitzondering, als bedoeld in artikel 1e, eerste lid, van het Besluit, in dit geval van toepassing is.

Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] artikel 2, eerste lid, van de Wav heeft overtreden en dat de minister dientengevolge bevoegd was de boete op te leggen.

Het betoog faalt.

4. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de door haar aangehaalde zienswijze van 9 mei 2011 van de gemachtigde van [bedrijf A], gevestigd te [plaats] in België, slaagt niet, reeds omdat, zoals ook de minister in zijn besluit van 30 november 2012 heeft toegelicht, [appellante] deze zienswijze niet heeft overgelegd en evenmin heeft aangegeven waaruit de overeenkomsten met de onderhavige zaak bestaan. Voorts heeft de minister in dat besluit toegelicht dat uit ambtshalve onderzoek is gebleken dat het in de zaak van [bedrijf A] een ander feitencomplex betrof, hetgeen [appellante] niet gemotiveerd heeft betwist.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij geen eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), heeft gehad. Zij stelt dat de minister haar voor het indienen van stukken aan korte termijnen bond, terwijl postbezorging naar België lange tijd in beslag neemt, de onderhavige zaak ingewikkelde materie betreft en de minister voor het reageren op de door haar ingediende stukken lange termijnen hanteerde.

5.1. In de boetekennisgeving van 30 november 2011, verzonden op 1 december 2011, heeft de minister [appellante] op grond van artikel 5:53, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van de brief een zienswijze naar voren te brengen. Bij brief van 12 december 2011 heeft [appellante] om uitstel verzocht voor het indienen van een zienswijze tot 1 februari 2012. Bij brief van 16 december 2011 heeft de minister [appellante] tot en met 31 januari 2012 uitstel verleend. Voorts heeft de minister [appellante], overeenkomstig de wettelijke termijn, als bedoeld in artikel 6:7 van de Awb, bij besluit van 8 maart 2012 en besluit van 30 november 2012, medegedeeld dat voor het indienen van het bezwaarschrift onderscheidenlijk het beroepschrift een termijn van zes weken geldt. Naar aanleiding van het aanvullend boeterapport van 10 september 2012 heeft de minister [appellante] voorts bij brief van 14 september 2012 in de gelegenheid gesteld om tot 1 oktober 2012 op het aanvullende boeterapport te reageren. Nu [appellante] niet heeft gesteld dat zij de minister om uitstel voor het indienen van de gronden van bezwaar of de reactie op het aanvullend boeterapport van 10 september 2012 heeft verzocht, dan wel in de bestuurlijke fase bij de minister heeft aangegeven dat zij vanwege de gestelde korte termijnen in haar procesvoering werd geschaad, leiden de door haar gestelde omstandigheden over het handelen van de minister, de vertraagde postbezorging en de complexiteit van de onderhavige zaak, niet tot het oordeel dat [appellante] geen eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, heeft gehad.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien de boete te matigen wegens het ontbreken van verwijtbaarheid. Zij stelt dat zij niet wist, althans niet kon weten dat zij in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav handelde en dat zij niet opzettelijk de Wav heeft overtreden. Verder betoogt [appellante] dat de Belgische autoriteiten ten onrechte de indruk hadden gewekt dat voor de vreemdelingen geen arbeidskaart nodig was en dat in deze zaak, ook bij de minister, onduidelijkheid bestond over het vereiste om over een tewerkstellingsvergunning te beschikken. Voorts heeft de rechtbank niet onderkend dat de boete in strijd met het evenredigheidsbeginsel is opgelegd aangezien het marginale arbeid betrof, de doelstellingen van de Wav niet zijn geschonden en zij door de kosten voor financiering van de boete en juridische bijstand schade heeft geleden, aldus [appellante]. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] voorts betoogd dat, indien de arbeidskaarten zouden zijn aangevraagd, deze door de Belgische autoriteiten zouden zijn verleend, dat zij geen financieel voordeel van de overtreding heeft genoten, dat zij belastingen en premies heeft afgedragen en dat zij een controlesysteem heeft opgezet voor de registratie van kopieën van identiteitsbewijzen van haar werknemers.

6.1. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav om de aanwending van een discretionaire bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid, ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, de hoogte van de boete afstemmen op de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en op de ernst van de overtreding. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Ingevolge de verplichting hem opgelegd in artikel 19d, derde lid, van de Wav, heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn als zodanig niet onredelijk. Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.

De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.

6.2. In situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid wordt van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 maart 2006 in zaak nr. 200509111/1), is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in de zin van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. Derhalve leidt het betoog dat [appellante] niet wist, althans niet kon weten, dat sprake was van een overtreding niet tot het geheel ontbreken van verwijtbaarheid dan wel een verminderde mate daarvan. Het had op de weg van [appellante] gelegen om bij onduidelijkheid hieromtrent het UWV WERKbedrijf te raadplegen alvorens de vreemdelingen ten behoeve van haar arbeid te laten verrichten. De omstandigheden dat de Belgische autoriteiten ten onrechte de indruk zouden hebben gewekt dat voor de vreemdelingen geen arbeidskaart nodig was en dat [appellante] een systeem van registratie zou hebben ingesteld ter voorkoming van overtredingen van de Wav leiden evenmin tot het geheel ontbreken van verwijtbaarheid dan wel een verminderde mate daarvan, reeds omdat [appellante] deze stellingen niet met bescheiden heeft gestaafd. Voorts hebben de vreemdelingen blijkens het boeterapport op 28 en 29 mei 2010 arbeid verricht, zodat geen sprake is van marginale arbeid op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De enkele stelling dat de arbeidskaarten, indien deze tijdig zouden zijn aangevraagd, zouden zijn verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet op voorhand vaststaat dat aan de voorwaarden voor verlening van een arbeidskaart is voldaan en uitsluitend de Belgische autoriteiten bevoegd zijn hierover te beslissen. Het samenstel van feiten en omstandigheden noopt voor het overige evenmin tot matiging van de opgelegde boete. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien de boete te matigen.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister terecht niet is overgegaan tot een proceskostenvergoeding op voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, aangezien uit de procesdossiers op geen enkele wijze naar voren komt dat zij op ondubbelzinnige wijze aan de minister kenbaar heeft gemaakt dat zij zich door een beroepsmatige rechtsbijstandverlener liet bijstaan. Volgens [appellante] was het de minister bekend dat zij zich door Willeme liet bijstaan, hetgeen volgt uit de omstandigheid dat Willeme door de Arbeidsinspectie in de bij het boeterapport gevoegde verslagen van het horen steeds als advocaat en juridisch adviseur is genoemd, Willeme in de bestuurlijke fase alle stukken heeft opgesteld en correspondentie met de minister heeft gevoerd, in het bezwaarschrift uitdrukkelijk om een vergoeding voor juridische rechtsbijstand is verzocht en het horen in bezwaar heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van Willeme, die het woord heeft gevoerd. Voorts stelt [appellante] dat Willeme een beroepsmatige rechtsbijstandverlener is en zij kosten heeft gemaakt die zij ook heeft gestaafd.

7.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), voor zover thans van belang, kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge de Bijlage bij het Bpb wordt het bedrag van de kosten als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Bpb, vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig een in de bijlage opgenomen lijst.

Ingevolge deze lijst wordt voor het indienen van een bezwaarschrift en het verschijnen bij de hoorzitting elk één punt toegekend.

7.2. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007 (zaak nr. 200607722/1) kan geen vergoeding worden toegekend voor door een appellant op eigen naam ingediende stukken, ook al zouden deze door of met behulp van een beroepsmatige rechtsbijstandverlener zijn opgesteld. Artikel 2, eerste lid, van het Bpb biedt niet de mogelijkheid tot het toekennen van een vergoeding voor andere werkzaamheden dan de in de bijlage van het Bpb opgesomde proceshandelingen. De kosten van rechtsbijstand, bestaande uit het bijstaan bij het opstellen van processtukken die door de betrokkenen zelf, op eigen naam, worden ingediend, kunnen derhalve niet worden vergoed op grond van de genoemde bepaling.

7.3. [appellante] heeft haar zienswijze van 12 december 2011, de aanvullende zienswijze van 30 januari 2012, haar bezwaarschrift van 18 april 2012 en haar reactie van 28 september 2012 op het aanvullend boeterapport van 10 september 2012 op eigen naam ingediend. Deze stukken zijn door [gemachtigde] ondertekend. Gelet op de onder 7.2 vermelde jurisprudentie heeft de rechtbank reeds hierom terecht overwogen dat de door [appellante] voor het ingediende bezwaarschrift gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De minister heeft er onder de gegeven omstandigheden vanuit mogen gaan dat Willeme niet als beroepsmatige rechtsbijstandverlener van [appellante] optrad. Dat Willeme als juridisch adviseur in het bij het boeterapport gevoegde verslag van horen van 29 september 2010 is vermeld en zou hebben gecorrespondeerd met de minister, noopt niet tot een ander oordeel, omdat deze omstandigheden de gerechtvaardigde veronderstelling van de minister, dat Willeme niet als rechtsbijstandsverlener maar als bedrijfsjurist van [appellante] optrad, niet weerleggen.

Het betoog faalt in zoverre.

7.4. Wat betreft de vergoeding voor het verschijnen bij de hoorzitting in bezwaar van 9 augustus 2012 stelt de Afdeling vast dat uit het verslag daarvan weliswaar kan worden afgeleid dat Willeme ook namens [appellante] aanwezig was en ook namens haar het woord heeft gevoerd, maar niet is komen vast te staan dat Willeme tijdens deze hoorzitting of op enig ander moment in de bestuurlijke fase de minister heeft geïnformeerd dat hij als derde beroepsmatige rechtsbijstand aan [appellante] verleent en dat hij als zodanig tijdens de hoorzitting zou optreden. Gelet hierop brengt de gestelde omstandigheid dat de minister ermee bekend was dat Willeme wel vaker [appellante] bijstond niet met zich dat hij hieruit reeds had kunnen en moeten afleiden dat Willeme ook in deze zaak in de hoedanigheid van beroepsmatige rechtsbijstandsverlener optrad.

Het betoog faalt ook in zoverre.

8. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen beslissing op haar verzoek om schadevergoeding, als bedoeld in artikel 8:73 van de Awb (oud), heeft genomen en verzoekt de Afdeling om alsnog vast te stellen dat de minister een schadevergoeding aan haar dient te betalen. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellante] toegelicht dat zij hoge juridische kosten heeft moeten maken.

8.1. Het verzoek van [appellante] ziet slechts op de vergoeding van onnodig gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Deze kosten kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen nu deze reeds in het Bpb zijn verdisconteerd. Reeds hierom bestond geen aanleiding voor de rechtbank om het verzoek om schadevergoeding in te willigen. In het licht van het voorgaande wijst de Afdeling het verzoek om schadevergoeding evenzeer af.

9. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling voor de door haar wettelijk vertegenwoordiger, F. Bevers, gemaakte reis- en verletkosten heeft uitgesproken.

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 november 2006 in zaak nr. 200601984/1) is, wanneer een besluit op bezwaar door de rechter wordt vernietigd, dat in de regel aanleiding om een proceskostenveroordeling ten laste van het verwerende bestuursorgaan uit te spreken, voor zover sprake is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De Afdeling ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken en is van oordeel dat, nu [appellante] de rechtbank om vergoeding van reis- en verletkosten heeft verzocht in verband met het bijwonen van de zitting, de rechtbank, gegeven de gegrondverklaring van het beroep, de minister ook in die kosten had moeten veroordelen.

Het betoog slaagt.

10. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken voor de reis- en verletkosten en dient voor het overige te worden bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de proceskosten in beroep, voor zover deze de reis- en verletkosten betreffen, vaststellen op € 71,96.

11. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 mei 2013 in zaak nr. 13/376, voor zover de rechtbank geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken voor de reis- en verletkosten van [appellante];

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

V. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.451,00 (zegge: veertienhonderdeenenvijftig euro), waarvan € 1.217,00 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Groeneweg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

501-766.