Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201308952/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308952/2/R3.

Datum uitspraak: 17 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekster], gevestigd te Sprundel, gemeente Rucphen,

verzoekster,

en

de raad van de gemeente Steenbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Steenbergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoekster] beroep ingesteld.

Bij afzonderlijke brief heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 januari 2014, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door M. de Jong, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoekster], die een intensieve varkenshouderij exploiteert op het perceel [locatie A] te Kruisland, richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie B]. Daartoe voert zij onder meer aan dat in het verleden een onherroepelijke bouwvergunning is verleend voor een agrarische bedrijfswoning op dat perceel en niet, zoals de raad betoogt, voor een burgerwoning. Met het verzoek beoogt zij te voorkomen dat het plandeel in werking treedt, omdat zij door het gebruik van de naastgelegen woning als burgerwoning vreest voor klachten die ertoe strekken dat zij in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

2.1. Bij besluit van 1 april 1997 is met toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, aan [partij] een bouwvergunning verleend voor een woonhuis met garage op het perceel [locatie B]. In het op dat moment in voorbereiding zijnde bestemmingsplan had het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok". Gelet hierop heeft de voorzitter ernstige twijfel of uit deze bouwvergunning en de daarbij behorende verklaring van geen bezwaar van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant kan worden afgeleid dat een bouwvergunning voor een burgerwoning is verleend. De voorzitter ziet echter geen aanleiding voor het oordeel dat zich voorafgaand aan de uitspraak in de bodemprocedure onomkeerbare gevolgen zullen voordoen dan wel dat anderszins zodanige belangen in het geding zijn dat het treffen van een voorlopige voorziening is aangewezen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [partij] ter zitting heeft verklaard dat hij geen (ver)bouwplannen heeft voor zijn woning en in ieder geval geen aanvraag voor een omgevingsvergunning zal indienen voordat de Afdeling uitspraak doet in de bodemprocedure. Bovendien is namens de raad ter zitting toegezegd dat [verzoekster] terstond wordt geïnformeerd indien gedurende de bodemprocedure niettemin een aanvraag voor een omgevingsvergunning zal worden ingediend. Voor zover [verzoekster] vreest dat zij vanwege overlast ter plaatse van de burgerwoning in haar bedrijfsvoering wordt beperkt, is van belang dat ter zitting is komen vast te staan dat [verzoekster] over onherroepelijke vergunningen beschikt op grond waarvan zij haar bedrijf kan uitoefenen. Gelet hierop acht de voorzitter het niet aannemelijk dat zij hangende de bodemprocedure wordt belemmerd in haar bestaande en vergunde agrarische bedrijfsvoering.

Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen gelet op de betrokken belangen afgewezen.

2.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Bongertman, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bongertman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2014

709.