Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1547

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201305617/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:2954, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] over 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305617/1/A4.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 mei 2013 in zaak nr. 12/3108 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellant] over 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien op nihil vastgesteld.

Bij onderscheiden besluiten van 8 en 24 november 2012 heeft de dienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het voorschot op € 2.229,00 vastgesteld.

Bij uitspraak van 14 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder behandeling van de zaak ter zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat die behandeling achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt opvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 16, vijfde lid, van de Awir kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot op een tegemoetkoming herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met de vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] over 2008 geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft, omdat hij geen kosten voor kinderopvang heeft gehad en hij voorts geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, waarin de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en de duur van de overeenkomst is geregeld, heeft overgelegd.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de prijs per uur wel in de overeenkomst is geregeld. Voorts heeft zij miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, aangezien hij niet eerder heeft gemeld dat de overeenkomst niet aan alle eisen voldoet, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102492/1/H2), bestaat geen aanspraak op voorschot kinderopvangtoeslag, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, de basis voor de opvang vormt. Ingevolge deze bepaling, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de Awir, moet degene die aanspraak op de toeslag maakt aan de hand van een akte van de overeenkomst met de houder van een gastouderbureau aantonen dat de opvang krachtens zodanige overeenkomst plaatsvindt.

Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2), dient de overeenkomst, bedoeld in artikel 52, eerste lid, van de Wko, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten, waaronder de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur. In de door [appellant] overgelegde akte van de tussen hem en het gastouderbureau gesloten overeenkomst is de prijs per uur, anders dan hij stelt, niet geregeld. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de overeenkomst daarmee niet aan de in artikel 52 van de Wko, gelezen in verbinding met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, gestelde eisen voldoet, zodat [appellant] reeds daarom over 2008 geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft. Voor zover [appellant] stelt dat de te betalen prijs per uur de Belastingdienst/Toeslagen via andere documenten bekend kan zijn, betekent dat, wat daar verder van zij, niet dat de overeenkomst aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Het beroep van [appellant] op het vertrouwensbeginsel leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat hij niet heeft gesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen hem heeft medegedeeld dat de akte van de tussen hem en het gastouderbureau gesloten overeenkomst aan alle eisen voldoet.

Het betoog faalt.

4. Nu de rechtbank, reeds gelet op het voorgaande, terecht heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] over 2008 geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft, behoeft hetgeen hij voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

457.