Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1537

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201305042/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:4422, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om hem een vergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, (hierna: de DHW-vergunning) te verlenen afgewezen. Voorts heeft de burgemeester bij dat besluit een aanvraag van [appellant] om hem een speelautomatenvergunning, als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen, te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201305042/1/A3.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 25 april 2013 in zaak nr. 12/1348 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft het college een aanvraag van [appellant] om hem een vergunning, als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet, (hierna: de DHW-vergunning) te verlenen afgewezen. Voorts heeft de burgemeester bij dat besluit een aanvraag van [appellant] om hem een speelautomatenvergunning, als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen, te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 22 november 2012 hebben het college en de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J.P. Schrale-Oranje, advocaat te Roden, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.P. Wemes, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Drank- en Horecawet (hierna: de DHW), is het verboden zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de DHW, mogen leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Ingevolge het derde lid worden bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld en kan de in dat lid, onder b, gestelde eis nader worden omschreven.

Aan deze bepaling is uitvoering gegeven door het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna: het Besluit DHW).

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, wordt een vergunning geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen.

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de kansspelen, is het verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer kansspelautomaten aanwezig te hebben in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen, waarvoor ingevolge artikel 3 van de DHW een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college, gelet op de justitiële documentatie en politiegegevens, in onderling verband bezien, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet voldoet aan de eis dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b, van de DHW. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 22 november 2012 in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen nu ten onrechte geen contact is opgenomen met alle door hem opgegeven referenten.

2.1. Uit de justitiële documentatie blijkt dat [appellant] door de rechtbank Groningen op 19 mei 1998 is veroordeeld tot drie maanden hechtenis wegens opzetheling en door het Gerechtshof Leeuwarden op 1 juli 1999 tot achttien maanden hechtenis wegens het opzettelijk uitlokken van poging tot opzettelijk brand stichten. Daarnaast is [appellant] op 1 juni 2004 door het Landesgericht Feldkirch (Oostenrijk) veroordeeld tot 8 jaar hechtenis wegens een drugsdelict en op 28 januari 2011 door het Amtsgericht Bremen (Duitsland) tot het betalen van een geldboete van € 2.500,00 wegens drugssmokkel. Voorts blijkt uit politiegegevens onder meer dat [appellant] verdachte is terzake van het op 15 november 2011 aanwezig hebben van harddrugs dan wel het opzettelijk handelen in harddrugs.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich gelet op deze gegevens in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] niet voldoet aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn. Dat de veroordeling van 28 januari 2011 ten tijde van het besluit van 22 november 2012 niet onherroepelijk was, maakt niet dat het college dit gegeven ten onrechte bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201202242/1/A3), is in het Besluit DHW, waarin uitvoering is gegeven aan artikel 8, derde lid, van de DHW, geen nadere omschrijving gegeven van de eis dat de bedrijfsleider en beheerders niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Op grond hiervan en omdat de tekst van artikel 8 van de DHW noch de geschiedenis van zijn totstandkoming tot een andere opvatting dwingen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen beperkingen zijn gesteld aan de feiten of omstandigheden die mogen worden betrokken bij de beoordeling of een leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat het college niet heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Voor de toepassing van artikel 27, aanhef en onder a, van de DHW, is niet vereist dat het college contact opneemt met door de aanvrager aangedragen referenten, reeds omdat informatie van die referenten niet kan afdoen aan de justitiële documentatie en de politiegegevens.

Het betoog faalt.

3. Over het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door aan andere horecaondernemers met een strafblad wel een DHW-vergunning te verlenen, wordt overwogen dat het college zich ter zitting bij de rechtbank onweersproken op het standpunt heeft gesteld dat in de door [appellant] genoemde gevallen de betrokken aanvragers ten tijde van de verlening van de vergunning geen strafblad hadden en deze gevallen in zoverre niet overeenkomen met het geval van [appellant].

4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de DHW-vergunning in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Nu niet in geschil is dat verlening van deze vergunning een vereiste is voor het verlenen van een speelautomatenvergunning, heeft de rechtbank evenzeer met juistheid geoordeeld dat de speelautomatenvergunning terecht is geweigerd.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

382-782.