Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201304920/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 7 december 2011 heeft het college antwoord gegeven op vier door [appellant] gestelde vragen over de melding van zijn dochter in het systeem van het Stadsregionaal Instrument Sluitende Aanpak (hierna: de melding).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304920/1/A3.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2013 in zaak nr. 12/3959 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

Procesverloop

Bij brief van 7 december 2011 heeft het college antwoord gegeven op vier door [appellant] gestelde vragen over de melding van zijn dochter in het systeem van het Stadsregionaal Instrument Sluitende Aanpak (hierna: de melding).

Bij ongedateerd besluit heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten over de melding ingewilligd en een uitdraai van de melding aan hem verstrekt.

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft het college dit besluit aangevuld en het verzoek doorgezonden aan Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam (hierna: Bureau Jeugdzorg) en de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond (hierna: de Regiopolitie), voor zover de gevraagde documenten niet in het bezit zijn van het college.

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft het college het door [appellant] tegen de brief van 7 december 2011 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Voorts heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 16 maart 2012 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Bij uitspraak van 7 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit ziet op de bevoegdheid van het college om een besluit op het verzoek te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 februari 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J. Dijkman en M. Smeding, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 4 wordt de verzoeker, indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

2. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende.

3. Bij brief van 14 november 2011 heeft [appellant] vier vragen gesteld over de melding en verzocht om documenten over de melding aan hem te verstrekken.

De rechtbank heeft niet onderkend dat de brief van 7 december 2011 geen besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nu het college hierin alleen antwoord heeft gegeven op de door [appellant] gestelde vragen. Hieruit volgt dat het college het tegen deze brief gemaakte bezwaar om die reden niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

4. Voorts heeft het college aan het besluit van 23 juli 2012 ten grondslag gelegd dat het met het besluit van 16 maart 2012 volledig aan het verzoek is tegemoetgekomen, nu het hierbij aan [appellant] een kopie van het collegebesluit tot het aangaan van het samenwerkingsconvenant SISA (hierna: het convenant) en een kopie van het convenant heeft verstrekt en het het verzoek heeft doorgezonden aan Bureau Jeugdzorg en de Regiopolitie.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 3 april 2013 in zaak nr. 201203933/1/A3) is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch bij dat bestuursorgaan berust. Dit vergt een inhoudelijke beoordeling van het door [appellant] tegen het besluit van 16 maart 2012 gemaakte bezwaar. Gelet hierop heeft het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen [appellant] tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 juli 2012 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

6. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

6.1. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen wordt het door [appellant] tegen de brief van 7 december 2011 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

6.2. Over hetgeen [appellant] tegen het besluit van 16 maart 2012 heeft aangevoerd wordt het volgende overwogen.

Het college is een bestuursorgaan waarop de bepalingen van de Wob van toepassing zijn. Derhalve kan het in het kader van de Wob een besluit nemen. Voorts bevat een melding volgens artikel 8, eerste lid, van het convenant, naast de contactgegevens van de meldingsbevoegde, uitsluitend de persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om te kunnen vaststellen op welke jeugdige de melding betrekking heeft. Een melding bevat geen bijzondere persoonsgegevens en evenmin gegevens over de aard van de contacten tussen de jeugdige en de meldingsbevoegde of de aard van de risico's die worden vermoed, aldus die bepaling. Gelet op deze bepaling komt het niet ongeloofwaardig voor dat niet meer documenten over de melding bij het college berusten dan het aan [appellant] heeft verstrekt. Met de enkele stelling dat dit niet vaststaat, heeft [appellant] het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Voorts blijkt uit de aan [appellant] verstrekte uitdraai dat in dit geval alleen Bureau Jeugdzorg en de Regiopolitie bij de melding zijn betrokken. In reactie op het betoog van [appellant] ter zitting bij de Afdeling dat een convenantpartij ook een présignaal kan afgeven en het in dit verband niet is uitgesloten dat alle convenantpartijen van de melding hebben kennisgenomen en informatie hierover in documenten hebben neergelegd, heeft het college toegelicht dat ook een door een convenantpartij afgegeven présignaal in het systeem wordt geregistreerd. Nu uit de uitdraai van de melding niet blijkt dat een andere convenantpartij dan Bureau Jeugdzorg en de Regiopolitie van de melding heeft kennisgenomen, heeft het college het verzoek terecht alleen doorgezonden naar deze convenantpartijen.

Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 16 maart 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaren.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2013 in zaak nr. 12/3959;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam van 23 juli 2012, kenmerk 2.2012.0073.001/12UIT18075;

V. verklaart het tegen de brief van 7 december 2011 door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;

VI. verklaart het tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam van 16 maart 2012, kenmerk 12UIT05927 door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar ongegrond;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het onder IV vernietigde besluit;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) en het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Beerse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

382-782.