Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201304742/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, derde herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/2732

Uitspraak

201304742/1/R2.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van

artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats]

en

de raad van de gemeente Buren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, derde herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft verweerschriften ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops, [appellant sub 2], bij monde van [appellante sub 2 B], bijgestaan door M.A.M. Jonkers, en de raad, vertegenwoordigd door G.J. van Rhijn BSc en ing. N.J. Stam, bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

Verder zijn ter zitting als partij gehoord [belanghebbende A] en [belanghebbende B], [belanghebbende C] en [belanghebbende D], bij monde van [belanghebbende C] en bijgestaan door mr. A.R. van Tilborg, en [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bij monde van [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. A.R. van Tilborg.

Overwegingen

Plan en toetsingskader

1. Het plan betreft een zogenoemd veegplan en heeft betrekking op verschillende locaties in het buitengebied van de gemeente Buren. Het plan voorziet voor het perceel aan de Rijnbandijk 163 te Maurik in de mogelijkheid een vergadercentrum en een bed & breakfast te realiseren in een bestaande voormalige boerderij. Verder is in het plan aan de gronden van [appellant sub 1] aan de P. van Westrhenenweg te Ingen de bestemming "Agrarisch" toegekend.

1.1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

Procedureel

2. De raad stelt dat [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is in haar beroep, nu zij buiten de termijn beroep heeft ingesteld en geen zienswijze heeft ingediend.

Volgens de raad heeft het feit dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van rechtswege een beroep van [appellant sub 1] is ontstaan tegen het onderhavige besluit niet tot gevolg dat [appellant sub 1] niet tijdig afzonderlijk beroep tegen het voorliggend plan had moeten instellen. Daarbij is van belang dat reeds op 22 mei 2013 uitspraak is gedaan op het beroep tegen het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" en dat het verzoek van [appellant sub 1] tot herziening van de uitspraak van 22 mei 2013 is afgewezen, aldus de raad.

2.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft een bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2.2. Bij besluit van 27 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" vastgesteld. In de verbeelding behorend bij dat plan is voor het perceel van [appellant sub 1] de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak opgenomen. De Afdeling heeft het beroep van [appellant sub 1] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening" ongegrond verklaard (uitspraak van 22 mei 2013 in zaak nr. 201205222/1/R2) en heeft het verzoek van [appellant sub 1] tot herziening van de uitspraak van 22 mei 2013 afgewezen (uitspraak van 29 januari 2014, in zaak nr. 201305285/1/R2).

Zoals overwogen in de uitspraak van de voorzitter van 28 november 2013, met zaak nr. 201304742/5/R2, is het onderhavige plan vastgesteld op 2 april 2013, en derhalve vóór de datum waarop de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het beroep van [appellant sub 1] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied, tweede herziening". Nu het perceel van [appellant sub 1] onderdeel uitmaakt van beide plangebieden en het voorliggend plan niet tegemoet komt aan haar beroep tegen het besluit "Buitengebied, tweede herziening", merkt de Afdeling het bestreden besluit van 2 april 2013 aan als een besluit bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 27 maart 2012 moet daarom worden geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit van 2 april 2013. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk te achten. Dat, zoals de raad betoogt, op het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 27 maart 2012 reeds uitspraak is gedaan en het verzoek van [appellant sub 1] tot herziening van deze uitspraak is afgewezen, maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

3. [appellant sub 1] betoogt dat van het ontwerpplan niet op geschikte wijze is kennisgegeven, omdat haar perceel in de publicatie niet is genoemd.

3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, gelezen in samenhang met artikel 3:12 van de Awb, kan bij de openbare kennisgeving, voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerp en het vastgestelde plan, worden volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud.

3.2. In de kennisgeving is onder meer een opsomming opgenomen van de nieuwe ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, waarbij vermeld staat dat het onder andere de opgenomen ontwikkelingen betreft. Ook staat vermeld dat het plan voor een aantal andere gebieden de bestaande situatie vastlegt, waarbij is aangegeven dat het onder andere de in de kennisgeving opgenomen gebieden betreft.

De Afdeling is van oordeel dat in de kennisgeving van het ontwerpplan de zakelijke inhoud van het plan voldoende is vermeld, nu de naam van het plan, "Buitengebied, derde herziening" reeds een aanduiding van het plangebied geeft en in de kennisgeving tevens een opsomming is gegeven van ontwikkelingen die onder meer in het plan mogelijk worden gemaakt. Hoewel het perceel van [appellant sub 1] daarbij niet bij name genoemd en voorts niet is vermeld dat in het ontwerpplan vier ambtshalve wijzigingen zijn opgenomen, staat in de kennisgeving duidelijk vermeld dat het onder andere de daarin genoemde ontwikkelingen mogelijk maakt, en dat het plan onder andere voor een aantal gebieden de bestaande situatie vastlegt. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat van het ontwerpplan op onjuiste wijze is kennisgegeven.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van het beroep inhoudelijk

4. [appellant sub 1] wenst aan de P. van Westrhenenweg te Ingen een grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een natuurlijke paardenhouderij voor het ras Schwarzwälder Fuchs te vestigen. Het thans voorliggende plan voorziet hier volgens [appellant sub 1] ten onrechte niet in, doordat aan het perceel geen bouwvlak is toegekend. Zij voert daartoe aan dat aan de betreffende gronden in het voorheen geldend plan "Buitengebied, tweede herziening" wel een bouwvlak was toegekend. De raad heeft zich volgens [appellant sub 1] ten onrechte op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het bouwvlak sprake is van een ambtshalve aanpassing. Ook heeft de raad niet gemotiveerd waarom in het voorliggend plan aan haar gronden geen bouwvlak is toegekend, noch is gebleken dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden.

Verder betoogt zij dat het voorliggende plan ten onrechte is vastgesteld voordat uitspraak in het voorheen geldend plan was gedaan.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet de bedoeling was in het voorheen geldend plan "Buitengebied, tweede herziening" aan de gronden van [appellant sub 1] een bouwvlak toe te kennen. In het thans voorliggend plan is getracht dit te herstellen, aldus de raad.

4.2. In voornoemde uitspraak van 22 mei 2013, met zaak nr. 201205222/1, waarbij onder andere op het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 27 maart 2012 uitspraak is gedaan, heeft de Afdeling overwogen dat de raad in redelijkheid van het in het plan opnemen van de door [appellant sub 1] gewenste ontwikkelingen heeft kunnen afzien. Daarbij is geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voldoende zicht bestaat op doorgroei naar een volwaardig bedrijf om aan het bedrijf van [appellant sub 1] een agrarisch bouwperceel toe te kunnen kennen.

Niet in geschil is dat de raad het agrarisch bouwvlak - in afwijking van het raadsbesluit - per abuis in de verbeelding behorend bij het plan "Buitengebied, tweede herziening" heeft opgenomen. In het thans voorliggend plan heeft de raad dit hersteld door in de verbeelding voor het perceel van [appellant sub 1] geen bouwvlak op te nemen. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiertoe niet heeft mogen overgaan. Daarbij is van belang dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden waardoor thans wel sprake zou kunnen zijn van voldoende zicht op doorgroei naar een volwaardig bedrijf. Het betoog van [appellant sub 1] dat het plan niet had mogen worden vastgesteld voordat uitspraak in het voorheen geldend plan was gedaan, doet hieraan niet af.

Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande, is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

Tussenuitspraak

6. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Procedureel

6.1. [appellant sub 2] stelt dat het rapport "Driftblootstelling binnen 50 meter van de perceelsgrens bij bespuitingen van een fruitboomgaard", van Plant Research International B.V, van september 2008 (hierna: PRI-rapport) ten onrechte niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage is gelegd.

6.2. De raad stelt zich op het standpunt dat het PRI-rapport een gestandaardiseerd rapport betreft, waarnaar in het in het kader van het plan opgestelde rapport "Onderzoek Spuitzone Buren, stap 1", van Schoonderbeek en partners Advies B.V., van 8 november 2012 (hierna: SPA-rapport) wordt verwezen. Volgens de raad is [appellant sub 2] niet benadeeld door het niet ter inzage leggen van het PRI-rapport.

6.3. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing.

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

6.4. Niet in geschil is dat het PRI-rapport niet met het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Het betoog van [appellant sub 2] dat de raad hier ten onrechte niet toe is overgegaan, faalt. Daartoe is van belang dat dit rapport niet kan worden aangemerkt als een op het ontwerp van het bestemmingsplan betrekking hebbend stuk, dat redelijkerwijs nodig is voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, nu deze rapportage een gestandaardiseerd rapport betreft en een algemeen overzicht geeft van de gevolgen van drifblootstelling bij bespuitingen van fruitboomgaarden, en niet specifiek ziet op het plan.

Inhoudelijk

Spuitzone

7. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het het plandeel aan de Rijnbandijk 163 te Maurik betreft, omdat hij vreest dat de aldaar voorziene functies de bedrijfsvoering van zijn fruitteeltbedrijf, dat is gevestigd op aangrenzende gronden, zal belemmeren. Hij wijst er in dit verband op dat zijn boomgaard met gewasbeschermingsmiddelen wordt bespoten waarbij drift vrijkomt die ernstige gezondheidsrisico’s met zich kan brengen voor personen die zich in de nabijheid van de boomgaard bevinden. Volgens [appellant sub 2] zijn het door de raad overlegde PRI-rapport en het SPA-rapport onvoldoende om een in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen aan te houden spuitzone van 20 meter tussen zijn boomgaard en de voorziene functies te rechtvaardigen.

[appellant sub 2] voert daartoe aan dat het PRI-rapport een gestandaardiseerd onderzoek betreft. Verder voert [appellant sub 2] aan dat uit dit rapport volgt dat een spuitzone van 30 meter vereist is, en niet van 20 meter.

Ten aanzien van het SPA-rapport voert [appellant sub 2] aan dat in dit rapport staat dat de uitkomsten indicatief zijn en dat een aanvullend kwalitatief onderzoek zou moeten worden uitgevoerd om de gezondheidsrisico’s in beeld te kunnen krijgen. Ook volgt uit het rapport dat niet zeker is dat met één maatregel het beoogde doel wordt gehaald, aldus [appellant sub 2]. Verder acht [appellant sub 2] het rapport om verscheidene redenen niet representatief. Zo wordt in het rapport ten onrechte gesproken over bedrijfsinformatie, wordt ten onrechte verwezen naar de VNG-brochure en is sprake van een tegenstelling tussen de rapporten wat betreft de spuitdrift. Ook wordt er in dit rapport volgens [appellant sub 2] ten onrechte vanuit gegaan dat een aantal emissiereducerende maatregelen verplicht zijn gesteld. Daarnaast wijst Van Zettten erop dat in het rapport wordt uitgegaan van een maximum aantal bezoekers, terwijl het aantal bezoekers in het plan niet is vastgelegd.

Voorts betoogt [appellant sub 2] dat de windhaag, waarin de voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de spuitzone voorziet, ten onrechte niet in plan is geborgd, nu deze niet in de verbeelding is opgenomen.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de spuitzone van 20 meter voldoende is om de driftblootstelling in afdoende mate te reduceren. De raad wijst hiertoe op het SPA-rapport. Het uitvoeren van een nader onderzoek werd ten tijde van de vaststelling van het plan niet noodzakelijk geacht vanwege de extra kosten die dat met zich zou brengen. Voor zover [appellant sub 2] en anderen hebben gewezen op het PRI-rapport, stelt de raad dat dit rapport niet aan het plan ten grondslag is gelegd en niet specifiek dient ter onderbouwing van het plan.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat in het SPA-rapport staat dat niet zeker is dat met één maatregel het benodigde effect wordt bereikt, wijst de raad erop dat een bladhoudende haag verplicht is gesteld, waardoor gedurende het hele jaar door driftreductie plaatsvindt. Verder stelt de raad dat de uitgangspunten die in het PRI-rapport zijn toegepast, representatief zijn. Omdat [appellant sub 2] geen bedrijfsinformatie wilde verschaffen, is in het rapport uitgegaan van gewasbeschermingsmiddelen die in de fruitteelt het meest worden gebruikt en die het hoogste gezondheidsrisico vormen. Voor de afwijkingen in spuitdrift en de tegenstelling tussen de rapporten daaromtrent, verwijst de raad naar de percentages die daartoe door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn opgesteld en die te maken hebben met het gebladerte van de haag. Voor zover [appellant sub 2] stelt dat er in het SPA-rapport ten onrechte vanuit gegaan wordt dat een aantal maatregelen verplicht is gesteld, stelt de raad dat dit niet af doet aan de conclusie van het rapport. Ten aanzien van de emissiereducerende maatregelen stelt de raad dat daarbij in het rapport is uitgegaan van een bladhoudende windhaag, zodat wel degelijk kan worden uitgegaan van het in het rapport toegepaste reductiepercentage van 70%. Voorts stelt de raad dat het aantal bed & breakfast-kamers en bezoekers van het vergadercentrum in de ruimtelijke onderbouwing van het plan is opgenomen.

Met betrekking tot de windhaag stelt de raad zich op het standpunt dat deze als bijlage is opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing, waarbij de ruimtelijke onderbouwing, die als bijlage bij het plan is gevoegd, door de daarop betrekking hebbende voorwaardelijke verplichting, deel uitmaakt van het plan.

7.2. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels, zijn de op de verbeelding voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bewoning;

c. landschappelijke beplanting;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - vergadercentrum en bed & breakfast": voor een vergadercentrum en een bed & breakfast;

f. ter plaatse van de aanduiding "parkeren": voor een parkeerterrein voor minimaal 50 parkeerplaatsen ten behoeve van een vergadercentrum en bed & breakfast.

Ingevolge artikel 25, lid 25.4, onder 25.4.3, van de planregels mogen de gebouwen en de gronden ten behoeve van de in artikel 25, lid 25.1 genoemde doeleinden "vergadercentrum en bed & breakfast" ter plaatse van de Rijnbandijk 163 pas in gebruik worden genomen als:

a. de dubbele bladhoudende beplantingshaag en de parkeerplaatsen inclusief de bijbehorende beplanting aanwezig zijn conform de ruimtelijke onderbouwing "Rijnbandijk 163 in Maurik" die als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd;

b. de dubbele bladhoudende beplantingshaag moet minimaal dezelfde hoogte hebben als de fruitbomen op het naastgelegen perceel.

7.3. Blijkens de ruimtelijke onderbouwing is de initiatiefnemer voornemens de bestaande en vervallen boerderij aan de Rijnbandijk 163 te Maurik geheel te restaureren. Daarbij wenst de initiatiefnemer een gedeelte van de boerderij aan te wenden voor een commerciële vergaderruimte en een bed & breakfast. De vergaderruimte omvat maximaal 105 personen en de bed & breakfast maximaal 8 personen. Daarnaast zal de woning als burgerwoning worden gebruikt. De voormalige hooiberg en het voormalig achterhuis zullen worden herbouwd. Achter het voormalig achterhuis komt het terras, behorende bij de vergaderfaciliteiten en de bed & breakfast-kamers.

7.4. In het SPA-rapport staat dat afhankelijk van het gekozen maatregelenpakket op basis van de beschikbare blootstellingsrelaties een minimale ruimtelijke scheiding van 20 meter mogelijk wordt geacht tussen de dichtstbijzijnde boom of bomenrij en de voorziene gevoelige functies. Een kleinere afstand wordt om risico’s uit te sluiten niet wenselijk geacht, vanwege blootstelling door inhalatie, ondanks de doorgaans relatief korte verblijftijden van bezoekers en gasten. Daarbij wordt aangetekend dat pas na een kwantitatief onderzoek naar de driftblootstelling vaststaat wat de exacte minimale veiligheid- of spuitzone kan zijn. Verder staat in het rapport dat het wenselijk is een combinatie van maatregelen toe te passen, omdat niet zeker is dat het mogelijk is met één maatregel op alle momenten van het jaar een afdoende driftreductie te bereiken.

Omdat enkel maatregelen op eigen terrein kunnen worden toegepast wordt in het SPA-rapport vooralsnog aanbevolen op of dichtbij de westelijke perceelsgrens een dubbele bladhoudende haag aan te planten, van ten minste dezelfde hoogte als de fruitbomen op het naastliggende perceel. De dubbele haag dient te lopen vanaf het noordwestelijk gelegen gebouw op het eigen perceel, tot ruim 10 meter voorbij de parkeerplaatsen.

7.5. Uit voornoemd SPA-rapport volgt dat een dubbele bladhoudende haag direct langs de boomgaard de drift uit de boomgaard in voldoende mate zal reduceren, zodat een minimale ruimtelijke scheiding van 20 meter tussen de laatste bomenrij en de voorziene functies mogelijk wordt geacht. [appellant sub 2] heeft er echter terecht op gewezen dat in het SPA-rapport staat dat pas na een kwantitatief onderzoek naar de driftblootstelling vaststaat wat de exacte minimale veiligheid- of spuitzone kan zijn. De Afdeling stelt vast dat dit nader uit te voeren onderzoek niet was verricht ten tijde van de vaststelling van het plan, zodat ten tijde van het bestreden besluit niet duidelijk was in hoeverre de gezondheid van de bezoekers van het vergadercentrum en de gasten van de bed & breakfast met een spuitzone van 20 meter kan worden gewaarborgd.

Dit klemt temeer nu de raad ter zitting heeft gesteld dat hij destijds niet tot het laten uitvoeren van een nader onderzoek is uitgegaan vanwege kostenoverwegingen.

Het betoog slaagt.

7.6. Blijkens de verbeelding bedraagt de afstand tussen de perceelsgrens waar de dubbele bladhoudende haag is voorzien en het voorziene vergadercentrum en de bed & breakfast ongeveer 20 meter. De afstand tussen de perceelsgrens en de bestemming "Wonen" - waar ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels gevoelige functies mogelijk zijn - is echter nihil. Nu uit het SPA-rapport volgt dat een kleinere afstand dan 20 meter tussen de laatste bomenrij en gevoelige functies niet wenselijk wordt geacht vanwege risico op blootstelling door inhalatie, had het op de weg van de raad gelegen een zone van 20 meter vanaf de perceelsgrens aan te houden alwaar dergelijke gevoelige functies niet zijn toegestaan.

Het betoog slaagt.

7.7. In het SPA-rapport wordt uitgegaan van de aanwezigheid van een dubbele bladhoudende haag. Hoewel deze groenstrook in de verbeelding behorend bij de voorwaardelijke verplichting is aangegeven, en er in artikel 25, lid 25.4, onder 25.4.3, sub a, van de planregels staat vermeld dat een dubbele beplantingshaag conform de ruimtelijke onderbouwing aanwezig dient te zijn voordat het voorziene vergadercentrum en bed & breakfast in gebruik mogen worden genomen, is in het plan de instandhouding van voornoemde hagen niet vastgelegd.

Nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad deze hagen wel noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, heeft de raad de instandhouding daarvan ten onrechte niet in het plan geregeld. Niet valt in te zien dat de raad geen voorschrift in het plan heeft kunnen opnemen, inhoudende dat het gebruik van het perceel conform de bestemming alleen dan planologisch is toegestaan indien de hagen als hiervoor bedoeld worden in stand gehouden. Het betoog van [appellant sub 2] dat de aanwezigheid van de afschermende bladhoudende hagen onvoldoende in het plan is gewaarborgd, slaagt.

8. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is voorbereid in strijd met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid.

9. De raad heeft bij brief van 14 januari 2014 een nader rapport betreffende de driftblootstelling overgelegd. Dit rapport "Onderzoek naar driftblootstelling van omstanders en omwonenden door fruitboomgaardbespuitingen. Situatie Rijnbandijk 163 te Maurik", van Plant Research International, van november 2013, is na de vaststelling van het plan opgesteld. Nu het bestreden besluit gelet op het vorenstaande meerdere gebreken kent ziet de Afdeling in de omstandigheid dat de raad alsnog een nader rapport heeft laten opstellen geen aanleiding om te onderzoeken of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand kunnen worden gelaten.

Borging aantal bezoekers en geluid

10. [appellant sub 2] betoogt dat het aantal bed & breakfast-kamers ten onrechte niet in het plan is vastgelegd. Verder betoogt [appellant sub 2] dat ook het aantal bezoekers van het vergadercentrum niet is vastgelegd in het plan.

Voorts vreest hij voor de akoestische gevolgen van de voorziene functies voor zijn woning en de verkeersaantrekkende werking die zij met zich kunnen brengen.

10.1. De raad stelt dat de grootte van de voorziene functies wordt afgebakend door de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - vergadercentrum en bed & breakfast" op de verbeelding. Met betrekking tot de akoestische gevolgen, stelt de raad dat wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter zoals die in de brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) in verband met geluidhinder voor hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra wordt aanbevolen.

10.2. Ingevolge artikel 25, lid 25.1, van de planregels, zijn de op de verbeelding voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bewoning;

c. landschappelijke beplanting;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - vergadercentrum en bed & breakfast": voor een vergadercentrum en een bed & breakfast;

10.3. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het aantal bezoekers van het vergadercentrum en de bed & breakfast in het plan is gemaximeerd door de toegestane oppervlakte van bebouwing die op grond van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - vergadercentrum en bed & breakfast" in de verbeelding voor deze functies mogelijk is. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze toegestane oppervlakte zodanig groot is dat het aantal mogelijke bezoekers tot onevenredige gevolgen voor [appellant sub 2] zal leiden.

10.4. In de VNG-brochure wordt voor hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra een richtafstand van 10 meter aanbevolen, waarbij het aspect geluid maatgevend is.

Blijkens de verbeelding is tot op een afstand van tenminste 70 meter van de woning van [appellant sub 2] een bed & breakfast en een vergadercentrum toegestaan. Er wordt derhalve voldaan aan de richtafstand van 10 meter die in de VNG-brochure wordt aanbevolen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] niet ernstig zal worden aangetast als gevolg van de functiewijziging op het perceel Rijnbandijk 163.

Voorts wordt geen grond gezien voor het oordeel dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] sprake zal zijn van een zodanige overlast van het verkeer, dat het plan in zoverre niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kan worden geacht.

Het betoog faalt.

10.5. [appellant sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Bestuurlijke lus

11. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb opdragen om binnen 16 weken na verzending van de uitspraak alsnog te bezien of het plan voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" met de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - vergadercentrum en bed & breakfast" voor het perceel Rijnbandijk 163 gelet op de betrokken belangen in stand kan blijven. De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in 7.5 is overwogen, alsnog toereikend te motiveren dat de gezondheid van de gebruikers van de aldaar toegestane gevoelige functies kan worden gewaarborgd, en daarbij voorts het besluit te wijzigen op een wijze als bedoeld in 7.6. en 7.7, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Bij wijziging van het besluit dient de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten

12. Ten aanzien van [appellant sub 2] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Wat betreft [appellant sub 1] bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Buren op om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak:

1. met inachtneming van overweging 11 de daar omschreven gebreken te herstellen en

2. de Afdeling en de andere betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Van Heusden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

704.