Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201306949/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum-Zuid (Culturele As)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306949/1/R6.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Zoetermeer,

en

de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum-Zuid (Culturele As)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2013, waar [appellant], bijgestaan door P. Booms, en de raad, vertegenwoordigd door drs. T. Eisenburger en drs. J. de Haas, beiden werkzaam bij de gemeente, en bijgestaan door ing. A.B.N. Berendsen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het gebied rondom de Grote Dobbe in Zoetermeer en maakt de nieuwbouw mogelijk zoals die in het Definitieve Ontwerp Stedenbouwkundig plan Culturele As is voorzien, met uitzondering van het nieuwe stadsforum.

3. De raad stelt dat het beroep van [appellant] over het aantal wooneenheden, het aantal parkeerplaatsen en het hoogteverschil op het perceel aan de rand van het Dobbepark te Zoetermeer, dat een nieuw woongebouw mogelijk maakt, en de kadastrale ondergrond niet-ontvankelijk is, omdat [appellant] hierover niets naar voren heeft gebracht in zijn zienswijze.

3.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

3.2. De door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze is gericht tegen de nieuwbouw zoals die in het Definitieve Ontwerp Stedenbouwkundig plan Culturele As is voorzien en in het plan mogelijk wordt gemaakt. Nu deze nieuwbouw waaronder woonbebouwing object was van de zienswijze, moet de zienswijze van [appellant] worden aangemerkt als te zijn gericht tegen de plandelen met de bestemming "Wonen". De door de raad bedoelde gronden en argumenten hebben betrekking op plandelen met de bestemming "Wonen". Het beroep is in zoverre niet tegen andere plandelen gericht, maar bevat slechts nieuwe gronden en argumenten. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden, staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden en argumenten worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

4. [appellant] voert aan dat omwonenden en andere belanghebbenden onvoldoende bij de planvorming zijn betrokken.

4.1. De Afdeling stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke eisen die de Awb en de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) stellen aan de terinzagelegging van het ontwerpplan en het bieden van de mogelijkheid om zienswijzen naar voren te brengen. Nu omwonenden en andere belanghebbenden voorafgaand aan de vaststelling van het plan overeenkomstig de wettelijke regels in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze over de voorgenomen ontwikkelingen naar voren te brengen, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het plan vernietigd moet worden omdat omwonenden en andere belanghebbenden onvoldoende bij de planvorming zijn betrokken.

5. [appellant] betoogt dat de kadastrale ondergrond niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Daartoe wijst hij op de paardenbak, de paardenstal, de woning, de schuur en de overkapping op zijn perceel aan de [locatie] te Zoetermeer. In dit verband voert [appellant] aan dat in een in het Definitieve Ontwerp Stedenbouwkundige plan Culturele As opgenomen tekening de groene haag van bomen op het naburige perceel aan de rand van het Dobbepark onjuist is weergegeven.

5.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel aan de [locatie] te Zoetermeer de bestemming "Wonen" met een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 1.2.3, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover hier van belang, wordt een bestemmingsplan elektronisch vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt.

Ingevolge het tweede lid is, indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, het eerstgenoemde document beslissend.

Ingevolge artikel 1.2.4, eerste lid, voor zover hier van belang, wordt een plan vastgesteld met gebruikmaking van een of meer ondergronden.

5.2. De digitale verbeelding is voorzien van een kadastrale ondergrond. De paardenbak, de paardenstal, de woning, de schuur en de overkapping op het perceel aan de [locatie] te Zoetermeer zijn niet aangeduid op de ondergrond van de verbeelding. De Afdeling ziet hierin evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat niet langer sprake is van een duidelijke ondergrond en dat het plan in zoverre niet in stand kan blijven. Er treedt als gevolg daarvan immers geen onzekerheid op over de bestemming en de daarbij behorende planregels die ter plaatse van het perceel aan de [locatie] te Zoetermeer gelden. Daartoe overweegt de Afdeling dat aan de op de verbeelding weergegeven aanduidingen en bestemmingen in samenhang bezien met de planregels juridische betekenis toekomt en dat de ondergrond geen deel uitmaakt van het plan.

Voor zover [appellant] aanvoert dat in een in het Definitieve Ontwerp Stedenbouwkundige plan Culturele As opgenomen tekening de groene haag van bomen op het naburige perceel aan de rand van het Dobbepark onjuist is weergegeven, overweegt de Afdeling dat het Definitieve Ontwerp Stedenbouwkundige plan Culturele As als bijlage deel uitmaakt van de toelichting van het plan en dat de toelichting met bijlagen geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Reeds hierom kan dit betoog van [appellant] niet leiden tot vernietiging van het besluit in zoverre.

6. [appellant] voert aan dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap van Rijnland over de realisatie van het woongebouw aan de rand van het Dobbepark te Zoetermeer. Hiertoe stelt hij dat het woongebouw is voorzien binnen een waterkering. [appellant] vreest in dit verband dat de bouwwerkzaamheden ter plaatse zullen leiden tot scheuren in zijn woning en wateroverlast op zijn perceel. Daartoe wijst hij er op dat zijn woning is gebouwd op veen en 1,5 m lager ligt dan de omliggende bebouwing.

6.1. Blijkens de verbeelding is aan het perceel aan de rand van het Dobbepark de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" toegekend. Uit de plantoelichting volgt dat het gemeentebestuur van Zoetermeer in het kader van de verplichte watertoets overleg heeft gevoerd met het Hoogheemraadschap van Rijnland over de ontwikkelingen van de Culturele As. Voorts volgt uit de plantoelichting dat het conceptontwerpplan in het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro aan het Hoogheemraadschap van Rijnland is toegezonden. Bij brieven van 20 januari 2012 en 16 oktober 2012 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland een positief wateradvies verstrekt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro.

Wat betreft de vrees van [appellant] voor schade van de werkzaamheden gedurende de realisering van het woongebouw aan de rand van het Dobbepark, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten zijn in deze procedure niet aan de orde.

7. [appellant] stelt dat het plan niet voorziet in voldoende ruimte voor de benodigde parkeerplaatsen voor het nieuwe woongebouw op het perceel aan de rand van het Dobbepark te Zoetermeer. Daartoe voert hij aan dat overeenkomstig de gemeentelijke Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels van 2012 een parkeernorm van 1,6 tot 1,8 parkeerplaats per appartement geldt en de raad is uitgegaan van een parkeernorm van 1,4 parkeerplaats per appartement. Tevens wijst hij op het hoogteverschil tussen zijn perceel en het naburige perceel aan de rand van het Dobbepark waarop het nieuwe woongebouw is voorzien. In dit verband voert [appellant] aan dat in het nieuwe woongebouw geen 15 appartementen met een minimale bruto vloeroppervlakte van 125 m2 kunnen worden gerealiseerd.

7.1. Uit de plantoelichting volgt dat de raad voor het berekenen van de parkeerbehoefte de gemeentelijke Beleidsnota Parkeren van juni 2005 heeft gehanteerd nu in de gemeentelijke Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels van 2012 een overgangsregeling is opgenomen voor bestaande bouwontwikkelingen, die inhoudt dat deze nota niet van toepassing is op een stedenbouwkundig plan die voor de publicatiedatum van deze nota bestuurlijk is vastgesteld en waarin is bepaald dat op de realisering daarvan de Beleidsnota Parkeren van 2005 van toepassing is. In de Beleidsnota Parkeren van 2005 is voor koopappartementen (3, 4 kamers) een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per appartement opgenomen. Uit het Parkeeronderzoek Dorpsstraat Zoetermeer en omgeving van 20 oktober 2011 volgt dat voor het nieuwe woongebouw aan de rand van het Dobbepark is uitgegaan van een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per appartement. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd leidt naar het oordeel van de Afdeling niet tot de conclusie dat de raad in strijd met zijn beleid een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per appartement heeft aangehouden. Blijkens de verbeelding kunnen ter plaatse van de bestemming "Wonen" op het perceel aan de rand van het Dobbepark te Zoetermeer maximaal 15 wooneenheden worden gerealiseerd. In artikel 16 van de planregels is geen minimale bruto vloeroppervlakte voor wooneenheden opgenomen. Met hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse niet maximaal 15 appartementen kunnen worden gerealiseerd. Volgens het Parkeeronderzoek Dorpsstraat Zoetermeer en omgeving van 20 oktober 2011 zijn gelet op de parkeernorm voor deze 15 appartementen 20 parkeerplaatsen nodig. Uitgangspunt is dat een nieuwe ontwikkeling zoveel mogelijk op eigen terrein de benodigde parkeerplaatsen realiseert. Gelet op het aantal berekende parkeerplaatsen en de gronden naast het woongebouw met de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied" die zijn bestemd voor parkeervoorzieningen, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse onvoldoende ruimte aanwezig is voor de realisering van de parkeerplaatsen.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

625.