Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201302649/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ1945, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het college aan [wederpartij] mededeling gedaan over zijn recht op uitbetaling van subsidie collectief agrarisch natuurbeheer voor het jaar 2010, die hem op grond van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland (hierna: SNL) is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302649/1/A2.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 7 februari 2013 in zaak nr. 12/4192 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2011 heeft het college aan [wederpartij] mededeling gedaan over zijn recht op uitbetaling van subsidie collectief agrarisch natuurbeheer voor het jaar 2010, die hem op grond van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland (hierna: SNL) is verleend.

Bij besluit van 11 november 2011 heeft het college het besluit van 17 juni 2011 herzien, het subsidiebedrag voor collectief agrarisch natuurbeheer voor het jaar 2010 naar beneden bijgesteld en de teveel uitbetaalde subsidie teruggevorderd.

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover van belang, gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 februari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 augustus 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Daniels, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het ministerie van Economische Zaken, en [wederpartij], bijgestaan door J.A. Rietveld, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1975/2006 van de Commissie van 7 december 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (hierna: Verordening EG/1975/2006), zoals die hier van toepassing is, kunnen steun- en betalingsaanvragen te allen tijde na de indiening ervan worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit als zodanig wordt erkend.

Ingevolge artikel 4.1.1.3, eerste lid, van de SNL kan een subsidie agrarisch natuurbeheer worden verstrekt aan een landbouwer die de landbouwgrond waarvoor subsidie wordt aangevraagd bij aanvang van de subsidie beheert krachtens een zakelijk recht of een persoonlijk recht, en voorts gedurende de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie wordt verleend ten minste op de peildatum van ieder beheerjaar die landbouwgrond beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.

Ingevolge artikel 7.3, tweede lid, kan een ontvanger van subsidie, als hij van een subsidie agrarisch beheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, het beheer overdraagt aan een derde, tezamen met die derde een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of gedeeltelijke overname door die derde van de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.

Ingevolge het vierde lid wordt een aanvraag als bedoeld in het tweede lid uiterlijk op de peildatum van het betreffende beheerjaar respectievelijk kalenderjaar gedaan.

2. Bij besluit van 2 maart 2010 heeft het college, beslissend op diens aanvraag van 23 december 2009, aan [wederpartij] subsidie verleend voor collectief agrarisch natuurbeheer in de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Daarin is vermeld dat het subsidiebedrag jaarlijks wordt bepaald, dat de subsidieontvanger jaarlijks zelf via de Gecombineerde Opgave om uitbetaling daarvan moet vragen en dat de subsidie wordt uitbetaald aan degene die op de peildatum (15 mei) van het beheerjaar het gebruiksrecht heeft over de beheereenheid.

3. Op 6 mei 2010 heeft [wederpartij] de Gecombineerde Opgave 2010 elektronisch ingediend. Bij brief van 3 november 2010 is namens [belanghebbende] aan het college verzocht om de SNL-subsidie, die op 18 januari 2010 voor hem was aangevraagd, voor de beheereenheden op de percelen die hij aan [wederpartij] in gebruik heeft gegeven aan [wederpartij] over te dragen. [belanghebbende] had daarvoor al een betaalverzoek ingediend. Bij het besluit van 17 juni 2011, zoals herzien bij het besluit van 11 november 2011, heeft het college, naar aanleiding van het in de Gecombineerde Opgave 2010 vervatte betaalverzoek, de subsidie voor [wederpartij] voor het jaar 2010 vastgesteld, maar daarbij de beheereenheden gelegen op de door [belanghebbende] overgedragen percelen buiten beschouwing gelaten. Bij het besluit van 8 augustus 2012 heeft het college het bezwaar tegen dat besluit in zoverre ongegrond verklaard en daaraan ten grondslag gelegd dat, indien [wederpartij] als beheerder van die eenheden subsidie uitbetaald wenste te krijgen, hij een betaalverzoek voor die beheereenheden had moeten indienen, maar dat niet heeft gedaan.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet opnemen in het betaalverzoek van [wederpartij] van de beheereenheden die zijn gelegen op de percelen van [belanghebbende] die hij in gebruik heeft, moet worden aangemerkt als een kennelijke fout in de zin van artikel 4, derde lid, van Verordening EG/1975/2006 die had kunnen worden hersteld.

4.1. [wederpartij] was beheerder en had het gebruiksrecht van percelen van [belanghebbende]. [wederpartij] diende ingevolge artikel 4.1.1.6 van de SNL als beheerder uiterlijk op 15 mei 2010 door middel van de Gecombineerde Opgave 2010 voor het beheerjaar 2010 voor de beheereenheden waarvoor hij op grond van die subsidieregeling uitbetaling wenste, een betaalverzoek bij het college in te dienen. Zoals in hoger beroep niet meer is bestreden, heeft [wederpartij] in de Gecombineerde Opgave 2010 geen betaalverzoek gedaan voor de beheereenheden die zijn gelegen op de bij hem in gebruik zijnde percelen van [belanghebbende]. Dat [belanghebbende] de SNL-subsidie bij brief van 3 november 2010 buiten de in de Verordening gestelde termijn aan [wederpartij] heeft overgedragen, betekent niet dat zijn tijdig ingediende betaalverzoek voor het beheerjaar 2010 voor die beheereenheden, waarop het college separaat - en afwijzend - heeft beslist, eveneens aan [wederpartij] is overgedragen en tot zijn betaalverzoek is gaan behoren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 april 2013 in zaak nr. 201206627/1/A2), kan een kennelijke fout als bedoeld in artikel 4, derde lid, van Verordening EG/1975/2006 zich eerst voordoen als een betaalverzoek is ingediend. Nu [wederpartij] voor de desbetreffende beheereenheden geen betaalverzoek heeft gedaan, komt de Afdeling niet toe aan de vraag of er een dergelijke kennelijke fout is gemaakt.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 8 augustus 2012 van het college, gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen, alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 7 februari 2013 in zaak nr. 12/4192;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

18-705.