Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201304692/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:3624, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft de burgemeester [appellant] voor de duur van 21 januari 2011 tot 24 maart 2011 een gebiedsverbod opgelegd voor de Gelkingestraat en omgeving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2014/120

Uitspraak

201304692/1/A3.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 april 2013 in zaak nr. 13/320 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2011 heeft de burgemeester [appellant] voor de duur van 21 januari 2011 tot 24 maart 2011 een gebiedsverbod opgelegd voor de Gelkingestraat en omgeving.

Bij besluit van 19 november 2012 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2014, waar [appellant] en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. I. Simonides, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard omdat hij bij een uitspraak op dat beroep geen belang meer had. Het resultaat dat [appellant] met de procedure nastreeft kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bereikt. Daartoe heeft zij overwogen dat de vorderingen van [appellant] niet zien op de burgemeester maar op Wonen Boven Winkels Groningen N.V. (hierna: WBW), WBW geen partij is in de procedure en de vorderingen van [appellant] op WBW derhalve niet in deze procedure kunnen worden toegewezen. De rechtbank heeft in dit kader voorts overwogen dat de gronden van het beroep en de vorderingen de grenzen van het bij de rechtbank bestreden besluit te buiten gaan. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat ten tijde van beroep het gebiedsverbod niet meer van kracht was.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Het betoog slaagt. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, hoewel het gebiedsverbod op 24 maart 2011 is geëindigd, [appellant] nog een rechtens te beschermen belang heeft bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit tot het opleggen van deze maatregel. Daartoe is redengevend dat dit gebiedsverbod, gelet op de gronden waarop het wordt opgelegd, een publiekelijke afwijzing van het gedrag van [appellant] impliceert en daarmee tot op zekere hoogte aannemelijk is dat [appellant] als gevolg van het hem opgelegde gebiedsverbod in zijn eer en goede naam is geschaad. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013 in zaak nr. 201203867/1/A3.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 19 november 2012 ingestelde beroep beoordelen.

5. [appellant] huurde vanaf 22 april 2004 het pand aan de [locatie] te Groningen (hierna: het pand), alwaar hij een kapperszaak dreef. Op 1 maart 2005 heeft WBW het pand in eigendom verkregen en is zij de verhuurster van [appellant] geworden. Naar aanleiding van een door WBW geïnitieerde renovatie van het pand in 2006, waarbij het pand tezamen met een naastgelegen pand in een aantal appartementen is gesplitst, ontstond een huurconflict tussen [appellant] en WBW. Bij vonnis van 12 april 2007 heeft de kantonrechter te Groningen op vordering van WBW de huurovereenkomst tussen haar en [appellant] ontbonden. Bij uitspraak van 21 juli 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen op verzoek van WBW ontruiming van het pand gelast, welke uitspraak het gerechtshof Leeuwarden bij arrest van 21 september 2010 heeft bekrachtigd. [appellant] is in de avond van 23 september 2010 met inzet van de politie uit het pand verwijderd. Op 24 september 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen op verzoek van WBW [appellant] een straatverbod voor onder meer de Gelkingestraat opgelegd.

6. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 januari 2011 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat met de aanwezigheid van [appellant] in de Gelkingestraat een risico voor de openbare orde bestaat. Daartoe heeft hij overwogen dat [appellant] veel onrust in de Gelkingestraat, bij bewoners van het pand en bij medewerkers van wooncorporatie Lefier heeft veroorzaakt door het pand met verf te besmeuren en ter plekke een tekst op het trottoir aan te brengen. De burgemeester heeft daarbij in aanmerking genomen dat het [appellant] reeds op grond van een civielrechtelijke uitspraak verboden was om zich in de Gelkingestraat te begeven en dat hij zich desondanks aldaar bevond.

7. Het beroepschrift bevat een uitvoerige beschrijving van het conflict tussen [appellant], de gemeente Groningen en WBW over het pand. [appellant] vordert in het beroepschrift gebruik van het pand, dat hij na de onder 5. beschreven civiele procedures heeft moeten verlaten. [appellant] stelt zich in zijn beroepschrift voorts op het standpunt dat dit onterecht was en hij hierdoor schade heeft geleden, welke volgens [appellant] door WBW vergoed dient te worden. De Afdeling stelt vast dat het beroepschrift van [appellant] in zoverre geen gronden bevat gericht tegen het besluit van 19 november 2012. De enkele stelling van [appellant] dat hij nooit iemand heeft bedreigd is voorts onvoldoende voor het oordeel dat de burgemeester ten onrechte een gebiedsverbod heeft opgelegd. Voor zover [appellant] ter zitting nader heeft toegelicht dat de burgemeester in deze met WBW heeft samengespannen en hem om die reden het gebiedsverbod heeft opgelegd, wordt overwogen dat, gelet op hetgeen is beschreven onder 6., de burgemeester zijn besluit tot het opleggen van een gebiedsverbod heeft gebaseerd op concrete feiten en omstandigheden waarvan de juistheid door [appellant] niet gemotiveerd is betwist. De burgemeester heeft op basis hiervan een zelfstandige afweging gemaakt. Dat het gebiedsverbod een zelfde tijdstuur heeft en op hetzelfde gebied ziet als het civielrechtelijke gebiedsverbod leidt niet tot de conclusie dat de burgemeester op enige wijze met WBW tegen [appellant] heeft samengespannen. De burgemeester heeft aannemelijk gemaakt dat hiervoor is gekozen met het oog op het voorkomen van verwarring bij [appellant].

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

10. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat het door [appellant] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 april 2013 in zaak nr. 13/320;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Langeveld-Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

317-797.