Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1519

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201303784/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:2606, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college [appellante] gelast om binnen zes weken op het perceel [locatie] te Ede (hierna: het perceel): I. de volière van 20 m x 70 m, de schuine kap op en het afdakje bij een bijgebouw naast de woning, twee tuinbergingen met een afmeting van 3 m x 2 m elk, en een tent met een afmeting van 4 m x 8 m op het perceel te slopen; II. het deel van de terreinverharding dat buiten het bouwvlak ligt te verwijderen; III. het gebruik van het buitenterrein van het perceel voor opslag van niet-agrarische producten te beëindigen en beëindigd te houden; IV: alle detailhandelsactiviteiten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden; een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag per overtreding, met een maximum van € 20.000,00 per overtreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6756

Uitspraak

201303784/1/A1.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Ede,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2013 in zaak nrs. 12/2120 en 13/455 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2011 heeft het college [appellante] gelast om binnen zes weken op het perceel [locatie] te Ede (hierna: het perceel):

I. de volière van 20 m x 70 m, de schuine kap op en het afdakje bij een bijgebouw naast de woning, twee tuinbergingen met een afmeting van 3 m x 2 m elk, en een tent met een afmeting van 4 m x 8 m op het perceel te slopen;

II. het deel van de terreinverharding dat buiten het bouwvlak ligt te verwijderen;

III. het gebruik van het buitenterrein van het perceel voor opslag van

niet-agrarische producten te beëindigen en beëindigd te houden;

IV: alle detailhandelsactiviteiten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden;

een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per dag per overtreding, met een maximum van € 20.000,00 per overtreding.

Bij besluit van 30 maart 2012 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 17 november 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten, met dient verstande dat de formulering van last IV is gewijzigd in "alle detailhandelsactiviteiten, met uitzondering van bedrijfsmatige verkoop van klein- en pluimvee op het perceel dat onder het overgangsrecht valt, te beëindigen en beëindigd te houden".

Bij besluit van 4 juni 2012 heeft het college het besluit van 30 maart 2012 gewijzigd, in die zin dat de termijn, waarbinnen aan de last moet zijn voldaan, is verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank op het daartegen ingestelde beroep, mits [appellante] voldoet aan de volgende voorwaarden:

1. Binnen een week na het besluit dient zij drie bouwwerken; te weten de partytent en twee metalen voormalige fietsenhokken die zij gebruikt voor opslag van handelsvoorraad te verwijderen en verwijderd te houden;

2. De verkoop van klein- en pluimvee blijft toegestaan binnen de voorwaarden zoals toegestaan bij de eerdere uitspraak van de Raad van State. Binnen een week na dit besluit dient zij alle overige detailhandelsactiviteiten te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 4 juni 2012 gewijzigd, in die zin dat voorwaarde 2 komt te luiden: "de verkoop van klein- en pluimvee, alsook zelfgemaakte hokken en zelfgeteelde planten en groenten, blijft toegestaan binnen de voorwaarden zoals toegestaan bij de uitspraak van de Raad van State van 10 december 2003". Het college heeft het besluit van 4 juni 2012 voor het overige in stand gelaten.

Op 31 januari 2013 heeft het college tot invordering van € 15.400,00 aan verbeurde dwangsommen besloten.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellante] tegen het besluit van 30 maart 2012 bij haar ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten, het tegen het besluit van 4 juni 2012 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, en het tegen het besluit van 5 februari 2013 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch ook de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college besloten de aan de last verbonden begunstigingstermijn niet te verlengen.

Op 3 juni 2013 heeft het college besloten tot invordering van € 12.600,00 aan verbeurde dwangsommen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B.H.M. Karens, advocaat te Ede, en het college, vertegenwoordigd door S. Kruszynski, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

2. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Agrarisch Buitengebied Ede" de bestemming "Wonen" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van wonen- agrarische nevenactiviteit".

Ingevolge artikel 15.1, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften zijn deze gronden bestemd voor wonen en zijn tevens agrarische nevenactiviteiten toegestaan.

Ingevolge artikel 15.7.1, aanhef en onder d, is het verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag paden en wegen, parkeerplaatsen en/of andere oppervlakteverharding aan te leggen en/of te verharden.

Ingevolge artikel 1 wordt onder "agrarische nevenactiviteit" verstaan: een kleinschalige agrarische activiteit bij een woning gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, waaronder begrepen bomen en heesters, en/of het houden van dieren, waarbij opslag van ter plaatse voortgebrachte producten is toegestaan.

Onder "detailhandel" wordt verstaan: het te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Onder "hulpgebouw" wordt verstaan: een gebouw, behorende bij een bedrijf, dat met het oog op een verantwoorde bedrijfsvoering niet binnen het bouwvlak gerealiseerd kan worden, dat zowel qua afmeting als in functioneel opzicht ondergeschikt is aan het (agrarisch) gebruik, en waarbij geen sprake is van permanente stalling van dieren.

Algemeen

3. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college een verweerschrift heeft ingediend, is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Reeds omdat dit betoog het procesverloop van de aangevallen uitspraak betreft en geen dragende overweging voor de beslissing van de rechtbank, kan dit betoog niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden. Daartoe betoogt zij dat de controleambtenaar niet bevoegd was, nu die niet overeenkomstig artikel 5.10, derde lid, van de Wabo is aangewezen, omdat geen aanwijzingsbesluit is gepubliceerd.

4.1. Ingevolge artikel 5.10, derde lid, van de Wabo, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens de betrokken wet bepaalde binnen hun ambtsgebied eveneens belast de bij besluit van gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders of andere met de uitvoering van de betrokken wet belaste bestuursorganen aangewezen ambtenaren.

4.2. Blijkens de stukken heeft het college bij brief van 30 november 2010 de betrokken controleambtenaar, H. Loermans, aangewezen als toezichthouder in de zin van artikel 5.10, derde lid, van de Wabo. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat Loermans niet tot het uitvoeren van controles op het perceel bevoegd was. Anders dan [appellante] betoogt, is het publiceren van het aanwijzingsbesluit op grond van artikel 5.10 van de Wabo niet vereist om de daarin toegekende bevoegdheid te mogen uitoefenen.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van last I

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de volière, nu die is aan te merken als een ter plaatse toegestaan "hulpgebouw" als bedoeld in artikel 1 van de planvoorschriften. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat in de volière permanent eenden worden gestald en dat niet is gebleken dat de dieren niet elders kunnen worden gestald.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de volière geen toegestaan hulpgebouw is in de zin van de planvoorschriften. Vast staat dat door de betrokken toezichthouder is geconstateerd dat in de volière eenden en ganzen worden gestald, hetgeen tevens blijkt uit fotomateriaal. [appellante] heeft te kennen gegeven dat de volière noodzakelijk is voor het houden van (water)vogels op het perceel. In de door haar gestelde omstandigheid dat de vogels niet jaarrond in de volière aanwezig zijn, maar dat die worden verkocht, waarna nieuwe vogels worden geplaatst, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat zij de volière niet gebruikt voor het permanent stallen van dieren. Nu [appellante] niet beschikt over de voor de volière vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, was het college bevoegd om daartegen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van last II

6. Niet in geschil is dat de terreinverharding op het perceel is aangelegd in 2008 en dat [appellante] niet beschikt over de daarvoor vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo, zodat het college bevoegd was om daartegen handhavend op te treden.

7. [appellante] heeft haar stelling dat een wethouder van de gemeente heeft toegezegd dat ten aanzien van de terreinverharding niet handhavend zal worden opgetreden, niet nader onderbouwd. De rechtbank heeft hierin terecht geen grond gezien voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden waren, waarin het college aanleiding had moeten zien om van handhavend optreden af te zien.

Voor het oordeel dat er ten tijde van het besluit van 30 maart 2012 concreet zicht bestond op legalisatie van de overtreding, bestaat evenmin grond. Niet in geschil is dat er op dat moment geen legaliserend ontwerpbestemmingsplan ter inzage lag. Dat voor een gedeelte van de terreinverharding inmiddels een omgevingsvergunning is verleend, doet er niet aan af dat het college ten tijde van het besluit van 30 maart 2012 bevoegd was om daartegen handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van last III

8. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de buitenopslag uitsluitend het gevolg is van de door het college geëiste sloop van twee tuinbergingen, een overkapping en een partytent. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college in die bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om van handhavend optreden af te zien. Bovendien zal volgens [appellante] binnen afzienbare tijd een omgevingsvergunning worden verleend om ter plaatse bedrijfsbebouwing op te richten, zodat het college ook om die reden had dienen af te zien van handhavend optreden.

8.1. Vaststaat dat het college aan [belanghebbende] bij besluit van 2 maart 2005 vrijstelling heeft verleend van het toen geldende bestemmingsplan voor het opslaan van marktbenodigdheden in een gedeelte van de op het perceel aanwezige gebouwen. Die vrijstelling zag aldus alleen op opslag in gebouwen en niet op buitenopslag. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de op het perceel geconstateerde buitenopslag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat [appellante] niet beschikt over de daarvoor vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat het college in de omstandigheid dat de buitenopslag deels is veroorzaakt door het slopen van de voormelde bouwwerken geen aanleiding heeft hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat [appellante] er vóór de sloop van de bouwwerken van op de hoogte was dat buitenopslag niet was toegestaan en dat zij heeft nagelaten om elders vervangende opslagruimte te zoeken. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat er concreet zicht was op legalisatie van de overtreding. Ten tijde van het nemen van het besluit van 30 maart 2012 lag geen legaliserend ontwerpbestemmingsplan ter inzage. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen concreet zicht bestond op legalisatie van de overtreding.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bevoegd was om ten aanzien van de buitenopslag op het perceel handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

Ten aanzien van last IV

9. [appellante] betoogt dat de rechtbank het overgangsrecht en de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 (in zaak nr. 200303474/1; www.raadvanstate.nl) te beperkt heeft uitgelegd, nu de rechtbank de handel in "zelf vervaardigde goederen" ten onrechte heeft beperkt tot "zelfgemaakte hokken". De rechtbank heeft niet onderkend dat de opgelegde last IV onjuist is geformuleerd, aldus [appellante]. Verder betoogt zij dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de vermeende detailhandelsactiviteiten, buiten hetgeen is toegestaan op grond van het overgangsrecht. Uit de controlerapporten van het college blijkt volgens [appellante] niet dat detailhandel plaatsvindt van producten die niet zelf vervaardigd zijn.

9.1. Het college heeft aan het besluit van 30 maart 2012 onder meer ten grondslag gelegd dat de detailhandelsactiviteiten die op het perceel plaatsvinden in strijd zijn met het bestemmingsplan, met uitzondering van de detailhandelsactiviteiten die onder de werking van het overgangsrecht vallen.

De aan [appellante] opgelegde last IV, zoals gewijzigd bij de besluiten van 4 juni 2012 en 5 februari 2013, houdt in de detailhandelsactiviteiten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden, met uitzondering van de verkoop van klein- en pluimvee alsook zelfgemaakte hokken en zelf geteelde planten en groenten, binnen de voorwaarden, zoals toegestaan bij de uitspraak van de Raad van State van 10 december 2003, in zaak nr. 200303474/1 (www.raadvanstate.nl).

9.2. Met betrekking tot het betoog van [appellante] over de formulering van last IV en de reikwijdte van het overgangsrecht, overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht geen grond heeft gezien voor het oordeel dat de aan [appellante] opgelegde last IV onjuist is geformuleerd, omdat daarin het overgangsrecht te beperkt is uitgelegd. In de vermelde uitspraak van 10 december 2003 heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank, in de in die procedure aangevallen uitspraak, heeft geoordeeld dat op de van belang zijnde peildatum, te weten 8 februari 1995, op het perceel slechts sprake was van een beperkte handel in klein- en pluimvee, zelfgemaakte hokken en zelf geteelde planten en groenten, zodat alleen die activiteiten zijn komen te vallen onder de werking van het overgangsrecht. De Afdeling heeft overwogen dat dit oordeel van de rechtbank door de desbetreffende appellant, [belanghebbende], wordt betwist, maar heeft in het door hem aangevoerde geen grond gezien om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Dat in de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2003 voor de toegestane detailhandelsactiviteiten tevens de formulering "klein- en pluimvee en zelf vervaardigde artikelen" wordt gebruikt, biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het overgangsrecht een ruimere strekking heeft dan de door de Afdeling vastgestelde "beperkte handel in klein- en pluimvee, zelfgemaakte hokken en zelf geteelde planten en groenten". [appellante] heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt dat detailhandel op het perceel plaatsvindt in andere zelf vervaardigde goederen, dan de goederen die onder het overgangsrecht vallen.

De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de aan [appellante] opgelegde last IV, zoals gewijzigd bij de besluiten van 4 juni 2012 en 5 februari 2013, onjuist is geformuleerd.

9.3. De rechtbank heeft evenwel ten onrechte geconcludeerd dat het college bevoegd was om handhavend op te treden, omdat op het perceel detailhandel plaatsvindt die in strijd is met het bestemmingsplan en die niet onder de werking van het overgangsrecht valt.

Gelet op de formulering van de opgelegde last IV, zoals gewijzigd bij de besluiten van 4 juni 2012 en 5 februari 2013, diende het college na te gaan of artikelen vanaf het perceel werden verkocht, die niet onder de werking van het overgangsrecht vallen. Het college heeft aan de last ten grondslag gelegd dat uit de rapporten die zijn opgemaakt van op het perceel uitgevoerde controles op 6 juli 2012 en 30 november 2012 en uit de daarbij gevoegde foto’s blijkt dat op het perceel niet toegestane detailhandel plaatsvindt, nu op het perceel diverse artikelen aanwezig zijn die niet zelf gemaakt of zelf geteeld zijn.

Blijkens de stukken is de echtgenoot van [appellante] marktkoopman en tussen partijen is niet in geschil dat hij het perceel voor het stallen van handelswaar gebruikt. Het college heeft volstaan met te verwijzen naar de bevindingen van de toezichthouder en de bijgevoegde foto’s. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college daarmee in dit geval onvoldoende aannemelijk gemaakt dat op het perceel detailhandel plaatsvindt die niet onder het overgangsrecht valt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de enkele uitstalling van goederen op het perceel als hier aan de orde niet zonder meer te koop aanbieden of ten verkoop uitstallen inhoudt, zodat dit onvoldoende is om niet toegestane detailhandel aan te nemen. De omstandigheden dat, zoals het college heeft toegelicht, een prijslijst voor dierenvoer op het perceel is aangetroffen en dat is geconstateerd dat met een bakker oud brood werd geruild voor appels, zijn eveneens onvoldoende om dit aan te nemen. Wat betreft de aangetroffen prijslijst voor dierenvoer staat niet zonder meer vast dat deze dient voor gebruik op het perceel in plaats van op een markt.

De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande niet onderkend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de vermeende detailhandelsactiviteiten op het perceel, die niet vallen onder de werking van het overgangsrecht. De rechtbank heeft gelet hierop ten onrechte overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] in strijd heeft gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Aan hetgeen [appellante] voor het overige betoogt, onder meer over concreet zicht op legalisatie van de overtreding, behoeft gelet op het vorenstaande niet te worden toegekomen.

Het betoog slaagt.

Invordering

10. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslist het bestuursorgaan, alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom, bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

10.1. [appellante] betoogt met juistheid dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het invorderingsbesluit van het college van 31 januari 2013 geen onderdeel uitmaakt van het geschil, omdat zij dit besluit niet heeft betwist. Vast staat dat [appellante] voorafgaand aan de uitspraak van de rechtbank tegen dat besluit bezwaar heeft gemaakt en dat dit bezwaar aan de rechtbank is toegezonden. Nu ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist, heeft de rechtbank het besluit van 31 januari 2013 ten onrechte niet bij de beoordeling van het geschil betrokken. Dit leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, gelet op het navolgende.

Het college heeft ter zitting te kennen gegeven dat het afziet van de invordering van € 15.400,00 aan door [appellante] verbeurde dwangsommen. Daarop heeft [appellante] aangegeven dat zij geen inhoudelijk oordeel van de Afdeling meer verlangt over het besluit van 31 januari 2013.

11. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen de besluiten van het college van 30 maart 2012, 4 juni 2012 en 5 februari 2013, gegrond verklaren. Die besluiten komen voor vernietiging in aanmerking, voor zover ze last IV betreffen en voor zover het college daarbij [appellante] heeft opgedragen om de vermeende detailhandelsactiviteiten op het perceel die niet onder het overgangsrecht vallen, te beëindigen. De Afdeling ziet tevens aanleiding het besluit van 17 november 2011 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te herroepen, voor zover het last IV betreft, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

12. Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college besloten de aan de lasten verbonden begunstigingstermijn niet te verlengen. Voorts heeft het college bij besluit van 3 juni 2013 besloten tot invordering van verbeurde dwangsommen over te gaan ten bedrage van € 12.600,00.

Deze besluiten dienen ingevolge artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

13. [appellante] betoogt dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de aan de lasten verbonden begunstigingstermijn niet te verlengen. Voorts heeft het college niet in redelijkheid kunnen besluiten tot invordering van door haar verbeurde dwangsommen. Daartoe voert zij aan dat zij er op mocht vertrouwen dat de begunstigingstermijn zou worden verlengd totdat op haar verzoek om herziening van het bestemmingsplan is beslist, omdat de behandeld ambtenaar dit telefonisch heeft toegezegd.

13.1. Bij het besluit van 23 april 2013 heeft het college geweigerd de aan de lasten I, II, III en IV verbonden begunstigingstermijn te verlengen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen, komt aan het besluit van 23 april 2013, voor zover het college daarbij heeft geweigerd de begunstigingstermijn van last IV te verlengen, geen betekenis meer toe.

Voorts heeft het college aan het invorderingsbesluit van 3 juni 2013 ten grondslag gelegd dat op 30 mei 2013 is geconstateerd dat niet aan de opgelegde lasten I, II en III is voldaan, omdat de volière en de terreinverharding niet zijn verwijderd en de buitenopslag van goederen niet is beëindigd. Volgens het college heeft [appellante] dientengevolge dwangsommen verbeurd ten bedrage van € 12.600,00.

13.2. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan zij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college de begunstigingstermijn zou verlengen. De omstandigheid dat zij met de betrokken ambtenaar, de heer S. Kruszynski, telefonisch overleg heeft gevoerd over de mogelijkheid om de begunstigingstermijn, onder voorwaarden, te verlengen, is daarvoor onvoldoende. De bevoegdheid om de begunstigingstermijn te verlengen berust bij het college en niet gebleken is dat de genoemde ambtenaar zijn mededelingen, wat daarvan ook zij, namens het college heeft gedaan. Dat in een eerdere fase van de procedure eveneens telefonisch contact tussen [appellante] en de betrokken ambtenaar heeft plaatsgevonden, waarna het college wel een schriftelijk besluit tot het verlengen van de begunstigingstermijn heeft genomen, leidt niet tot een ander oordeel. In hetgeen [appellante] betoogt, is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college het besluit van 23 april 2013 in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft genomen.

Voorts zijn er geen omstandigheden aanwezig als gevolg waarvan het college niet tot invordering van de verbeurde dwangsommen heeft kunnen overgaan, nu door [appellante] niet is betwist dat niet aan de opgelegde lasten I, II en III was voldaan. In de omstandigheid dat een gedeelte van de terreinverharding inmiddels is verwijderd, zodat gedeeltelijk aan last II gevolg is gegeven, heeft het college terecht geen bijzondere omstandigheid gezien, op grond waarvan het in zoverre van invordering had dienen af te zien.

De betogen falen.

14. Het beroep van [appellante] tegen de besluiten van het college van 23 april 2013 en 3 juni 2013 is ongegrond.

15. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2013 in zaken nrs. 12/2120 en 13/455, voor zover aangevallen;

III. verklaart het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 30 maart 2012, 4 juni 2012 en 5 februari 2013, voor zover ze last IV betreffen en voor zover het college daarbij [appellante] heeft opgedragen om de vermeende detailhandelsactiviteiten op het perceel, die niet onder het overgangsrecht vallen, te beëindigen;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 17 november 2011, voor zover het last IV betreft;

VI. verklaart het beroep van [appellante] tegen de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 23 april 2013 en 3 juni 2013 ongegrond;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ede tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.390,00 (zegge: tweeduizenddriehonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

651.