Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1517

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201304365/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Medevoort Zuid" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304365/1/R3.

Datum uitspraak: 30 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellante sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Helmond,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Helmond,

3. [appellant sub 3], wonend te Helmond,

4. [appellante sub 4], gevestigd te Helmond,

5. [appellant sub 5 A] en [appellante sub 5 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), beiden wonend te [woonplaats], gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

6. [appellant sub 6 A] en [appellante sub 6 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 6]), beiden wonend te Helmond,

en

de raad van de gemeente Helmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Medevoort Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

[appellanten sub 2] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2014, waar [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.C.W. van Eekeren, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door ir. W.A.J.M. van Deurzen en H.A.J.M. van Deurzen, [appellant sub 6], en de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus en F. Dijker, beiden werkzaam voor de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader en planomschrijving

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Medevoort en aan de zuidzijde door de spoorlijn Helmond - Eindhoven. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Brandevoortse Dreef en aan de oostzijde door de zuidelijke tak van de Burgemeester Krollaan. In het zuiden van het plangebied wordt voorzien in de aanleg van een fietspad over een afstand van 970 meter. Dit fietspad zal volgens de plantoelichting onderdeel zijn van een 13 km lange fietsverbinding tussen het centrum van Eindhoven en Helmond.

3. Ter zitting hebben [appellant sub 2 B] en [appellant sub 2 A] het betoog dat het plan in een onwijzigbaar PDF-formaat had moeten worden vastgesteld, ingetrokken. Verder heeft [appellante sub 4] de grond dat onduidelijk is of de planregeling voor nevenactiviteiten op zijn perceel in overeenstemming is met het bestemmingsplan "Buitengebied Helmond" en dat deze planregeling onduidelijk is, ingetrokken.

Ontvankelijkheid

4. [appellanten sub 2] richten zich onder meer tegen het plandeel met de bestemming "Sport" die is toegekend aan de gronden in het zuidwesten van het plangebied.

4.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan een belanghebbende beroep bij de Afdeling beroep instellen tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2. [appellanten sub 2] wonen op minstens 234 m van het plandeel met de bestemming "Sport". Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door hen bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellanten sub 2] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellanten sub 2] in zoverre geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, daartegen geen beroep kunnen instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Algemene bezwaren

5. [appellanten sub 2] voeren aan dat zij niet tijdig op de hoogte zijn gebracht van de terinzagelegging van het voorontwerp van het plan.

5.1. Er bestaat geen wettelijke verplichting om een voorontwerp van een bestemmingsplan ter inzage te leggen dan wel belanghebbenden hiervan persoonlijk op de hoogte te brengen. Dit betoog faalt.

6. [appellanten sub 2] voeren aan dat het elektronisch vastgestelde plan hetzelfde nummer heeft als het ontwerp van het plan en dat dezelfde verbeelding als die bij het ontwerp van het bestemmingsplan behoort, is vastgesteld. Verder zijn volgens hen de kadastergrenzen niet aangepast aan de bestemmingsvlakken van de percelen [locatie 3] en [locatie 1], 15, [locatie 2] en 7 en 9.

6.1. Op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl staat het plan met het nummer NL.IMRO0794.2100BP110048-2000 als het vastgestelde plan. Dit nummer stemt overeen met het nummer dat is vermeld in het vaststellingsbesluit van 5 maart 2013. Het ontwerp van het plan heeft het nummer NL.IMRO0794.2100BP110048-1000. Het betoog dat het plan ten onrechte hetzelfde nummer heeft als het ontwerp mist derhalve feitelijke grondslag.

Verder heeft de raad verklaard dat de bestemmingsgrenzen zijn getrokken langs de kadastrale grenzen. [appellanten sub 2] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Het betoog faalt.

7. [appellanten sub 2] voeren aan dat de raad niet is ingegaan op een aantal door hen ingediende zienswijzen.

7.1. De raad heeft in de nota van zienswijzen de bezwaren van [appellanten sub 2] samengevat weergegeven. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft.

Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

8. [appellanten sub 2] voeren aan dat niet alle op het plan betrekking hebbende stukken op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn gepubliceerd. Zo ontbreken het Advies Veiligheidsregio, de reacties in het kader van het vooroverleg, het vleermuisonderzoek, en de schets van de aan te leggen houtwal bij het perceel van [appellant sub 1].

Het advies van de Veiligheidsregio, het vleermuisonderzoek en de schets van de aan te leggen houtwal zijn op www.ruimtelijkeplannen.nl als bijlage op de toelichting beschikbaar. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag. Over de reacties in het kader van het vooroverleg overweegt de Afdeling, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 14 juni 2006 in zaak nr. 200507806/1; www.raadvanstate.nl) dat de artikelen 3:11, eerste lid, van de Awb en 23, eerste lid, WRO (thans: artikel 3.8, eerste lid, van de Wro) er niet toe verplichten om bij de terinzagelegging van het ontwerpplan een inspraakreactie inzake het voorontwerp van het plan ter inzage te leggen. De reacties behoefden derhalve evenmin op www.ruimtelijkeplannen.nl te worden gepubliceerd. Het betoog faalt.

De bezwaren omtrent het aan te leggen fietspad

9. [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" die is toegekend aan een strook grond langs de spoorlijn.

[appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betogen dat met deze bestemming wordt voorzien in een fietspad langs het spoor en dat dit fietspad een onaanvaardbare aantasting met zich zal brengen van hun woongenot. Zij voeren aan dat een fietspad niet nodig is. Verder is onvoldoende onderzoek gedaan naar alternatieven voor het fietspad. Een fietspad langs de A270 zou volgens hen een snellere verbinding tussen Eindhoven en Helmond betekenen dan de fietsroute waarin het plan voorziet. Verder loopt langs de zuidzijde van het spoor reeds een rechte ononderbroken fietsroute zodat het niet nodig is aan de noordzijde een tweede fietspad aan te leggen. Ook zou de Medevoort zelf als onderdeel van de fietsroute kunnen dienen, aldus [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6].

[appellant sub 1] voert aan dat de raad voorbarig heeft gehandeld, nu hij eerst zekerheid had moeten hebben over de realisering van het fietspad in de andere betrokken gemeenten. Hij voert aan dat in de nota van zienswijzen ten onrechte is vermeld dat de gemeente Geldrop Mierlo, waarin een ander deel van de fietsroute zal komen te liggen, toestemming heeft gegeven voor de fietsverbinding. Verder voert hij aan dat langs het fietspad een hekwerk zal worden aangelegd. Volgens hem leidt dit tot een gebrek aan vluchtroutes bij sociaal onveilige situaties en indien zich een calamiteit met chloortransporten op het spoor voordoet. Verder voert [appellant sub 1] aan dat geen geluidswerende voorzieningen aan zijn woning zijn aangebracht en dat de bestaande bomenrij moet worden behouden.

[appellant sub 2 B] en [appellant sub 2 A] betogen dat het fietspad Eindhoven-Helmond nog helemaal niet bestaat en een deel daarvan nog niet kan worden worden aangelegd omdat er nog gronden moeten worden verworven en een aantal trajecten in nieuwe bestemmingsplannen moeten worden geregeld. Verder betogen zij dat geen onderzoek is gedaan naar de bodemverontreiniging onder het fietspad, dat het groepsrisico voor fietsers vanwege chloortransporten onvoldoende in beeld is gebracht en dat onduidelijk is waar het fietspad zal komen te liggen. Voorts zullen scholieren op het fietspad worden geconfronteerd met zelfmoordpogingen op het spoor.

[appellant sub 3] voert aan dat geen onderzoek is gedaan naar de veiligheid op het fietspad. Voorts vreest hij dat meer van zijn gronden onteigend moeten worden omdat niet duidelijk is waar het fietspad komt te liggen.

[appellant sub 6] voert aan dat de raad geen aandacht heeft besteed aan de geluidhinder die in zijn tuin zal worden veroorzaakt door bromfietsers. Verder heeft de raad volgens hem niet gemotiveerd waarom de fietsverbinding tussen Helmond en Eindhoven parallel zou moeten lopen aan het spoor terwijl op grote stukken wordt afgeweken van deze parallelle route. Voorts betoogt hij dat het fietspad geen vluchtroutes biedt in geval van een calamiteit op het spoor.

9.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de gekozen route de kortste en snelste fietsroute is tussen Helmond en Eindhoven. Daarmee is de route volgens hem aantrekkelijk voor woon-werkverkeer tussen Helmond en Eindhoven en kan hiermee de A270 in de spits worden ontlast. Het gekozen tracé sluit aan bij de reeds bestaande delen van het fietspad aan de noordzijde van het spoor. Hij wijst er verder op dat, om het traject veilig en snel af te kunnen leggen, het niet logisch is om het fietspad deels ten noorden en deels ten zuiden van het spoor aan te leggen. In dat geval zouden meer ongelijkvloerse kruisingen moeten worden aangelegd, hetgeen niet bijdraagt aan de uitgangspunten van het plan, en zouden meer gronden moeten worden onteigend. Voorts zal aan de noordzijde van het spoor een school en een kantorenpark worden gebouwd. Met een fietspad aan de noordzijde van het spoor zijn deze sneller en veiliger te bereiken. Met betrekking tot de vluchtroute heeft de raad gesteld dat het fietspad zelf en de aantakkingen daarop naar de Medevoort als vluchtroute kunnen dienen. Ten aanzien van de bomenrij heeft de raad gesteld dat een nieuwe houtwal zal worden aangelegd.

Over de aangedragen alternatieven heeft de raad gesteld dat nabij het plangebied, op de hoek van de Brandevoortse Dreef en De Marke een middelbare school wordt gebouwd. Voor scholieren is een route over de Medevoort minder veilig omdat dit een 50 km/uur weg is en geen gescheiden fietspad heeft. Deze weg wordt voorts in de spits veel gebruikt als sluiproute en is daarmee uit een oogpunt van veiligheid niet een gewenst alternatief. Bovendien zal het fietsverkeer aanzienlijk moeten omrijden als de fietsroute via de Medevoort en de Burgemeester Krollaan loopt. Over de hoeveelheid grond die zal moeten worden onteigend heeft de raad gesteld dat een smalle strook van 82,5 m2 benodigd is en dat dit geen onevenredige aantasting van het perceel van [appellant sub 3] met zich brengt.

9.2. Aan de door [appellant sub 1], [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] bedoelde strook grond langs het spoor is de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. De strook loopt langs de gehele, 923 m lange, zuidzijde van het plangebied en is voor het merendeel 6 m breed, met dien verstande dat de strook bij het perceel van [appellant sub 3] ongeveer 2 m breed is.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer- Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen en straten, pleinen, voet- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als de afwikkeling van het doorgaande verkeer en het bestemmingsverkeer;

b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, straatmeubilair en afvalverzamelvoorzieningen;

c. waterhuishoudkundige doeleinden, waterlopen, wateropvang- en infiltratievoorzieningen;

d. leidingen en openbare nutsvoorzieningen;

e. geluidwerende voorzieningen;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

9.3. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat een fietsverbinding langs de A270 gelet op de daar aanwezige luchtkwaliteit of langs de Medevoort, gezien de inrichting van die weg, minder aantrekkelijk is voor fietsverkeer dan de nu gekozen route. Ten aanzien van de stelling dat langs de zuidzijde van een deel van de spoorlijn reeds een fietspad ligt en de stelling dat elders de fietsroute niet parallel aan het spoor loopt, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat zoveel mogelijk (on)gelijkvloerse oversteekplaatsen van het spoor moeten worden vermeden ten einde van de gehele fietsroute een aantrekkelijk alternatief te maken en te houden voor autoverkeer tussen Helmond en Eindhoven. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat behoefte bestaat aan het fietspad omdat hiermee de A270 kan worden ontlast.

Over het betoog van [appellant sub 1] dat het fietspad zal zorgen voor een aantasting van zijn woongenot, overweegt de Afdeling dat wellicht enige aantasting van de privacy is te verwachten, maar dat gelet op de afstand van het fietspad tot de woning van 85 m, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voor een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 1] behoeft te worden gevreesd.

Een klein deel van de fietsroute Eindhoven-Helmond loopt door de gemeente Geldrop-Mierlo. Volgens de raad is de fietsverbinding een gezamenlijk project van vier gemeenten waaronder Geldrop-Mierlo. Ter zitting heeft de raad bevestigd dat de gemeente Geldrop-Mierlo wil meewerken aan de fietsroute. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gemeente Geldrop-Mierlo geen medewerking wil verlenen aan het aanleggen van het fietspad.

Over het hekwerk en de vluchtroutes overweegt de Afdeling als volgt. Het plaatsen van een hek is een kwestie van uitvoering van het plan. Een fietspad is voorts geen (beperkt) kwetsbaar object als bedoeld in het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het fietspad zelf, de aantakkingen daarop naar de Medevoort en de naastgelegen gronden als vluchtroute kunnen worden gebruikt indien zich op het spoor een calamiteit voordoet.

Dat geen geluidwerende voorzieningen zijn aangebracht aan de woning van [appellant sub 1] in het kader van de sanering van de geluidhinder vanwege het spoor kan in deze procedure niet aan de orde komen aangezien het spoor niet ligt in het plangebied. Verder is niet aannemelijk geworden dat met de verplaatsing van de houtwal de geluidbelasting vanwege het spoor zal toenemen ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] en dat om die reden de houtwal op dezelfde plek moet blijven staan.

Over het verwerven van de gronden overweegt de Afdeling dat [appellanten sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat de benodigde gronden niet verworven kunnen worden en dat daarom het plan niet uitvoerbaar zou zijn.

Ten aanzien van de bodemverontreiniging geldt dat de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In de plantoelichting is vermeld dat op enkele plaatsen binnen het plangebied de bodem licht verontreinigd is. Uit de plantoelichting blijkt niet dat de bodem onder het fietspad is onderzocht. Gezien de uitkomsten van de onderzoeken naar de bodemverontreiniging in de omgeving hoefde de raad evenwel niet een zodanige bodemverontreiniging te vermoeden dat de verwezenlijking van het plan op voorhand niet mogelijk is.

Voor het oordeel dat onduidelijk is waar het fietspad komt te liggen ziet de Afdeling geen aanleiding. Op de verbeelding is aangegeven welke gronden de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" hebben. Binnen die gronden kan het fietspad worden aangelegd. Indien voor de aanleg van het fietspad de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" over een groter deel van de gronden van [appellant sub 3] zal moeten worden gelegd, zal de raad dit planologisch moeten regelen. [appellant sub 3] kan daartegen rechtsmiddelen aanwenden.

Met betrekking tot de geluidoverlast van (brom)fietsers in de tuin van [appellant sub 6] overweegt de Afdeling dat weliswaar aannemelijk is dat enige geluidhinder in de tuin zal optreden, maar dat de raad in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze geluidhinder niet zo groot is dat het plan niet had kunnen worden vastgesteld zonder te voorzien in een geluidscherm.

Voor zover [appellanten sub 2] hebben betoogd dat fietsende scholieren niet geconfronteerd mogen worden met zelfmoordpogingen op het spoor overweegt de Afdeling dat deze omstandigheid geen betrekking heeft op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het fietspad en reeds om die reden niet kan slagen.

Gelet op het bovenstaande ziet de Afdeling in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het plandeel met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" heeft kunnen vaststellen voor de strook grond aan de zuidzijde van het plangebied.

10. [appellanten sub 2] betogen dat ten behoeve van de aanleg van het fietspad 100 bomen moeten worden gerooid en dat hiervoor een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld.

Het Besluit milieueffectrapportage verplicht niet tot het opstellen van een milieueffectrapport voor het aanleggen van een fietspad. Het betoog faalt.

De bezwaren ten aanzien van de aantakking op het fietspad

11. [appellanten sub 2] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in het doortrekken van de nu doodlopende weg tussen de percelen Medevoort 9 tot en met 15 en [locatie 3] naar het aan te leggen fietspad. Volgens hen wordt de weg nu voor privédoeleinden gebruikt en zal een aftakking leiden tot het gebruik door ander verkeer, zoals auto's en tractoren. Verder betogen zij dat het plan ten onrechte voorziet in een bouwhoogte van maximaal 5 m langs dit pad.

[appellante sub 4] betoogt dat ten behoeve van de aanleg van het fietspad het zandpad tussen het perceel van [appellante sub 4] en het naastgelegen perceel moet worden verhard. Hierdoor zal wateroverlast ontstaan. Verder vreest zij hinder voor haar vee vanwege de fietsers die over de zijstraat van de Medevoort naar het fietspad rijden.

11.1. De raad stelt dat het pad al een openbare weg is en dat de omstandigheid dat de weg thans doodlopend is en alleen wordt gebruikt door de aanwonende personen hieraan niet afdoet. Verder ligt het volgens hem niet in de lijn der verwachtingen dat de weg na een eventuele aansluiting op het fietspad zo intensief gebruikt zal gaan worden door (brom)fietsers dat dit onaanvaardbare hinder met zich zal brengen.

11.2. Aan de, thans nog doodlopende, zijstraat van de Medevoort is de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.2, aanhef en onder c, van de planregels bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor wegaanduiding, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, niet zijnde railverkeer, maximaal 5 m.

11.3. Het plan maakt het mogelijk dat de thans doodlopende zijstraat van de Medevoort zal worden aangesloten op het fietspad. Gemotoriseerd verkeer zal geen gebruik kunnen maken van dit fietspad zodat niet aannemelijk is dat meer gemotoriseerd verkeer van de zijstraat gebruik zal maken dan ten tijde van het vorige plan het geval was. De raad heeft voorts zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van fiets- en bromfietsverkeer geen onaanvaardbare geluidhinder is te verwachten. Ten aanzien van de verharding van de weg is in de plantoelichting vermeld dat het plangebied niet bovengemiddeld nat of droog is en dat er geen gebieden bekend zijn die potentieel risicovol zijn ten aanzien van structurele grondwateroverlast. Verder heeft het waterschap in haar advies van 10 mei 2012 geen opmerkingen gemaakt over de gevolgen van het verharden van de zijstraat. In hetgeen [appellante sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare wateroverlast met zich brengt. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" zowel aan de zijstraat van de Medevoort als aan de grond die nodig is voor de aantakking op het fietspad kon worden toegekend.

Over de bouwhoogte van 5 m langs de zijstraat, overweegt de Afdeling dat artikel 8, lid 8.2, aanhef en onder c ziet op bouwwerken voor de wegaanduiding en de regeling van het verkeer. In hetgeen van Mierlo en [appellant sub 2 B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat een maximale bouwhoogte voor dergelijke bouwwerken onredelijk hoog is. Het betoog faalt.

De bezwaren ten aanzien van het sportveld

12. [appellant sub 5] betoogt dat hij voor het sportveld alternatieven heeft aangedragen maar dat die nooit zijn onderzocht.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het aangedragen alternatief, namelijk het aanleggen van een sportveld ten noorden van de te bouwen school, niet reëel is aangezien deze gronden bestemd zijn voor woningbouw. [appellant sub 5] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het door [appellant sub 5] voorgestelde alternatief onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

De bezwaren ten aanzien van het perceel [locatie 1]

13. [appellante sub 4], die een kalverhouderij exploiteert op het perceel [locatie 1], betoogt dat het plan had moeten voorzien in een verplaatsing van zijn bedrijf. Zij voert aan dat in de omgeving diverse ontwikkelingen plaatsvinden die haar zullen beperken in haar bedrijfsvoering. Verder voert zij aan dat het plan voorziet in een nieuwe woonbestemming binnen de geurcontour van haar bedrijf. Volgens haar heeft de raad de gevolgen hiervan niet bij het vaststellen van het plan betrokken.

Verder is ten onrechte het bouwvlak op haar perceel verkleind. Zij wijst er in dit verband op dat in 1992 een bouwvergunning is verleend voor een berging achter de bestaande vleeskalverenstal, maar dat deze berging niet in het bouwvlak zoals dat in dit plan is opgenomen, past.

13.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestaande situatie als zodanig is bestemd. Hij wijst er op dat de intensieve veehouderij van [appellante sub 4] niet beperkt wordt in haar bedrijfsvoering omdat binnen de geurcirkel om het bedrijf geen nieuwe woningen mogelijk worden gemaakt en dat het bedrijf zowel in de oude situatie als in de nieuwe situatie geen mogelijkheden heeft tot uitbreiding. In dit verband stelt de raad dat de intensieve veehouderij in een zogeheten extensiveringsgebied ligt en daarom hoe dan ook niet mag uitbreiden. Omgekeerd staat het plan geen uitbreiding van geurgevoelige objecten toe, omdat deze anders binnen de geurcontour van het bedrijf komen. Verder heeft de raad gesteld dat de woning waarop [appellante sub 4] doelt al aanwezig was vóór 1968 en abusievelijk niet is opgenomen in het hiervoor geldende plan "Buitengebied 1997". Deze omissie is in het aan de orde zijnde plan hersteld.

Over het bouwvlak heeft de raad gesteld dat bij besluit van 30 juni 1992 een vergunning is verleend voor het slopen van de aanwezige berging en bouw van een nieuwe met dezelfde afmeting. Aangezien de huidige berging binnen het bouwvlak staat, betekent het plan geen inbreuk hierop.

13.2. Aan het noordelijke deel van het perceel [locatie 1] is de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf" toegekend. Aan een deel van het bouwvlak op dit perceel is de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

1. per bestemmingsvlak niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan;

2. intensieve veehouderij uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij", waarbij geldt dat de toegelaten oppervlakte ten behoeve van de intensieve veehouderij niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte; (...).

Aan het zuidelijke deel van het perceel is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder b, mogen op gronden met deze bestemming geen gebouwen gebouwd worden, met uitzondering van stallen en schuren die legaal aanwezig zijn op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan of die op dat moment gebouwd mogen worden; deze mogen worden gehandhaafd naar de omvang die zij op dat moment hadden.

13.3. De Afdeling overweegt dat [appellante sub 4] aan de raad geen concrete plannen tot bedrijfsverplaatsing te kennen heeft gegeven. De raad behoefde daarom geen rekening te houden met de verplaatsing van het bedrijf en heeft daarom, in overeenstemming met het huidige gebruik van het perceel, in redelijkheid de bovengenoemde bestemming aan het perceel kunnen toekennen. Het betoog faalt.

13.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 mei 2003 in zaak nr. 200203644/1) is een rechtsgeldige bouwvergunning een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Bij besluit van 20 maart 1992 is een bouwvergunning verleend voor het vernieuwen van de berging, waarbij de nieuwe berging 90 graden gedraaid wordt ten opzichte van de oude berging. De Afdeling constateert dat de berging zoals die in de gewijzigde situatie volgens de bouwvergunning mag worden gebouwd, buiten het bouwvlak op de gronden met de bestemming "Agrarisch - Agrarisch bedrijf" zou vallen en deels op het zuidelijke deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch" zou komen te staan. Nu artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels daar evenwel voorziet in het bouwen van een gebouw waarvoor een vergunning is verleend, bestaat geen grond voor het oordeel dat in het plan niet is voorzien in de berging waarvoor de bouwvergunning van 20 maart 1992 is verleend. Het betoog faalt.

13.5. Over de nieuwe woning binnen de geurcontour van het bedrijf, overweegt de Afdeling dat dit de woning [locatie 2] van [appellant sub 2 A] is en dat niet in geschil is dat in het vorige plan, "Buitengebied 1997" de woning op het perceel [locatie 2] niet als woning was bestemd. Onweersproken is dat voor de woning ten tijde van het daarvoor geldende plan een vergunning is verleend. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen is een rechtsgeldige bouwvergunning een bestaand recht waaraan bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Verder is niet bestreden dat het gebruik van de woning [locatie 2] in ieder geval sinds 1985 ononderbroken en legaal plaatsvindt, zoals [appellant sub 2 A] ter zitting heeft verklaard. [appellante sub 4] heeft voorts niet onderbouwd, dat zij gelet op de overige bebouwing door deze woning in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Nu de raad rekening heeft gehouden met de bestaande rechten van [appellant sub 2 A], ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 4] heeft gesteld geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog faalt.

14. [appellante sub 4] betoogt dat de in het plan geboden mogelijkheden voor nevenactiviteiten te beperkt zijn. Hij voert aan dat in plaats van een exacte omschrijving van de toegestane nevenactiviteiten de planregel slechts enkele criteria zou moeten geven waaraan nevenactiviteiten moeten voldoen, zoals verbondenheid met de groene ruimte, verkeersaantrekkende werking en landschappelijke inpassing en aard en schaal van het initiatief in relatie tot het gebied.

14.1. De raad stelt dat de door [appellante sub 4] bedoelde bepaling in overeenstemming is gebracht met het bestemmingsplan "Buitengebied Helmond" dat van toepassing is op een groot deel van de omliggende percelen en met de Verordening Ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant.

14.2. Ter zitting heeft [appellante sub 4] te kennen gegeven dat zij met name de in lid 4.6.1, aanhef en onder b, neergelegde vergunningplicht onredelijk bezwarend vindt. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hij, evenals in het bestemmingsplan "Buitengebied Helmond", dat ziet op omliggende gronden, een vergunningplicht in het leven heeft geroepen voor nevenactiviteiten om te voorkomen dat deze ongelimiteerd worden uitgevoerd en daarmee ongecontroleerd diverse vormen van hinder in het buitengebied kunnen veroorzaken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen. Het betoog faalt.

Overige bezwaren

15. [appellant sub 2 B] en [appellant sub 2 A] voeren aan dat ten onrechte aan een deel van het perceel [locatie 2], waarop enkele bijgebouwen staan, de bestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 2" is toegekend. Volgens hen had aan dit deel van perceel de bestemming "Wonen" moeten worden toegekend. Verder voeren zij aan dat op het perceel [locatie 3] ten opzichte van het vorige plan enkele gebouwen ten onrechte niet binnen het bouwvlak zijn opgenomen. De bijgebouwen zijn daarmee niet als zodanig bestemd.

15.1. In het voorliggende plan vallen alle hoofd- en bijgebouwen op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] binnen de bestemming "Wonen". De hoofdgebouwen staan binnen de aan die percelen toegekende bouwvlakken en de bijgebouwen staan alle binnen de aanduiding "bijgebouwen" voor zover die aan die percelen is toegekend. Verder is in artikel 10, lid 10.2.2, aanhef en onder a, van de planregels van dit plan bepaald dat bijgebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen de aanduiding "bijgebouwen". Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag.

15.2. [appellanten sub 2] betogen dat het middel van onteigening in dit geval oneigenlijk wordt gebruikt omdat het algemeen belang niet wordt gediend.

Dit betoog betreft de onteigeningsprocedure die los staat van de procedure tot vaststelling van het plan en kan om die reden hier niet aan de orde komen.

15.3. [appellant sub 1] voert aan dat het plan had moeten voorzien in een brandkraan nabij het gasdrukstation.

De gronden nabij het gasdrukstation hebben de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "nutsvoorzieningen". Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorzieningen", met bijbehorende (bedrijfs)gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde, tuinen en erven, groenvoorzieningen, water, wateropvang- en infiltratievoorzieningen, wegen, parkeervoorzieningen, paden en overige verhardingen. Nu het plan voorziet in bouwwerken voor nutsvoorzieningen, is ter plaatse van de gronden rondom het gasdrukstation ook een brandkraan mogelijk. Waar deze precies komt te staan, is een kwestie van uitvoering van het plan en kan in deze procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

15.4. [appellanten sub 2] voeren aan dat de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" had moeten worden toegekend aan het pad naar het gasdrukstation.

Aan het pad is de bestemming "Groen" toegekend.

In artikel 6, lid 6.1, van de planregels is bepaald dat de gronden met deze bestemming onder meer bestemd zijn voor paden.

De raad heeft gesteld dat het karakter van het pad een wandel- en fietspad in een groene omgeving is. Om die reden is de bestemming "Groen" toegekend en niet de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied". Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dat standpunt kunnen stellen. Het betoog faalt.

Slotconclusie en proceskosten

16. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Sport" die is toegekend aan de gronden in het zuidwesten van het plangebied;

II. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] voor het overige en de beroepen van [appellant sub 1 A] en

[appellante sub 1 B], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellanten sub 5] en [appellant sub 6] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2014

361.