Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1511

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
201208402/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:4361, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201208402/1/V1.

Datum uitspraak: 24 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 augustus 2012 in zaak nr. 12/10437 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft de minister, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 maart 2014, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door

mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In grief 3 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij vrijwillige terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe voert zij aan dat zij tijdens haar langdurige verblijf in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en de terugkeertermijn van haar uitreisvisum heeft overschreden.

2.1. De staatssecretaris heeft de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal bij brief van 25 januari 2012 (Kamerstukken II 2011-2012, 19 637, nr. 1488, hierna: de brief) geïnformeerd over een wijziging van het landgebonden asielbeleid ten aanzien van Eritrea. In die brief is onder meer vermeld dat vreemdelingen die Eritrea op illegale wijze (zonder uitreistoestemming van de Eritrese autoriteiten) zijn ontvlucht, nu in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning, behalve als sprake is van contra-indicaties en dat daarnaast gedwongen terugkeer naar Eritrea niet zal plaatsvinden omdat dit niet langer verantwoord is. De staatssecretaris verwacht echter van vreemdelingen die Eritrea legaal zijn uitgereisd dat zij vrijwillig terugkeren.

De staatssecretaris heeft tot deze wijziging besloten, omdat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Eritrea van 30 november 2011 (hierna: het ambtsbericht) volgt dat vreemdelingen bij gedwongen terugkeer naar Eritrea kans lopen op gevangenschap, al dan niet voor onbepaalde tijd, mishandeling en foltering, soms de dood tot gevolg hebbend. Volgens het ambtsbericht lopen illegaal uitgereisden ook bij vrijwillige terugkeer deze risico's.

2.2. Onder verwijzing naar de brief en het ambtsbericht heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 9 maart 2012 op het standpunt gesteld dat hij van de vreemdeling, die blijkens het uitreisvisum in haar paspoort Eritrea legaal is uitgereisd, verwacht dat zij voldoet aan haar vertrekplicht en vrijwillig terugkeert naar Eritrea.

2.3. Uit de stukken blijkt dat het uitreisvisum dat de Eritrese autoriteiten aan de vreemdeling hebben verleend, geldig is tot 3 februari 2011. Op het uitreisvisum is voorts vermeld "stay up to one month from the date of exit". De staatssecretaris kan niet zonder nadere motivering worden gevolgd in zijn ter zitting van de Afdeling ingenomen standpunt dat met een dergelijk uitreisvisum binnen een maand na afgifte ervan Eritrea moet worden uitgereisd en dat die termijn niet ziet op de duur van het toegestane verblijf buiten dat land. Het ambtsbericht bevat geen aanknopingspunten dat de door de staatssecretaris voorgestane uitleg juist is. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris voorts gesteld dat hij voorzichtigheid moet betrachten, gelet op de onvoorspelbaarheid van handelen van de Eritrese autoriteiten en heeft hij beaamd dat de vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM indien de Eritrese autoriteiten vermoeden dat zij een asielaanvraag heeft ingediend.

Nu ervan moet worden uitgegaan dat de termijn van het uitreisvisum in ruime mate is overschreden, het ambtsbericht geen duidelijkheid geeft over de vraag of en op welke wijze in zodanig geval een vreemdeling bij terugkeer in Eritrea door de autoriteiten wordt ondervraagd over het verblijf buiten dat land, en bovendien de staatssecretaris niet is ingegaan op de vraag of reeds dat langdurige verblijf op zichzelf voldoende is om aan te nemen dat die autoriteiten de vreemdeling ervan zullen verdenken dat zij een asielaanvraag heeft ingediend, heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling vrijwillig kan terugkeren naar Eritrea zonder een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De enkele omstandigheid dat de moeder van de vreemdeling na overschrijding van de termijn van het uitreisvisum zonder problemen vrijwillig naar Eritrea is teruggekeerd, is onvoldoende om aan te nemen dat de vreemdeling zodanig risico niet loopt.

Grief 3 slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 9 maart 2012 alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen.

4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 augustus 2012 in zaak nr. 12/10437;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 9 maart 2012, V-nr. 275.186.2346;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.191,50

(zegge: eenentwintighonderdeenennegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2014

412-785.