Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201400612/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:19048, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/191

Uitspraak

201400612/1/V2.

Datum uitspraak: 15 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2013 in zaak nr. 13/4220 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de vijfde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in hetgeen na zijn uitzetting naar Kameroen zou zijn voorgevallen en hij ter staving daarvan heeft overgelegd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn gelegen die toetsing van het besluit van 22 januari 2013 rechtvaardigen.

1.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

1.2. De vreemdeling heeft eerder aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluiten van 24 mei 2007, 21 augustus 2009, 19 november 2010 onderscheidenlijk 26 april 2012 zijn afgewezen. Op 10 augustus 2012 heeft hij opnieuw een aanvraag ingediend om hem zodanige verblijfsvergunning te verlenen. Het daarop genomen besluit van 22 januari 2013 is van gelijke strekking als de eerdere afwijzende besluiten, zodat op het daartegen ingestelde beroep voormeld beoordelingskader van toepassing is.

1.3. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 19 april 2012 in zaak nr. 201109724/1/V2 en 4 juli 2013 in zaak nr. 201203749/1/V2, over situaties waarin een vreemdeling na een eerdere afwijzing van zijn aanvraag hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen een opvolgende asielaanvraag indient en daarbij stelt in zijn land van herkomst of bestendig verblijf te zijn teruggekeerd, kan de bestuursrechter een besluit van gelijke strekking toetsen als ware het een eerste afwijzing, mits die vreemdeling aantoont dat hij daadwerkelijk in dat land is teruggekeerd.

1.4. Die terugkeer van de vreemdeling in het land van herkomst is evenzeer aangetoond, indien de staatssecretaris er blijk van geeft dat hij er op grond van bij hem bekende schriftelijk vastgelegde en ondubbelzinnige informatie van uitgaat dat de desbetreffende vreemdeling door de Nederlandse autoriteiten is uitgezet. Onder uitzetting wordt in dit verband verstaan het onder begeleiding door de Nederlandse autoriteiten naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf terugkeren van een vreemdeling, dan wel het in Nederland onder begeleiding van de Nederlandse autoriteiten aan boord gaan van een vliegtuig dat een rechtstreekse vlucht uitvoert naar dat land.

1.5. In het dossier bevindt zich een nota van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 23 augustus 2012 waarin wordt vermeld dat de uitzetting van de vreemdeling op 12 augustus 2012 is geëffectueerd en dat de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) geen bijzonderheden heeft gemeld over de uitzetting en overdracht in Douala, Kameroen. In aanvulling hierop heeft de staatssecretaris blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in beroep op 1 maart 2013 nog verklaard dat een gespreksverslag van de KMar vermeldt dat de vreemdeling is overgedragen aan de Kameroense autoriteiten. Met de in de nota van 23 augustus 2012 opgenomen informatie, die bevestiging vindt in een gespreksverslag van de KMar, is de terugkeer van de vreemdeling in zijn land van herkomst aangetoond. Anders dan de rechtbank heeft gedaan, kan het besluit van 22 januari 2013 worden getoetst in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, als ware het een eerste afwijzing.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank moet omtrent de vergoeding van deze kosten beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2013 in zaak nr. 13/4220;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Zwinkels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2014

309-657.