Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1499

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201400425/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 maart 2012, aangevuld bij brief van 13 maart 2013, heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400425/1/V1.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2013 in zaak nr. 12/13283 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2012, aangevuld bij brief van 13 maart 2013, heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 20 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1, www.raadvanstate.nl). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.1. De vreemdeling heeft eerder, op 28 augustus 2002, een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 31 augustus 2002 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 20 september 2002 is het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 31 oktober 2002 in zaak nr. 200205215/1 heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd.

Op 15 oktober 2004 heeft de vreemdeling een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 31 januari 2006 heeft de staatssecretaris deze aanvraag ingewilligd en de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van het gevoerde categoriaal beschermingsbeleid voor Ivoorkust.

Op 28 oktober 2010 heeft de vreemdeling de bij voormeld besluit van 20 maart 2012 afgewezen aanvraag ingediend.

2.2. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 20 maart 2012 van gelijke strekking is als het besluit van 31 augustus 2002. Hij betoogt daartoe dat deze besluiten zien op een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde onderscheidenlijk onbepaalde tijd.

2.3. De rechtbank heeft niet onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2007 in zaak nr. 200609255/1 volgt dat geen sprake is van een besluit van gelijke strekking, indien het bij de rechtbank bestreden besluit ziet op een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en een eerder genomen besluit ziet op een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Het betreft immers een andere verblijfsvergunning asiel. Aangezien het besluit van 20 maart 2012 een afwijzing van een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd betreft en het besluit van 31 augustus 2002 een afwijzing van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, wordt het besluit van 20 maart 2012, gelet op het bovenstaande, niet aangemerkt als een besluit van gelijke strekking als het besluit van 31 augustus 2002.

Het besluit van 31 januari 2006 kan, reeds omdat de vreemdeling daaraan een verblijfsrecht heeft ontleend, niet worden aangemerkt als een afwijzend besluit, zodat het besluit van 20 maart 2012 in dat opzicht evenmin van gelijke strekking is.

2.4. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het besluit van 20 maart 2012 ten onrechte heeft aangemerkt als een besluit van gelijke strekking en op het daartegen ingestelde beroep ten onrechte het onder 2 weergegeven beoordelingskader van toepassing heeft geacht.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven behoeven geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2013 in zaak nr. 12/13283;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

154-801.