Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1497

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201311648/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4, aanhef en onder b en c, van de Regeling uniforme saneringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311648/1/A4.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.4, aanhef en onder b en c, van de Regeling uniforme saneringen.

Bij besluit van 6 december 2011 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] bij de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 februari 2012 heeft het college besloten tot invordering van op grond van de bij besluit van 5 juli 2011 opgelegde last verbeurde dwangsommen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 15 maart 2013 in zaken nrs. 12/121 en 12/344 onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen en het beroep ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. H.J.J.M. van der Bruggen, advocaat te Roermond, en het college, vertegenwoordigd door L.H. Stevens, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ter zitting is vastgesteld dat door [appellante] niet wordt betwist dat de last terecht is opgelegd en dat deze is uitgewerkt, omdat het gronddepot is opgeheven. [appellante] kan derhalve geen nieuwe dwangsommen verbeuren. Gelet hierop en nu [appellante] niet heeft gesteld schade te hebben geleden ten gevolge van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 juli 2011, bestaat geen rechtens te beschermen belang bij een oordeel over het besluit van 6 december 2011.

2. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voor zover hier van belang, heeft het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

[appellante] betwist de invorderingsbeschikking van het college van 14 februari 2012, zodat het beroep mede betrekking heeft op dat besluit.

2.1. [appellante] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat, zo er al dwangsommen zijn verbeurd, de bevoegdheid tot invordering daarvan ingevolge artikel 5:35 van de Awb is verjaard, hetgeen het college ter zitting heeft bevestigd. Dit betekent dat thans met betrekking tot de al dan niet verbeurde dwangsommen geen bevoegdheid tot invorderen meer bestaat. Derhalve is aan het beroep voor zover gericht tegen het invorderingsbesluit eveneens het belang ontvallen.

3. De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen tegen de besluiten van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 6 december 2011 en 14 februari 2012 niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.U. Kallan, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Kallan

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

563.