Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1491

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201309325/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kranenburg-Stadspark" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/400

Uitspraak

201309325/1/R4.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Groningen,

en

de raad van de gemeente Groningen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kranenburg-Stadspark" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door drs. J.A. Klok en ir. C.J.M. van den Biggelaar, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor onder meer het Stadspark en de tot het Stadspark behorende drafbaan te Groningen.

3. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met de bestemming "Sport", die is toegekend aan de drafbaan, voor zover deze bestemming het mogelijk maakt de drafbaan te gebruiken voor het houden van evenementen. Hiertoe voeren [appellant] en anderen aan dat deze evenementen leiden tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat, omdat in het plan ten onrechte geen nadere regeling is opgenomen wat betreft onder meer de aard van de evenementen, de maximale bezoekersaantallen en de rusttijd tussen de evenementen. In dit verband voeren [appellant] en anderen tevens aan dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de akoestische gevolgen voor de woonomgeving als gevolg van het houden van evenementen op de drafbaan, waarbij zij ook wijzen op de naastgelegen verkeersweg. Volgens [appellant] en anderen is bovendien ten onrechte geen parkeer- en verkeersonderzoek gedaan.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het opnemen van een nadere regeling in het plan met beperkingen wat betreft onder meer de aard van de evenementen, de toegestane duur en de maximale bezoekersaantallen niet nodig is, omdat een milieuvergunning is verleend voor het houden van evenementen op de drafbaan. Deze vergunning reguleert de evenementen op de drafbaan voldoende, aldus de raad. Hierbij voert de raad aan dat het plan niet voorziet in een verruiming van het aantal en de aard van de evenementen ten opzichte van de vergunde situatie. Tevens voert de raad aan dat ten tijde van de vergunningverlening een akoestisch onderzoek is verricht. Verder wijst de raad erop dat in de vergunning voorschriften zijn opgenomen om parkeeroverlast tijdens een evenement te verminderen.

3.2. De drafbaan heeft in het plan de bestemming "Sport".

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, aanhef en onder c, van de planregels, zijn de voor "Sport" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd voor evenementen op het terrein van de drafbaan, waaronder circussen, het Bevrijdingsfestival en de viering van Gronings Ontzet, tot een maximum van twaalf dagen per jaar.

Ingevolge artikel 1, lid 1.25, van de planregels wordt onder evenementen verstaan grootschalige, periodieke, één- en/of meerdaagse manifestaties met een aanmerkelijke geluidproductie, zoals sportmanifestaties, concerten, voorstellingen en shows.

3.3. Uit de hiervoor aangehaalde planregels vloeit voort dat het gebruik van de drafbaan als evenemententerrein uitsluitend wordt beperkt door het maximum van twaalf evenementendagen per jaar. In de planregels zijn geen beperkingen opgenomen wat betreft onder meer het maximale aantal bezoekers en het soort evenementen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 juni 2012 in zaak nr. 201109470/1/R4) ligt het met betrekking tot een evenemententerrein op de weg van de planwetgever om onder meer ten aanzien van het aantal evenementen per jaar, het soort evenementen en de maximale bezoekersaantallen voorschriften te stellen, indien dat uit een oogpunt van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een evenemententerrein op een bepaalde locatie van belang is. Het gaat hier om de beoordeling en de afweging of een bestemming die gedurende de planperiode evenementen op een bepaalde locatie toestaat vanuit ruimtelijk oogpunt is aangewezen. Dat in dit geval de drafbaan een inrichting is als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, waarvoor reeds een milieuvergunning is verleend, betekent niet dat genoemde regels in een bestemmingsplan niet nodig zijn. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 februari 2012 in zaak nr. 201002029/1/T1/R2) is anders dan bij de toepassing van de Wet milieubeheer (thans: de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; hierna: Wabo) bij de vaststelling van een bestemmingsplan een beoordeling nodig op basis van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Zonder een beperking in de planregels wat betreft het aantal, de aard en de omvang van de evenementen is een dergelijke beoordeling van de maximale planologische mogelijkheden niet goed denkbaar. In dit verband acht de Afdeling van belang dat niet alle gevolgen die ruimtelijk relevant zijn, in de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo kunnen worden betrokken. Zo kunnen de gevolgen van het houden van evenementen voor de belasting van de aan- en afvoerwegen wel in de ruimtelijke afweging, maar niet in de beoordeling van de aanvraag voor de omgevingsvergunning worden betrokken. Bij die afweging zijn het aantal evenementen per jaar, het aantal bezoekers en de in dat kader te verwachten verkeersstromen niet zonder betekenis.

Dat de verleende milieuvergunning reeds voorschriften bevat om de evenementen op de drafbaan te reguleren, kan, anders dan de raad naar voren brengt, dan ook zonder nadere afweging niet een reden zijn om een nadere planologische regeling ten aanzien van de evenementen in het bestemmingsplan achterwege te laten. De raad had aldus bij de vaststelling van het plan behoren na te gaan of ten aanzien van de in deze overweging genoemde aspecten uit een oogpunt van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de drafbaan als evenemententerrein, nadere regels in het plan hadden moeten worden opgenomen. De raad heeft dit ten onrechte nagelaten.

3.4. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

4. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Groningen van 26 juni 2013, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kranenburg-Stadspark", voor zover het artikel 11, lid 11.1, onder c, van de planregels betreft;

III. draagt de raad van de gemeente Groningen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Groningen aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Klein Nulent

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

218-810.