Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201309319/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013, kenmerk Z/13/23182-VB/13/02822, heeft de raad het bestemmingsplan "Herenweg Gageldijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309319/1/R2.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuincentrum Vechtweelde B.V., gevestigd te Maarssen,

2. [appellante sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3 A] en [appellant sub 3 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013, kenmerk Z/13/23182-VB/13/02822, heeft de raad het bestemmingsplan "Herenweg Gageldijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Tuincentrum Vechtweelde, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2014, waar Tuincentrum Vechtweelde, vertegenwoordigd door H.H.J. Kral en ir. J.A.A. Nuhn, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigden], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2 B], en de raad, vertegenwoordigd door ing. W. Bader-Schenk, S.C. Lutters, ing. S.J. Haak, ing. T. Verkammen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actualisatie van het juridisch planologische kader voor de stedelijke randzone in het oostelijke deel van het landelijke gebied van de gemeente Stichtse Vecht.

Het beroep van Tuincentrum Vechtweelde

3. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van Tuincentrum Vechtweelde, voor zover het beroep is gericht is tegen het plandeel met de bestemming "Detailhandel" betreffende het perceel Herenweg 35. De raad stelt dat zij in zoverre geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

In de zienswijze heeft Tuincentrum Vechtweelde aangevoerd dat de bebouwingsmogelijkheden van zijn gronden niet juist in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Hiermee is de zienswijze gericht tegen het plandeel met de bestemming "Detailhandel" betreffende het perceel Herenweg 35, waartegen het beroepschrift eveneens is gericht.

Gelet op het voorgaande is het beroep ontvankelijk.

4. Het beroep van Tuincentrum Vechtweelde is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Detailhandel" betreffende het perceel Herenweg 35. Volgens Tuincentrum Vechtweelde is de in artikel 1 van de planregels opgenomen definitiebepaling van ‘tuincentrum’ te beperkt, waardoor ten onrechte niet al het bestaande legale gebruik is bestemd. Hierbij wijst Tuincentrum Vechtweelde erop dat een groot deel van het assortiment in het tuincentrum bestaat uit niet-levend materiaal zoals dierenbenodigdheden en decoraties voor in huis en dat rond de jaarwisseling tevens vuurwerk wordt verkocht.

4.1. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor een tuincentrum.

Ingevolge artikel 1 wordt in de regels verstaan onder ‘tuincentrum’: een tuincentrum is een winkel gespecialiseerd in de verkoop van tuinartikelen, bomen, planten (zowel tuinplanten als kamerplanten) en bloemen.

4.2. Vaststaat dat op het perceel Herenweg 35 een tuincentrum is gevestigd. Ter zitting heeft de raad desgevraagd te kennen gegeven dat niet kan worden uitgesloten dat met het op grond van artikel 7, lid 7.1, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 1 van de planregels toegestane gebruik op de gronden, niet al het bestaande gebruik is bestemd. Weliswaar heeft de raad aanvullend hieraan gesteld dat hij bereid is om de door Tuincentrum Vechtweelde voorgestelde definitie van tuincentrum in overweging te nemen, maar hiermee heeft de raad miskend dat reeds bij de voorbereiding van het plan de nodige kennis omtrent de relevante feiten dient te worden vergaard. Nu de raad dit heeft nagelaten is het plan in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt.

4.3. In hetgeen Tuincentrum Vechtweelde heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Detailhandel" betreffende het perceel Herenweg 35, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de vaststelling van het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel [locatie 1]. Hij betoogt dat ten onrechte niet alle bestaande bebouwing is bestemd, nu op grond van de planregels slechts 3.420 m2 in plaats van 3.942,80 m2 bebouwing is toegestaan. [appellant sub 2] betoogt dat hij hierdoor ten onrechte wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering.

5.1. De raad stelt dat de met de planregels toegestane omvang aan bebouwing is vastgesteld op basis van hetgeen op grond van het voorgaande bestemmingsplan "Herenweg Gageldijk e.o." ter plaatse maximaal kon worden toegestaan. De raad acht het niet wenselijk om de overige bebouwing in het plan op te nemen, aangezien daarmee opnieuw de mogelijkheid zou ontstaan om de bebouwing met 20% uit te breiden.

5.2. Aan de gronden betreffende het perceel [locatie 1] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

5.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen op de in lid 5.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande dat gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen uitsluitend worden gebouwd binnen de bouwvlakken.

Ingevolge lid 5.2, onder f, geldt als maximum oppervlakte voor de bedrijfsgebouwen de in bijlage 4 opgenomen oppervlakte.

In bijlage 4 is vermeld dat voor het perceel [locatie 1] de bestaande grondoppervlakte bebouwing 3.420 m2 bedraagt.

Ingevolge lid 5.3, onder 5.3.5, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder a en f ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, onder de volgende voorwaarden:

a. de vergroting mag niet meer bedragen dan 20%.

[..]

5.4. Het plan staat op het perceel van [appellant sub 2] maximaal 3.420 m2 aan bedrijfsgebouwen toe. Niet in geschil is dat de bestaande en legaal aanwezige oppervlakte aan bedrijfsgebouwen groter is dan 3.420 m2. Gelet op de rechtszekerheid dienen bouwwerken die mogelijk zijn gemaakt met een onherroepelijke omgevingsvergunning in beginsel als zodanig te worden bestemd. Op dit uitgangspunt kan onder meer een uitzondering worden gemaakt indien een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Niet gebleken is dat daarvan sprake is. De keuze van de raad om zonder uitzondering in het plan aan het bevoegd gezag de bevoegdheid te verlenen om bij een omgevingsvergunning voor afwijken van de bouwregels voor bedrijfsgebouwen een uitbreiding van de bestaande bebouwing met 20% toe te staan, maakt niet dat kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat bestaande legale bouwwerken in beginsel als zodanig dienen te worden bestemd. Nu de raad het voorgaande niet heeft onderkend bestaat aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel [locatie 1], in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

6. [appellant sub 2] betoogt verder dat de raad ten onrechte de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan de gronden aan de achterzijde van zijn perceel heeft toegekend. Deze bestemming sluit naar zijn mening niet aan bij het feitelijke gebruik. In de bestaande situatie ligt het stuk grond braak en is derhalve niet voor agrarische doeleinden in gebruik. Hij betoogt dat tevens niet aannemelijk is dat de gronden binnen de planperiode wel voor agrarische doeleinden in gebruik zullen worden genomen. [appellant sub 2] betoogt dat de raad de bestemming "Bedrijf" aan dit deel van zijn gronden had moeten toekennen, aangezien die bestemming goed aansluit bij het gebruik van de omliggende percelen. Voorts stelt hij dat het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld aangezien het naastgelegen perceel wel in zijn geheel ten behoeve van het bedrijf mag worden bebouwd.

6.1. De raad acht het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan de gronden niet wenselijk. Volgens de raad is een uitbreiding van bedrijfsbestemmingen op deze locatie niet passend.

6.2. Aan het achterste deel van de gronden van het perceel [locatie 1] is de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" toegekend.

6.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarische bedrijven;

b. het beweiden van dieren;

c. behoud, versterking en herstel van de openheid van graslanden;

d. behoud, versterking en herstel van de verkaveling van de gronden;

e. behoud, versterking en herstel van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen zijnde landschappelijke en cultuurhistorische waarden met bijbehorende sloten een en ander conform het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1);

[..].

6.4. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de raad een bedrijfsbestemming aan de gronden had moeten toekennen aangezien de aan de gronden toegekende agrarische bestemming niet binnen de planperiode zal worden uitgevoerd, wordt overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze bestemming uitvoerbaar is. Daarbij wordt in overweging genomen dat op deze gronden naast het gebruik voor agrarische bedrijven, tevens het gebruik voor behoud, versterking en herstel van de openheid van graslanden is toegestaan. Ter zitting is vastgesteld dat het gebied thans als grasland is ingericht, zodat de toegekende bestemming aansluit bij het bestaande gebruik.

Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het naastgelegen perceel wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat de aan dat plandeel toegekende bouwmogelijkheden reeds in het voorgaande bestemmingsplan aan de gronden waren toegekend, zodat geen sprake is van een uitbreiding. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

De raad heeft als uitgangspunt aan het plan ten grondslag gelegd dat geen uitbreiding van bedrijfsbestemmingen wordt toegestaan. Hiermee is beoogd de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied te behouden. Grootschalige bedrijven en verhardingen passen volgens de raad niet bij dit uitgangspunt. De enkele omstandigheid dat de omliggende gronden deels bestemd zijn voor "Bedrijf" maakt niet dat de raad van zijn uitgangspunt had moeten afwijken. Verder heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat met de toegekende omvang van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" geen reële bedrijfsexploitatie mogelijk is op deze locatie. Niet gebleken is voorts dat [appellant sub 2] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete uitbreidingsplannen had, waarmee de raad rekening had moeten houden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een zwaarder gewicht had moeten toekennen aan zijn belangen bij het vergroten van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dan aan het genoemde uitgangspunt.

Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" aan het achterste deel van de gronden van het perceel Gagelweg 2 kunnen toekennen. Het betoog faalt.

7. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.4 ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel [locatie 1], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond, zodat het besluit in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 3]

8. [appellant sub 3] heeft bezwaar tegen de vaststelling van het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - 2" betreffende de gronden kadastraal bekend als [gemeente], sectie C, nummer 427. Hij betoogt dat de raad ten onrechte de bestaande schuur niet als zodanig heeft bestemd, terwijl dit bouwwerk feitelijk reeds lange tijd aanwezig is op het perceel.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwwerk niet aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het voorgaande bestemmingsplan "Herenweg Gageldijk e.o." en voorts dat geen omgevingsvergunning voor de bouw van het bouwwerk is aangevraagd. De raad acht het toestaan van extra bebouwing op deze locatie niet wenselijk.

8.2. Aan de gronden kadastraal bekend als [gemeente], sectie C, nummer 427 zijn de bestemming "Recreatie - 2" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - zonder bebouwing" toegekend.

8.3. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de in de verbeelding voor "Recreatie - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. volkstuinen;

b. met de daarbij behorende parkeervoorzieningen en straatmeubilair;

c. veldschuren ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - veldschuur" een veldschuur;

d. groenvoorzieningen en water;

e. wegen, voet- en fietspaden;

f. overige functioneel met de bestemming "Recreatie - 2" verbonden voorzieningen.

Ingevolge lid 10.2 mogen op de in lid 10.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande, dat:

[..]

g. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - zonder bebouwing" mag geen nieuwe bebouwing worden gerealiseerd.

8.4. De schuur van [appellant sub 3] heeft een oppervlakte van 20 m2. Niet aannemelijk is geworden dat voor de realisatie van dit bouwwerk een omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend. De raad heeft dit bouwwerk om deze reden niet als zodanig in het plan bestemd. De raad behoeft dat in beginsel ook niet te doen voor bouwwerken die zonder een omgevingsvergunning voor het bouwen zijn opgericht. De raad heeft gesteld dat als uitgangspunt aan het plan ten grondslag is gelegd dat geen nieuwe bebouwing op voormalige agrarische gronden is toegestaan zodat de openheid van het gebied behouden blijft. Aan de enkele omstandigheid dat het bouwwerk, zoals [appellant sub 3] betoogt, reeds lange tijd aanwezig is, heeft hij niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de raad in afwijking van het genoemde uitgangspunt het bouwwerk zou toestaan in het plan. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen afzien van het in het plan als zodanig bestemmen van de schuur. Het betoog faalt.

9. Voorts is het beroep van [appellant sub 3] gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" betreffende het perceel [locatie 2 en 3]. Hij betoogt dat de raad ten onrechte geen bouwmogelijkheden aan de westzijde van dit perceel mogelijk heeft gemaakt. Hij wijst hierbij op de in de planregels opgenomen mogelijkheid om de bestaande bebouwing met 20% uit te breiden. Volgens [appellant sub 3] maakt de omvang van het bouwvlak het feitelijk onmogelijk om van deze mogelijkheid gebruik te maken. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de raad van een onjuiste feitelijke situatie is uitgegaan.

9.1. De raad acht een verdere uitbreiding van de bedrijfsbestemming niet wenselijk. Het mogelijk maken van extra bebouwing is volgens de raad niet passend binnen de bestaande structuur van het gebied.

9.2. Aan de gronden betreffende het perceel [locatie 2 en 3] zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend. De aanduiding "bouwvlak" is niet toegekend aan het meest westelijke deel van de gronden.

9.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, van de planregels mogen op de in lid 5.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- of terreinafscheidingen uitsluitend worden gebouwd binnen de bouwvlakken;

[..]

f. overigens geldt het in de tabel opgenomen maximum oppervlak, inhoud en goot- en bouwhoogte.

Ingevolge lid 5.3, onder 5.3.5, kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 onder a en f ten behoeve van een grotere oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, onder de volgende voorwaarden:

a. de vergroting mag niet meer bedragen dan 20%.

b. de vergroting dient milieu hygiënisch inpasbaar te zijn.

c. door de vergroting mogen bestaande omliggende bedrijven en woningen niet extra worden gehinderd.

d. indien als gevolg van een aangevraagde vergroting ook de parkeerbehoefte van een bedrijf omhoog gaat, dan zal deze extra behoefte binnen het bestemmingsvlak van het terrein gerealiseerd moeten worden.

9.4. Artikel 5, lid 5.3, onder 5.3.5, van de planregels biedt de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 5.2, onder a, van de planregels, zodat op grond van deze bevoegdheid bebouwing buiten het bouwvlak kan worden toegestaan. Nu de aanduiding "bouwvlak" niet aan alle gronden van het perceel [locatie 2 en 3], waaraan de bestemming "Bedrijf" is toegekend, is toegekend, biedt het plan, anders dan [appellant sub 3] meent, de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning meer bebouwing toe te staan.

Voor zover [appellant sub 3] voorts wenst dat ook op de naastgelegen gronden nieuwe bedrijfsbebouwing kan worden gerealiseerd, wordt het volgende overwogen. Aan die gronden is naar aanleiding van de door [appellant sub 3] naar voren gebrachte zienswijze de bestemming "Recreatie - 2" toegekend. Zoals hiervoor overwogen heeft de raad als uitgangspunt aan het plan ten grondslag gelegd dat geen uitbreiding van bedrijfsbestemmingen wordt toegestaan. Hiermee is beoogd de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te behouden. Grootschalige bedrijven en verhardingen passen volgens de raad niet bij dit uitgangspunt. Niet gebleken is dat [appellant sub 3] ten tijde van de vaststelling van het plan concrete uitbreidingsplannen had, waarmee de raad rekening had moeten houden. Voorts heeft [appellant sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat met de toegekende omvang van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" geen reële bedrijfsexploitatie mogelijk is op deze locatie. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een zwaarder gewicht had moeten toekennen aan zijn belangen bij het vergroten van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" dan aan het genoemde uitgangspunt. De raad heeft derhalve in redelijkheid de bestemming "Recreatie - 2" aan de naast zijn perceel gelegen gronden kunnen toekennen. Het betoog faalt.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] ongegrond.

Opdracht

11. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 en 5.4 is overwogen, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

12. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van Tuincentrum Vechtweelde is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van [appellant sub 3] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuincentrum Vechtweelde B.V. en [appellante sub 2 A] en [appellant sub 2 B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 25 juni 2013, kenmerk Z/13/23182-VB/13/02822, voor zover a. het betreft het plandeel met de bestemming "Detailhandel" betreffende het perceel Herenweg 35;

b. het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel [locatie 1];

III. draagt de raad van de gemeente Stichtse Vecht op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen ten aanzien van de onder II genoemde plandelen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep van [appellante sub 3 A] en [appellant sub 3 B] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellante sub 2 A] en [appellant sub 2 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 515,14 (zegge: vijfhonderdvijftien euro en veertien cent), waarvan € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Tuincentrum Vechtweelde B.V., en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 2 A] en [appellant sub 2 B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Donner-Haan

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

674.