Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201307831/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307831/1/R1.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Hobrede, gemeente Zeevang,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zeevang,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door P.G.T.M. Aalbers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2013, in zaak nr. 201201553/1/R1. Hierbij heeft de Afdeling het besluit van de raad van 13 september 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dorpskernen 2011" vernietigd wat betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie]. Voorts zijn de rechtsgevolgen van de plandelen met de bestemming "Wonen" voor de twee direct aan de lintbebouwing gelegen woningen in stand gelaten, behoudens voor zover het betreft artikel 22, lid 22.3, onder a, van de planregels, voor zover die bepaling betrekking heeft op deze twee plandelen. Het bestemmingsplan voorziet in vier nieuwbouwwoningen op het perceel [locatie] voor zover gelegen achter deze twee woningen.

3. [appellant] en anderen betogen dat in de uitspraak van de Afdeling is geoordeeld het gedeelte van het schadeloosstellingsrapport waarvoor de gemeente geen beroep kan doen op artikel 10 van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: Wob) ter inzage moet worden gelegd. De raad heeft in onderhavige zaak ten onrechte dit gedeelte van het rapport niet ter inzage gelegd, aldus [appellant] en anderen.

3.1. In de uitspraak van 6 februari 2013 is in 13.2 overwogen dat het schadeloosstellingrapport, voor het gedeelte waarvoor geen beroep kan worden gedaan op artikel 10 van de Wob, ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd met het ontwerpplan. In 13.4 van die uitspraak heeft de Afdeling geconcludeerd dat de bestreden plandelen daarom onder meer zijn vastgesteld in strijd met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

3.2. Vast staat dat het gedeelte van het schadeloosstellingsrapport waarvoor geen beroep kan worden gedaan op artikel 10 van de Wob wederom niet met het ontwerp ter inzage is gelegd. Dit is wederom in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De stelling van de raad ter zitting dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat deze stukken niet meer ter inzage hoefden te worden gelegd, is gelet op 13.4 van die uitspraak onjuist.

Het betoog slaagt.

4. Voorts betogen [appellant] en anderen dat in de uitspraak van de Afdeling is geoordeeld dat inzicht moet worden geboden in de uitkomst van het onderzoek naar de noodzaak van het aantal woningen. Dat is volgens hen niet gebeurd.

4.1. In overweging 18.2 van voornoemde uitspraak is overwogen dat de raad in redelijkheid een aantal van zes woningen noodzakelijk heeft kunnen achten. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om thans tot een ander oordeel te komen.

Het betoog faalt.

5. Voorts betogen [appellant] en anderen dat het plan in strijd is met het gemeentelijke volkshuisvestingbeleid nu geen woningen voor starters en levensloopbestendige woningen mogelijk worden gemaakt.

5.1. Blijkens de verbeelding voorziet het plan in de bestemming "Wonen" en vier bouwvlakken.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen;

met de daarbij behorende:

b. bijgebouwen;

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

d. erven.

5.2. In paragraaf 3.4 van de plantoelichting wordt verwezen naar het gemeentelijke beleidsrapport "Woonvisie Zeevang: 2020 in zicht" van 6 oktober 2009. De gemeente heeft het voornemen om tot 2020 tenminste 400 woningen te bouwen. Het gaat hier om kleinere projecten met een paar woningen per project. In de periode tot 2030 zullen naar schatting nog enkele tientallen woningen verspreid over de verschillende linten kunnen worden gerealiseerd vanwege bedrijfsverplaatsing en/of functieverandering.

Bij onderhavige ontwikkeling is sprake van transformatie van een agrarisch bedrijf in een woongebied. In Hobrede is behoefte aan woningen voor starters en levensloopbestendige woningen. De vier te bouwen woningen voldoen aan de laatstgenoemde behoefte, aldus de plantoelichting.

5.3. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het beleid niet dat uitsluitend starters- en levensloopbestendige woningen mogen worden gerealiseerd. Voorts overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woningen als levensloopbestendige woningen kunnen worden gerealiseerd waardoor in de behoefte zoals beschreven in het gemeentebeleid wordt voorzien.

Het betoog faalt.

6. [appellant] en anderen betogen dat het begrip hooi- of kaakberg rechtsonzeker is. Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt hieronder verstaan een hoog betimmerd gebouw met vierkante plattegrond en een vast piramidedak. Deze begripsbepaling maakt naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk wat hieronder moet worden verstaan.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen dat in de plantoelichting ten onrechte niet verantwoord is in hoeverre rekening is gehouden met de kernkwaliteiten Nationaal Landschap nu bij dit reparatieplan opnieuw een gedeelte van het plangebied buiten het bestaand bebouwd gebied (hierna: BBG) als bedoeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: PRVS) ligt.

7.1. De raad stelt dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland door middel van een brief heeft bevestigd dat het gehele plan voldoet aan het provinciale beleid. Het plan betekent een behoud en versterking van het open landelijk gebied en daarmee de belangen van het nationaal landschap Laag Holland, aldus de raad.

7.2. Ingevolge artikel 1, onder 23, van de PRVS wordt onder landelijk gebied verstaan het gebied, niet zijnde BBG.

Ingevolge artikel 1, onder 38, wordt onder verstedelijking verstaan alle functies die verband houden met wonen, bedrijvigheid, glastuinbouw, voorzieningen, bovengrondse en ondergrondse infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen, voor zover deze het oprichten van bebouwing mede mogelijk maken.

Ingevolge artikel 9 wordt als BBG aangewezen:

a. het gebied, als zodanig aangegeven op kaart 2 en op de digitale verbeelding ervan en

b. de bestaande of de bij een - op het moment van inwerkingtreden van de PRVS - geldend bestemmingsplan toegelaten woon- of bedrijfsbebouwing en kassen, waaronder mede begrepen de daarbij behorende bebouwing ten behoeve van openbare voorzieningen, verkeersinfrastructuur alsmede stedelijk water en stedelijk groen van een stad, dorp of kern.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, houdt een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe of uitbreiding van bestaande verstedelijking, als bedoeld in de artikelen 12, 13 en 14 in het landelijk gebied rekening met:

a. de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen en aardkundige waarden als bedoeld in artikel 8;

b. de kernkwaliteiten van de bestaande dorpsstructuur waaraan wordt gebouwd;

c. de openheid van het landschap daarbij inbegrepen stilte en duisternis;

d. de historische structuurlijnen;

e. cultuurhistorische objecten;

overeenkomstig de in het tweede lid genoemde Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (hierna: Leidraad). Daartoe geeft de toelichting bij het bestemmingsplan ten minste een verantwoording van de mate waarin deze nieuwe functies rekening houden met:

1. de ontwikkelingsgeschiedenis van het landschap;

2. de ordeningsprincipes van het landschap;

3. de bebouwingskarakteristieken (architectuur, stedenbouw, openbare ruimte) ter plaatse;

4. de inpassing van de nieuwe functies in de wijdere omgeving (grotere landschapseenheid);

5. de bestaande kwaliteiten van het gebied (inclusief de ondergrond) als hiervoor bedoeld en de maatregelen die nodig zijn om negatieve effecten op deze kwaliteiten op te heffen in relatie tot de nieuwe functies.

Ingevolge het tweede lid stellen provinciale staten de landschapstypen en kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid vast in de Leidraad.

Ingevolge artikel 20, eerste lid en onder a, is als Nationaal Landschap nader begrensd het gebied Laag Holland (inclusief werelderfgoed De Beemster), zoals aangegeven op kaart 5 en op de digitale verbeelding ervan.

Ingevolge artikel 22, eerste lid, mag een bestemmingsplan uitsluitend voorzien in nieuwe functies en uitbreiding van de bebouwing van bestaande functies binnen de gebieden als bedoeld in artikel 20 voor zover deze de kernkwaliteiten en/of Uitzonderlijke Universele Waarden behouden of versterken, als bedoeld in de Leidraad.

Ingevolge het derde lid geldt onverminderd het bepaalde in artikel 15.

7.3. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat de PRVS stelt dat de provincie regie voert over het behoud, duurzaam beheer en waar mogelijk versterking van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke kernkwaliteiten van dit gebied. De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Laag Holland zijn onder meer het behoud en de ontwikkeling van de openheid van het landschap, het behoud van de rijkdom aan weide- en moerasvogels en het behoud en de ontwikkeling van karakteristieke dijk- en lintdorpen. Om deze kernkwaliteiten te kunnen behouden en ontwikkelen, voert de provincie regie op doelen zoals het open houden van het veenweidelandschap. Het plangebied, dat gedeeltelijk buiten bebouwd gebied valt, valt onder het regime van het nationaal landschap.

In paragraaf 3.2 staat voorts dat de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (2010) handreikingen en inspiratie biedt bij het opstellen van ruimtelijke plannen en aanmoedigt om zorgvuldig met de kernkwaliteiten van het Noord-Hollandse landschap om te gaan bij nieuwe ontwikkelingen. Hobrede is een lintdorp gelegen in het veenpolderlandschap. De kernkwaliteiten van Hobrede zijn de lineaire dorpsstructuur waarbij de weg de ruimtelijke structuurdrager is, de langs het lint gelegen bebouwing, de rafelige overgang van lintbebouwing naar achterland, de doorzichten vanuit de lintbebouwing naar het agrarische achterland en afwisselende soorten woningen. Deze ruimtelijke kernkwaliteiten zijn gebruikt bij de uitwerking van de bouwlocatie, aldus de plantoelichting.

7.4. Het perceel ligt op kaart 5 behorende bij de PRVS in het gebied Laag Holland. Voorts liggen de twee meest westelijk gelegen bouwvlakken en het noordoostelijk gelegen bouwvlak geheel in het gebied dat op kaart 2 behorende bij de PRVS als BBG is aangewezen. Het zuidoostelijk gelegen bouwvlak ligt geheel buiten het gebied dat als BBG is aangewezen.

7.5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 6 februari 2013 in zaak nr. 201202085/1/R1, waarnaar in de uitspraak met zaak nr. 201201553/1/R1 tevens is verwezen, behoeft de raad op grond van artikel 22 van de PRVS, gelezen in samenhang met artikel 15, in de plantoelichting alleen te verantwoorden in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 15 bij verstedelijking binnen een Nationaal Landschap indien deze verstedelijking buiten BBG mogelijk wordt gemaakt. Voorts heeft de Afdeling in de voormelde uitspraak overwogen dat op grond van artikel 9 van de PRVS zowel het gehele gebied dat op kaart 2 behorende bij de PRVS als zodanig is aangewezen en de bestaande of de bij een op het moment van inwerkingtreden van de PRVS geldend bestemmingsplan toegelaten woon- en niet-agrarische bedrijfsbebouwing daarbuiten tot BBG behoren.

Het gedeelte van het perceel dat in het gebied ligt dat op de kaart als zodanig is aangewezen behoort derhalve tot BBG. Voor dit gedeelte van het perceel behoefde niet in de plantoelichting te worden verantwoord in hoeverre rekening wordt gehouden met de verschillende kernkwaliteiten.

7.6. Het gedeelte van het perceel dat daarbuiten ligt behoort niet tot BBG, nu op het perceel onder het voorheen geldende plan niet-agrarische bedrijfsbebouwing niet was toegestaan. Voor dat gedeelte van het perceel diende in de plantoelichting wel te worden verantwoord in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten. Dit is wederom niet gebeurd, nu in de plantoelichting is volstaan met een opsomming van de kernkwaliteiten en de stelling dat deze kernkwaliteiten zijn gebruikt bij de uitwerking van de bouwlocatie. De raad stelt ten onrechte dat deze verantwoording al was opgenomen in de toelichting bij het vorige bestemmingsplan. De Afdeling heeft immers in 16.6 van haar uitspraak van 6 februari 2013 uitdrukkelijk geoordeeld dat dat plan, voor zover het betreft het gedeelte dat is gelegen buiten BBG, is vastgesteld in strijd met artikel 22, gelezen in samenhang met artikel 15, van de PRVS, omdat in de plantoelichting een verantwoording ontbrak met betrekking tot de vraag in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten. Dat het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland in een brief heeft gesteld dat het gehele plan voldoet aan het provinciale beleid doet verder niet af aan de verplichting van artikel 22, gelezen in samenhang met artikel 15 van de PRVS.

Het betoog slaagt.

8. [appellant] en anderen betogen dat het plan, uitgaande van de maximale mogelijkheden, voorziet in zeer ruime bouwmogelijkheden. Dit leidt tot een grote aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden, aldus [appellant] en anderen.

8.1. De raad stelt dat [appellant] en anderen ten onrechte geen rekening houden met de randvoorwaarden in het plan waardoor het niet zeker is dat de maximale mogelijkheden in het plan ook benut zullen worden. De in de planregels opgenomen afwijkingsmogelijkheden zijn slechts mogelijk na een verleende omgevingsvergunning. Voorts stelt de raad dat ook onder het vorige plan binnen de voormalige agrarische bedrijfsbestemming zeer omvangrijke bebouwing in de vorm van agrarische bedrijfsgebouwen mogelijk was. Verplaatsing van het bestaande bedrijf zal tevens een forse kwaliteitsverbetering voor de woonomgeving opleveren, aldus de raad.

8.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels wordt ten aanzien van het bouwen van woningen bepaald dat:

a. woningen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen de bouwvlakken;

b. per bouwvlak maximaal één woning mag worden gebouwd;

[…]

f. de inhoud van een woning niet meer mag bedragen dan 650 m3;

[…]

Ingevolge lid 3.2.2, onder b, wordt ten aanzien van het bouwen van bijgebouwen en/of uitbreidingen bepaald dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en/of uitbreidingen per woning niet meer mag bedragen dan een derde deel van het bouwperceel verminderd met de oppervlakte van de woning, tot een maximum van 60 m².

Ingevolge lid 3.3, onder c, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in:

c. lid 3.2.2 onder b voor het bebouwen van een grotere oppervlakte met bijgebouwen, met inachtneming van de volgende regels:

1. de gezamenlijke oppervlakte per woning mag niet meer bedragen dan:

a. 125 m², onverminderd het hierna onder sub b en c bepaalde;

b. 1/3 van het bouwperceel, voor zover dat gelegen is achter de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan, onverminderd het hierna onder c bepaalde;

c. 1,5 maal de oppervlakte van de woning, de aan de woning aangebouwde bijgebouwen worden bij de bepaling van de oppervlakte van de woning niet meegerekend;

2. de gezamenlijke inhoud van de bijgebouwen per woning niet meer mag bedragen dan 2/3 deel van de inhoud van de woning, de aan de woning aangebouwde bijgebouwen worden bij de bepaling van de inhoud van de woning niet meegerekend;

3. sub c, d en e van lid 3.2.2 zijn van overeenkomstige toepassing;

4. mits daarmee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het karakter van het open landschap en de doorzichten naar het open landschap;

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van in het plan bepaalde voor:

a. de bouw van utilitaire bouwwerken, waaronder transformatorhuisjes, gasdrukregel- en meetstations en gemalen, met inachtneming van de volgende regels:

1. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 25 m²;

2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3,5 m;

3. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m;

b. het afwijken van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte en voorgevelbreedte van de woonhuizen met niet meer dan 60 cm;

c. het afwijken van de voorgeschreven inhoudsmaat van woningen met niet meer dan 10%;

d. voor het bouwen van een hooi- of kaakberg, ten dienste van voornamelijk woondoeleinden, op het zij- en/of achtererf van de woning, met inachtneming van de volgende regels;

1. de hooi- of kaakberg mag uitsluitend worden gebouwd binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken;

2. de hooi- of kaakberg dient op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van de woning of het denkbeeldig verlengde daarvan gebouwd te worden;

3. de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 65 m2 en niet minder dan 30 m2;

4. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 9 m;

de hooi- of kaakberg dient van een kap te worden voorzien, waarvan de dakhelling niet minder mag bedragen dan 20° en niet meer dan 30°.

Ingevolge lid 8.2 mogen de afwijkingsbevoegdheden als bedoeld in lid 8.1 uitsluitend worden toegepast indien de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van deze gronden niet onevenredig worden aangetast.

8.3. De Afdeling volgt niet het betoog van [appellant] en anderen dat de afwijkingsbevoegdheid waarmee kan worden afgeweken van de bouwregels en de voorwaarde dat landschappelijke en cultuurhistorische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast rechtsonzeker zijn en onvoldoende bescherming bieden.

Het betoog faalt.

8.4. De Afdeling stelt vast dat het plan bij recht voorziet in de bouw van vier woningen met elk een maximale inhoud van 650 m3. Daarnaast voorziet het plan bij recht per woning in bijgebouwen en/of uitbreidingen met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 60 m². Zoals [appellant] en anderen terecht hebben gesteld, kan per woning met de afwijkingsmogelijkheid tevens onder meer een hooi- of kaakberg met een maximale oppervlakte van 65 m² en maximale inhoud van 650 m3 worden gerealiseerd. Anders dan de raad betoogt, moet worden uitgegaan van de mogelijkheid dat de afwijkingsmogelijkheden maximaal worden benut, nu dat op voorhand niet is uitgesloten. Niet betwist is dat het plan aldus bebouwing mogelijk maakt van ongeveer 8.000 m3 op een bebouwingsoppervlakte van 1360 m². [appellant] en anderen hebben ter onderbouwing van de grote gevolgen van dergelijke bebouwing op de omgeving een 3D-impressie overgelegd. Niet is weersproken dat dit een juist beeld geeft van de mogelijkheden van het plan, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden. Niet is gebleken of en hoe de raad de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen, uitgaande van de maximale bouwmogelijkheden, heeft afgewogen tegen het belang dat is gediend met het bestemmingsplan. De enkele stelling dat het vorige plan ruimere bouwmogelijkheden bood en dat de situatie verbetert omdat een agrarisch bedrijf verdwijnt, is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop berust het besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

9. Gelet op 3.2. is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met artikel 3.11 van de Awb.

Gelet op 7.6. is het plandeel met de bestemming "Wonen" voor zover gelegen buiten BBG voorts vastgesteld in strijd met artikel 22 van de PRVS, gelezen in samenhang met artikel 15.

Gelet op 8.4. is het bestemmingsplan voorts vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft gelet hierop geen bespreking.

10. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

11. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zeevang van 9 juli 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie]";

III. draagt de raad van de gemeente Zeevang op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zeevang tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1424,00 (zegge: veertienhonderdvierentwintig euro), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Zeevang aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Bošnjaković

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

410-770.