Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201307851/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsgebied Oostvoorne" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307851/1/R4.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], beiden wonend te Rotterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Westvoorne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpsgebied Oostvoorne" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar [appellanten sub 1], bij monde van [een van de appellanten], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. H.E. de Leeuw-Blokland, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door drs. H.J. Solle, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een geactualiseerde bestemmingsregeling voor de dorpskern van Oostvoorne.

Het beroep van [appellanten sub 1]

3. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] de beroepsgrond dat de grenzen van het bestemmingsvlak ter plaatse van hun perceel niet overeenkomen met hun perceelsgrenzen ingetrokken.

4. Het beroep van [appellanten sub 1] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Tuin-2" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Oostvoorne, sectie […], nummer […]. [appellanten sub 1] betogen dat ten onrechte de bestemming "Tuin-2" aan hun gehele perceel is toegekend. Zij betogen dat aan het noordelijke deel van hun perceel de bestemming "Wonen" had moeten worden toegekend. Hiertoe voeren zij onder meer aan dat het perceel is gelegen binnen de in de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening) aangegeven bebouwingscontour, het perceel niet is gelegen binnen de ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) en het realiseren van een of twee woningen op hun perceel aansluit bij de op nabijgelegen percelen gebouwde vrijstaande woningen.

Tevens betogen [appellanten sub 1] dat in het plan voor percelen aan de Overboslaan, de Zandweg, de Van der Meerweg en het perceel aan de Rietdijk 6-B, wel is meegewerkt aan het realiseren van een of meer nieuwe woningen door aan deze percelen de bestemming "Wonen" toe te kennen. Volgens hen is het daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat de raad aan een deel van hun perceel niet de bestemming "Wonen" heeft toegekend.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij als uitgangspunt bij de vaststelling van het plan heeft gehanteerd het realiseren van nieuwe woningen alleen dan toe te staan, indien de desbetreffende locatie in het voorheen geldende plan was aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie. Hiertoe voert de raad aan dat hij bij de voorbereiding van het voorheen geldende plan de locaties in Oostvoorne die in aanmerking komen voor woningbouw heeft geïnventariseerd en dat het gelet op de omstandigheid dat een deel van deze locaties nog niet is bebouwd, niet wenselijk is in het thans bestreden plan aanvullende woningbouwlocaties op te nemen. Het perceel van [appellanten sub 1] is in het voorheen geldende plan niet aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie, aldus de raad.

Tevens stelt de raad zich op het standpunt dat het perceel van [appellanten sub 1] onderdeel uitmaakt van een overwegend groene zone gelegen tussen aangrenzende woonbebouwing. De raad voert aan veel waarde te hechten aan het zoveel mogelijk behouden van deze groene zone en dat het gelet hierop niet gewenst is op het perceel van [appellanten sub 1] in het plan de mogelijkheid te bieden een of twee woningen te realiseren.

4.2. Aan het perceel van [appellanten sub 1] is in het plan de bestemming "Tuin-2" toegekend.

Ingevolge artikel 16 van de planregels is het niet mogelijk op gronden met de bestemming "Tuin-2" een of meer woningen te realiseren.

Het perceel is gelegen binnen de in de Verordening aangegeven bebouwingscontour.

4.3. Wat betreft de door [appellanten sub 1] aangevoerde omstandigheid dat het perceel is gelegen binnen de in de Verordening aangegeven bebouwingscontour, stelt de Afdeling vast dat uit de Verordening niet volgt dat de raad verplicht is de realisatie van nieuwe woningen mogelijk te maken op gronden gelegen binnen de bebouwingscontour.

4.4. Het uitgangspunt van de raad om het realiseren van nieuwe woningen in het plan alleen dan toe te staan, indien de desbetreffende locatie in het voorheen geldende plan was aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie, acht de Afdeling niet onredelijk. De raad heeft onweersproken gesteld dat het perceel van [appellanten sub 1] in het voorheen geldende plan niet was aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat woningbouw in een overwegend groene zone niet wenselijk is. De raad heeft dan ook in redelijkheid het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel van [appellanten sub 1] in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

4.5. Over de door [appellanten sub 1] gemaakte vergelijking met percelen aan de Overboslaan, de Zandweg, de Van der Meerweg en het perceel aan de Rietdijk 6-B, wordt het volgende overwogen.

Wat enkele percelen aan de Overboslaan betreft, heeft de raad toegelicht dat de woningen ter plaatse meer dan tien jaar geleden legaal zijn gebouwd en dat in het plan in zoverre een reeds bestaande situatie als zodanig wordt bestemd.

Ten aanzien van enkele percelen aan de Zandweg en de Van der Meerweg, heeft de raad toegelicht dat deze percelen in het voorheen geldende plan reeds zijn aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie.

Wat het perceel aan de Rietdijk 6-B betreft, heeft de raad voorts toegelicht dat ter compensatie van de sanering van glastuinbouw een vergunning is verleend voor de bouw van twee woningen ter plaatse, welke vergunning ten tijde van de vaststelling van het plan onherroepelijk was.

In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 1] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

4.6. De betogen falen.

5. [appellanten sub 1] betogen tevens dat voor zover de bestemming "Wonen" niet kan worden toegekend aan hun perceel, de bestemming "Agrarisch" in plaats van de bestemming "Tuin-2" aan hun perceel had moeten worden toegekend.

Hiertoe voeren [appellanten sub 1] aan dat zij overeenkomstig het vorige bestemmingsplan de mogelijkheid wensen te behouden hun perceel voor een agrarische bedrijfsvoering te gebruiken. De binnen de bestemming "Tuin-2" toegestane gebruiksmogelijkheid om op het perceel hobbymatig dieren te houden en gewassen te telen achten [appellanten sub 1] ontoereikend.

Voorts voeren [appellanten sub 1] hiertoe aan dat de raad binnen het reeds vastgestelde bestemmingsplan "Dorpsgebied Rockanje Noord" aan enkele percelen de bestemming "Agrarisch" heeft toegekend overeenkomstig het voor deze percelen geldende vorige plan. Volgens hen is het daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat de raad aan hun perceel niet opnieuw de bestemming "Agrarisch" heeft toegekend.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd, zodat een agrarische bestemming niet langer passend is. In dit verband voert de raad tevens aan dat gelet op de ligging en de omvang van het perceel niet is te verwachten dat het perceel op bedrijfsmatige wijze agrarisch zal worden gebruikt. [appellanten sub 1] hebben bovendien niet aangegeven hoe zij het perceel agrarisch in gebruik wensen te nemen, aldus de raad.

5.2. Niet in geschil is dat onder het voorgaande bestemmingsplan aan het perceel van [appellanten sub 1] een agrarische bestemming was toegekend. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Vaststaat dat het perceel al sinds langere tijd niet meer op bedrijfsmatige wijze agrarisch wordt gebruikt. [appellanten sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt een actueel en concreet voornemen te hebben een agrarisch bedrijf op hun perceel te starten. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een agrarische bestemming voor het perceel van [appellanten sub 1] niet langer passend is.

5.3. Over de door [appellanten sub 1] gemaakte vergelijking met het bestemmingsplan "Dorpsgebied Rockanje Noord" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat voor enkele percelen binnen het bestemmingsplan "Dorpsgebied Rockanje Noord" planologische ontwikkelingen zijn voorzien die ten tijde van de vaststelling van dat plan weliswaar nog onvoldoende concreet waren, maar die het wel rechtvaardigden om in afwachting daarvan aan deze percelen de bestemming toe te kennen overeenkomstig het vorige plan, waaronder de bestemming "Agrarisch". In hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellanten sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

5.4. De betogen falen.

6. [appellanten sub 1] betogen voorts dat hun huidige gebruik van het perceel binnen de bestemming "Tuin-2" niet langer mogelijk wordt gemaakt.

Verder betogen [appellanten sub 1] dat zij hun perceel niet in gebruik kunnen nemen als tuin, omdat zij geen aangrenzend perceel in eigendom hebben met een hoofdgebouw.

6.1. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Tuin-2" aangewezen gronden bestemd voor:

a. tuinen;

b. het hobbymatig houden van dieren en/of het telen van gewassen;

c. water;

d. parkeervoorzieningen.

6.2. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] hun bestaande gebruik door middel van foto’s toegelicht. De Afdeling ziet op grond van deze foto’s geen aanleiding voor het oordeel dat met het toegestane gebruik binnen artikel 16, lid 16.1, onder a en b, van de planregels niet wordt aangesloten bij het ter zitting toegelichte bestaande gebruik van het perceel.

6.3. Wat het betoog van [appellanten sub 1] betreft dat zij hun perceel niet in gebruik kunnen nemen als tuin, omdat zij geen aangrenzend perceel in eigendom hebben met een hoofdgebouw, overweegt de Afdeling dat weliswaar in het ontwerpplan in de planregels binnen de bestemming "Tuin-2" bij het gebruik als tuinen een relatie was gelegd met de op aangrenzende gronden aanwezige hoofdgebouwen, maar dat deze relatie in het vastgestelde plan niet in de planregels is opgenomen, zodat het plan niet in de weg staat aan gebruik van het perceel als tuin.

6.4. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat met de bestemming "Tuin-2" voor het perceel van [appellanten sub 1] het huidige gebruik en het gebruik als tuin niet als zodanig zijn bestemd.

De betogen falen.

Het beroep van [appellant sub 2]

7. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Tuin-2" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Oostvoorne, sectie […], nummer […]. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Tuin-2" in plaats van de bestemming "Wonen" aan zijn perceel is toegekend. Hij wenst op zijn perceel een woning te kunnen realiseren in verband met toekomstige mantelzorg. Hij voert aan dat hij beschikt over een notariële akte waarin is vastgelegd dat in het verleden op het perceel een kamphuis is gebouwd. Gelet hierop dient te worden aangenomen dat het realiseren van een woning op het perceel ruimtelijk aanvaardbaar is, aldus [appellant sub 2].

Ten aanzien van de door de raad aangevoerde omstandigheid dat het niet wenselijk is een woning op het perceel te realiseren, omdat het perceel onderdeel is van het Natura 2000-gebied "Voornes Duin", betoogt [appellant sub 2] dat gelet op de omstandigheid dat binnen de bestemming "Tuin-2" de bouw van een bijgebouw of overkapping is toegestaan, ervan kan worden uitgegaan dat het Natura 2000-gebied ook niet in de weg staat aan de bouw van een woning op zijn perceel. In dit verband voert hij tevens aan dat het gemeentebestuur recentelijk vergunning heeft verleend voor de herbouw van de "Koepel Zeeburg" binnen het Natura 2000-gebied "Voornes Duin".

Voorts betoogt [appellant sub 2] dat in het plan aan de percelen aan de Duinoordseweg 51-A en de F.H.G. van Itersonlaan 58 wel de bestemming "Wonen" is toegekend. Volgens hem is het daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat aan zijn perceel niet de bestemming "Wonen" is toegekend.

7.1. De raad stelt dat bij het niet toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel van [appellant sub 2] doorslaggevend is geweest dat het perceel in het voorheen geldende plan niet was aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie.

Tevens stelt de raad, gelet op de ligging van het perceel in een Natura 2000-gebied, niet bereid te zijn om medewerking te verlenen aan het realiseren van een woning op het perceel.

7.2. Aan het perceel van [appellant sub 2] is in het plan de bestemming "Tuin-2" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.2, aanhef en onder a, van de planregels is op gronden waaraan de bestemming "Tuin-2" is toegekend per bouwperceel ten hoogste één bijgebouw of overkapping toegestaan, met dien verstande dat de oppervlakte ten hoogste 10 m2 bedraagt en de bouwhoogte ten hoogste 3 meter bedraagt.

Ingevolge artikel 16 is het niet mogelijk op gronden met de bestemming "Tuin-2" een woning te realiseren.

7.3. Zoals hiervoor in 4.4 is overwogen, acht de Afdeling het uitgangspunt van de raad om het realiseren van nieuwe woningen in het plan alleen dan toe te staan, indien de desbetreffende locatie in het voorheen geldende plan was aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie, niet onredelijk. De raad heeft onweersproken gesteld dat het perceel van [appellant sub 2] in het voorheen geldende plan niet was aangemerkt als toekomstige inbreidingslocatie. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat vanwege de ligging van het perceel van [appellant sub 2] in het Natura 2000-gebied "Voornes Duin" het realiseren van een woning op het perceel ter plaatse ongewenst is uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de omstandigheid dat binnen de bestemming "Tuin-2" de bouw van één bijgebouw of overkapping is toegestaan, niet betekent dat ook de bouw van een woning binnen het Natura 2000-gebied ruimtelijk aanvaardbaar moet worden geacht, gelet op de grotere omvang van een zodanige ontwikkeling, welk standpunt de Afdeling niet onredelijk acht.

De door [appellant sub 2] aangevoerde omstandigheden dat hij beschikt over een notariële akte waarin is vastgelegd dat in het verleden op het perceel een kamphuis is gebouwd en dat hij de te bouwen woning wenst te gebruiken voor mantelzorg, kunnen niet tot het oordeel leiden dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van een woning op het perceel in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Hiertoe overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] ter zitting desgevraagd heeft medegedeeld dat het kamphuis reeds in de jaren ’60 is gesloopt. Daarnaast heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alternatieven mogelijk zijn om de door [appellant sub 2] gewenste mantelzorg te realiseren.

De overige door de raad in de zienswijzennota aangevoerde en door [appellant sub 2] bestreden omstandigheden waarom de bouw van een woning op het perceel voorts niet wenselijk is, behoeven geen afzonderlijke bespreking, omdat de raad deze omstandigheden niet als dragende argumenten aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel van [appellant sub 2] in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

7.4. Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de bouw van de "Koepel Zeeburg" binnen het Natura 2000-gebied "Voornes Duin" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat dit een herbouw betreft van een in de Tweede Wereldoorlog vernietigde koepel waarvoor het college van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 heeft verleend. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

7.5. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met de bestemming "Wonen" die is toegekend aan de percelen aan de Duinoordseweg 51-A en de F.H.G. van Itersonlaan 58, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat het perceel aan de Duinoordseweg 51-A in het voorheen geldende plan was aangemerkt als inbreidingslocatie en het perceel aan de F.H.G. van Itersonlaan 58 in het voorheen geldende plan reeds was bestemd als "Wonen". In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

7.6. De betogen falen.

8. De beroepen zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

271-810.