Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201307483/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:2774, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] om een persoonsgebonden gedoogbeschikking ten behoeve van permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie A] te Haaren buiten behandeling gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/472
JOM 2015/441
AB 2014/439

Uitspraak

201307483/1/A1.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 juli 2013 in zaak nr. 13/690 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaren.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het verzoek van [appellante] om een persoonsgebonden gedoogbeschikking ten behoeve van permanente bewoning van de recreatiewoning op het perceel [locatie A] te Haaren buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 januari 2013 vernietigd en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Martens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

2. Bij besluit van 25 oktober 2005 heeft het college de beleidsregels "Handhaving gemeente Haaren op bestaande gevallen van onrechtmatige bewoning van recreatieverblijven" (hierna: het beleid) vastgesteld. In dit beleid is opgenomen dat aan personen die vóór 31 oktober 2003 (hierna: de peildatum) permanent in een recreatiewoning hebben gewoond - onder voorwaarden - een persoonsgebonden gedoogbeschikking kan worden verleend. De aanvrager dient de permanente bewoning van de recreatiewoning met bewijsstukken aan te tonen.

3. Bij aanvraagformulier van 19 mei 2006 heeft [appellante] het college verzocht om een persoonsgebonden gedoogbeschikking. Daarop heeft zij aangegeven niet te kunnen aantonen vóór de peildatum permanent in de recreatiewoning te hebben gewoond.

Bij brieven van 17 juli 2006 en 19 maart 2012 heeft het college [appellante] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken ontbrekende informatie, te weten bewijsstukken waaruit blijkt dat dat zij permanent in de recreatiewoning woonde alsmede een bouwvergunning/door de gemeente goedgekeurde tekeningen, te overleggen en haar erop gewezen dat indien de stukken niet worden overgelegd, het verzoek niet in behandeling kan worden genomen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar verzoek niet buiten behandeling mocht stellen. Daartoe voert zij aan dat nu zij te kennen heeft gegeven niet aan de voorwaarden voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking te kunnen voldoen, er voldoende informatie beschikbaar was om haar verzoek af te wijzen. In dit verband heeft zij aangegeven, dat haar belang bij een afwijzing erin is gelegen dat zij daartegen rechtsmiddelen wil aanwenden, in welke procedures zij de onrechtvaardige consequenties van het door het college in dit verband gevoerde beleid aan de orde kan stellen. Het uitlokken van een handhavingsprocedure waarin dit zou kunnen, kan naar zij stelt niet proportioneel worden geacht.

4.1. [appellante] heeft het college onder meer bij brieven van 4 augustus 2006 en 21 maart 2012 medegedeeld dat zij zich ervan bewust is dat zij op grond van het beleid niet voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking in aanmerking komt, omdat zij niet vóór de peildatum permanent in de recreatiewoning heeft gewoond, maar desondanks een verzoek daartoe heeft ingediend om het beleid van het college in rechte aan de orde te kunnen stellen. Tevens heeft [appellante] aangegeven dat nu zij niet aan voornoemde voorwaarde kan voldoen, wat haar betreft geen noodzaak bestaat om de gevraagde bouwvergunning/door de gemeente goedgekeurde tekeningen te overleggen.

Met de door haar verstrekte informatie heeft [appellante] voldaan aan artikel 4:2, tweede lid, van de Awb. Daartoe wordt overwogen dat aan het college ter beoordeling voorlag of [appellante], gelet op het door hem gevoerde beleid, voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking in aanmerking zou komen. Uit de door haar verstrekte informatie was duidelijk dat zij niet voldeed aan de in dat beleid opgenomen voorwaarde van permanente bewoning van de recreatiewoning vóór de peildatum. Onder deze omstandigheden kon het college in redelijkheid niet overgaan tot het desondanks opvragen van bewijsstukken die aantonen dat zij daar toen wel permanent heeft gewoond. Evenmin kan staande worden gehouden dat het voor de beoordeling van de aanvraag nodig was dat [appellante] een bouwvergunning/door de gemeente goedgekeurde tekeningen zou overleggen. Nu op basis van de door [appellante] verstrekte informatie reeds zonder meer duidelijk was dat zij niet aan het beleid voldeed, beschikte het college bovendien over voldoende gegevens en bescheiden om de aanvraag te beoordelen, zodat het niet heeft kunnen besluiten die aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb niet te behandelen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep ongegrond verklaren. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

5.1. Desgevraagd heeft het college ter zitting verklaard dat het, wanneer het inhoudelijk op het verzoek van [appellante] zou hebben besloten, dat verzoek had afgewezen, omdat [appellante] heeft medegedeeld dat zij niet vóór de peildatum permanent in de recreatiewoning heeft gewoond en derhalve niet aannemelijk kon maken dat zij aan die in het beleid gestelde voorwaarde om voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking in aanmerking te komen, voldeed.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer 4 juli 2007 in zaak nr. 200609277/1), is de schriftelijke weigering om te gedogen, behoudens bijzondere gevallen, niet aan te merken als een besluit in de zin van 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat een dergelijke weigering, gelet op artikel 1:5, eerste en tweede lid, van die wet, niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. Een bijzonder geval doet zich thans niet voor. In het betoog van [appellante] dat het disproportioneel moet worden geacht wanneer zij handhaving moet uitlokken teneinde een rechtsingang te krijgen waarin zij het door het college gevoerde beleid aan de orde kan stellen, is geen aanleiding gelegen voor een ander oordeel, nu zij ook een omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan kan aanvragen en desgewenst rechtsmiddelen kan aanwenden tegen een daarop genomen besluit.

Nu een weigering van het college om aan [appellante] een persoonsgebonden gedoogbeschikking te verlenen, niet zou worden aangemerkt als een besluit, zouden daartegen geen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Wanneer [appellante] daartegen bezwaar zou hebben gemaakt, zou dat bezwaar derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Nu deze conclusie overeenkomt met het besluit van 10 januari 2013, ziet de Afdeling aanleiding om het tegen dat besluit door haar gemaakte beroep ongegrond verklaren. In dat verband acht de Afdeling van belang dat het door [appellante] gestelde belang dat zij het door het college gevoerde beleid ten aanzien van persoonsgebonden gedoogbeschikkingen in rechte aan de orde zou kunnen stellen wanneer de Afdeling het college opdraagt alsnog een besluit te nemen op het door haar ingediende verzoek, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, niet kan worden bereikt. Voorts hecht de Afdeling er belang aan dat er een einde komt aan deze procedure, die reeds op 19 mei 2006 is aangevangen.

6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 juli 2013 in zaak nr. 13/690;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haaren aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht in hoger beroep ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

414-713.