Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201305960/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305960/1/R3.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te 's-Hertogenbosch,

en

de raad van de gemeente 's-Hertogenbosch,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Binnenstad" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door A.C.H.M. Habraken, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. G.J.B.C. Maton, advocaat te 's-Hertogenbosch, als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant], bewoner van het appartement [locatie 1], betoogt dat ter plaatse van het dakterras op het platte dak van de bijgebouwen behorende bij de appartementen [locatie 2]-[locatie 3] op de verbeelding ten onrechte de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakterras uitgesloten" is toegekend. Gelet op de verleende bouwvergunningen van 20 maart 2000 en 22 juli 2003 en onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch (thans: Oost-Brabant) van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RBSHE:2005:AS5805) is het gebruik van het betreffende dak als dakterras volgens [appellant] toegestaan. Het enkel hier niet toestaan van een bestaand dakterras is in strijd met het gemeentelijke beleid en daarmee tevens in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Als de raad in het verleden te kennen zou hebben gegeven dat ter plaatse geen dakterras zou zijn toegestaan, dan kan de raad daar geen beroep meer op doen, omdat het gemeentelijke beleid wat betreft het toestaan van dakterrassen ten tijde van de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan was gewijzigd.

2.1. De raad stelt dat het op de bijgebouwen aangelegde dakterras, waarop de bestreden aanduiding betrekking heeft, anders dan het dakterras waarover de rechtbank voornoemde uitspraak heeft gedaan, grenst aan de slaapkamer van [belanghebbende], die op het perceel [locatie 4] woont. De verleende bouwvergunningen zien niet op het gebruik van dit dak als dakterras. Gelet op de eerder gedane uitlatingen van de raad in het voorbereidingsbesluit van 23 september 1999, waarin is opgenomen dat in verband met de privacy van onder meer [belanghebbende] geen dakterras is toegestaan in de nabijheid van onder meer het perceel [locatie 4], en de omstandigheid dat [appellant] reeds beschikt over een dakterras, heeft de raad voor het op deze bijgebouwen aangelegde dakterras een uitzondering gemaakt op het beleid dat bestaande dakterrassen zijn toegestaan.

2.2. Het platte dak van de bijgebouwen behorende bij de appartementen aan de [locatie 2]-[locatie 3] is door [appellant] in gebruik als dakterras. Hieraan is de bestemming "Centrum" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakterras uitgesloten" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.2, onder n, van de planregels geldt binnen de bestemming "Centrum" voor bestaande dakterrassen - met uitzondering van de locatie met de specifieke bouwaanduiding "dakterrassen uitgesloten" - dat deze zijn toegestaan, zoals deze aanwezig waren ten tijde van inwerkingtreding van dit plan; voor nieuwe dakterrassen geldt dat deze zijn toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1. de dakterrassen mogen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg;

2. de hoogte van afscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m, gemeten ten opzichte van de vloer waarop wordt gebouwd en worden uitgevoerd in een open transparante constructie;

3. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van cultuurhistorische waarden.

Ingevolge het bepaalde onder 4.2.3, aanhef en onder e, geldt bij aan- en bijgebouwen voor dakterrassen het bepaalde onder 4.2.2, onder n.

Ingevolge lid 4.5, onder c, is ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding "dakterrassen uitgesloten" het gebruik als dakterras verboden.

2.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant] twee dakterrassen in gebruik heeft. Het dakterras op het platte dak van het hoofdgebouw ligt binnen de bestemming "Centrum". Hieraan is niet de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakterras uitgesloten" toegekend, zodat dit bestaande dakterras is toegestaan. Het dakterras op het dak van de bij de appartementen aan de [locatie 2]-[locatie 3] behorende bijgebouwen is, anders dan in het ontwerpplan, voorzien van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - dakterras uitgesloten".

Bij de vaststelling van het plan heeft de raad als beleid gehanteerd dat bestaande dakterrassen, zoals deze aanwezig waren ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, zijn toegestaan. De raad heeft het dakterras op de bijgebouwen niet willen toestaan en is daarmee afgeweken van dit beleid vanwege de in het verleden gedane toezegging aan [belanghebbende], inhoudende dat dit nabij haar slaapkamer gelegen dakterras niet zou worden toegestaan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van [belanghebbende], en de omstandigheid dat [appellant] reeds beschikt over een dakterras. Hoewel deze toezegging is gedaan onder het oude beleid dat ten tijde van de vaststelling van het plan was gewijzigd, kunnen dergelijke bijzondere omstandigheden evenwel ertoe leiden dat wordt afgeweken van het aan het plan ten grondslag gelegde gemeentelijke beleid. De raad is hiervan gemotiveerd afgeweken, waarbij de raad naar het oordeel van de Afdeling aan het belang van [belanghebbende] bij vrijwaring van een dakterras in de nabijheid van haar slaapkamer in redelijkheid doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bestaande dakterras op het hoofdgebouw, dat ook in gebruik is bij [appellant], wel is toegestaan. Voorts is van belang dat de rechtbank in de uitspraak van 11 februari 2005 zich niet heeft uitgelaten over het dakterras op de bijgebouwen en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor de aanleg van dit dakterras een omgevingsvergunning is verleend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situaties bij de andere bestaande dakterrassen in het plangebied, die overeenkomstig het gemeentelijke beleid in het plan zijn toegestaan, niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

2.4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Bongertman, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Bongertman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

709.