Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201306095/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Echt - Stedelijk Gebied 2013" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306095/1/R1.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Echt, gemeente

Echt-Susteren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Echt - Stedelijk Gebied 2013" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2013, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. B. Baan, advocaat te Etten-Leur, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J.H. Siega-Gulikers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het plan wordt beoogd te komen tot een actuele en uniforme regeling voor het stedelijk gebied van Echt ter vervanging van twaalf tot dusverre geldende bestemmingsplannen. Het vastleggen van de bestaande situatie in combinatie met het opnieuw vastleggen van de gebruiks- en bouwmogelijkheden van woningen en bedrijven overeenkomstig de meest actuele beleidsruimte, staat voorop.

3. [appellant A] en [appellant B] die wonen op het perceel [locatie 1], betogen dat aan het naastgelegen [locatie 2] ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend. Volgens hen is dit in strijd met het in de Structuurvisie 2012 - 2025 (hierna: Structuurvisie), vastgesteld op 12 december 2012, van de gemeente Echt-Susteren opgenomen beleid om bij bestemmingsplanherzieningen bouwtitels die nog niet zijn benut, in te trekken, alsmede hetgeen in de plantoelichting is vermeld over het intrekken van onbenutte woningbouwmogelijkheden.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat sprake is van een conserverend plan, zodat dient te worden uitgegaan van de bestaande situatie wat betreft gebruik en bebouwing en geldende rechten. Ter plaatse gold het wijzigingsplan "Woning Dorpstraat - Slekkerstraat, Pey", in verband waarmee voor het perceel [locatie 2] alsnog een woonbestemming kon worden opgenomen, hetgeen zich volgens de raad verdraagt met de Structuurvisie en het in de plantoelichting vermelde beleid.

3.2. De Structuurvisie vermeldt het volgende over het Intrekkingsbeleid particuliere bouwrechten:

"Particuliere bouwrechten in zowel het stedelijk als het buitengebied worden eveneens betrokken bij de sanering van het overschot aan plancapaciteit en het komen tot een woningvoorraad die aansluit bij de behoefte. We maken daarbij een onderscheid tussen bouwtitels en bouwvergunningen. Momenteel zijn er ruim 160 niet gebruikte particuliere woningbouwrechten in buitengebied en stedelijk gebied. Ze vormen een onzekere factor voor het gemeentelijk woningbouwprogramma. Om deze onzekerheid (op termijn) te reduceren is onze inzet erop gericht (op termijn) te komen tot een reductie van particuliere bouwrechten. We verkondigen daarom met ingang van deze structuurvisie dat we ons het recht voorbehouden om actief gebruik te maken van de beperkte geldigheid van bestemmingsplannen. Dit betekent dat we bij bestemmingsplanherzieningen de bouwtitels die nog niet zijn benut (eventueel met behulp van een overgangsregeling) (kunnen) intrekken. Verleende bouwvergunningen voor woningen die nog niet in uitvoering zijn kunnen door het College van Burgemeester en Wethouders ingetrokken worden als voldaan wordt aan de wettelijke voorwaarden. Over deze regeling zullen we tijdig en actief communiceren naar betrokkenen. Met het verlenen van nieuwe bouwrechten zijn we zeer terughoudend, vragen we een bijdrage ten behoeve van kwaliteitsverbetering elders in het stedelijk gebied en stellen we een deadline voor realisatie."

De plantoelichting vermeldt het volgende:

"§ 5.3 Planaspecten

Onderhavig bestemmingsplan vormt een conserverend bestemmingsplan. De huidige situatie wordt vertaald in het bestemmingsplan. Het plan heeft geen ruimtelijke of functionele gevolgen voor de plangebieden.

In de vigerende bestemmingsplannen zijn mogelijkheden opgenomen voor het oprichten van een woning. Deze bouwtitels worden in dit bestemmingsplan nog gerespecteerd.

Binnen de gemeente Echt-Susteren is momenteel sprake van ruim 160 niet gebruikte particuliere woningbouwrechten in het buitengebied en stedelijk gebied. Deze rechten vormen een onzekere factor voor het gemeentelijk woningbouwprogramma. Om te voorkomen dat beoogde planmatige woningbouwontwikkelingen in de toekomst gefrustreerd worden door particuliere initiatieven, is voor de locaties met een vigerende bouwtitel, maar waar nog geen concrete bouwplannen voor zijn ingediend, een globale woonbestemming met uitwerkingsplicht opgenomen. Concreet betekent dit dat dat ten aanzien van deze locaties de bestemming eerst dient te worden uitgewerkt, door middel van een uitwerkingsplan, voordat er omgevingsvergunningen voor het bouwen kunnen worden verleend. Het uitwerkingsplan dient door het college van burgemeester en wethouders te worden opgesteld binnen de kaders van de uitwerkingsregels zoals deze zijn opgenomen in het bestemmingsplan.

Het uitwerkingsplan moet binnen de planperiode (10 jaar) van het moederplan uitgewerkt worden. Indien een uitwerkingsplan is opgesteld maakt het plan deel uit van het bestemmingsplan.

Worden de uitwerkingsplichten uit het bestemmingsplan niet uitgewerkt, dan zal de gemeente de bouwmogelijkheden van deze percelen laten vervallen. Met het intrekken van deze dan nog onbenutte woningbouwmogelijkheden wordt gevolg gegeven aan bijvoorbeeld het beleid uit de Provinciale Woonvisie Limburg (d.d. 1 februari 2011). Omdat sprake is van een (grote) overcapaciteit aan woningbouwmogelijkheden wordt met sanering van de bouwrechten gekomen tot een woningvoorraad die aansluit bij de behoefte."

3.3. Wat betreft de gestelde strijd met de Structuurvisie overweegt de Afdeling dat hierin is aangegeven dat bouwtitels die nog niet zijn benut - eventueel met behulp van een overgangsregeling - kunnen worden ingetrokken en dat hierover tijdig en actief zal worden gecommuniceerd met betrokkenen. Nu de Structuurvisie op 12 december 2012 minder dan een maand voor het vaststellen van het plan is vastgesteld, de Structuurvisie de mogelijkheid openhoudt dat bouwmogelijkheden niet worden ingetrokken dan wel een overgangsregeling wordt getroffen waaraan de raad nog geen invulling heeft kunnen geven, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en [appellant B] aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel, dat het plan in strijd met de structuurvisie is vastgesteld.

Wat de gestelde strijd met het beleid dat is vermeld in paragraaf 5.3 van de plantoelichting overweegt de Afdeling het volgende. In deze paragraaf wordt aangegeven dat in vigerende bestemmingsplannen opgenomen mogelijkheden voor het oprichten van een woning in dit bestemmingsplan nog worden gerespecteerd. In de paragraaf wordt tevens vermeld dat voor locaties met een vigerende bouwtitel waarvoor nog geen concrete bouwplannen zijn ingediend een globale woonbestemming met uitwerkingsplicht wordt opgenomen. Niet in geschil is dat voor de locatie [locatie 2] in het vorige bestemmingsplan "Woning Dorpsstraat/Slekkerstraat, Pey" een bouwmogelijkheid is opgenomen en dat op 10 oktober 2007 een bouwvergunning is verleend. Weliswaar is deze bouwvergunning later ingetrokken maar de raad is ervan uitgegaan dat de rechthebbenden op deze locatie, [partij A] en [partij B], hun oorspronkelijke aanvraag alsnog willen realiseren. [partij A] en [partij B] hebben ter zitting bevestigd, dat zij hun oorspronkelijke aanvraag alsnog willen realiseren. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan ten onrechte is uitgegaan van het bestaan van een concreet bouwplan voor de locatie [locatie 2]. Gezien het voorgaande is het plan in zoverre niet in strijd met het in de plantoelichting vermelde beleid vastgesteld.

Voor zover [appellant A] en [appellant B] met een beroep op het gelijkheidsbeginsel hebben betoogd dat aan de percelen AC6216, 6693 en 6091 die in het vorige bestemmingsplan een directe woontitel hadden, in het vastgestelde plan wel de bestemming "Wonen - Uit te werken" is toegekend, overweegt de Afdeling dat - daargelaten in hoeverre sprake is van gelijke gevallen - het gelijkheidsbeginsel niet ertoe noopt dat de raad in het nadeel van [partij A]en [partij B] van zijn beleid had moeten afwijken.

4. [appellant A] en [appellant B] vrezen voor wateroverlast en betogen dat in het plan ten onrechte geen regeling is opgenomen voor de peilhoogte van het aan hun perceel [locatie 1] grenzende perceel [locatie 3]. Zij stellen dat overtollig water van hun perceel thans afvloeit naar het perceel [locatie 2]. Volgens hen dient te worden gewaarborgd dat de afwatering op deze wijze kan worden gecontinueerd. Zij betwijfelen of op grond van een omgevingsvergunning voor bouwen een voorschrift met betrekking tot de peilhoogte kan worden opgenomen, zodat een regeling ter zake moet worden opgenomen in het bestemmingsplan.

4.1. De raad heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2009 in zaak nr. 200807502/1/R2 op het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de goedkeuring van het wijzigingsplan "Woning Dorpstraat - Slekkerstraat, Pey" op het standpunt gesteld dat in het kader van een omgevingsvergunning voor bouwen afdoende maatregelen kunnen worden getroffen om wateroverlast als gevolg van bebouwing op het perceel [locatie 2] te voorkomen.

4.2. De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 29 juli 2009 op het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen de goedkeuring van het wijzigingsplan "Woning Dorpstraat - Slekkerstraat, Pey" overwogen, dat geen wateroverlast op het perceel van [appellant A] en [appellant B] ontstaat ten gevolge van het plan indien het plangebied niet wordt opgehoogd. Voorts is overwogen dat gezien de deskundigenrapporten en het STAB-advies er technische maatregelen kunnen worden getroffen om negatieve hydrologische gevolgen van het ophogen van het aangrenzende perceel [locatie 2] tegen te gaan, alsmede dat de vraag welke maatregelen de voorkeur verdienen, niet in deze procedure aan de orde kan komen, maar bij de aanvraag van een bouwvergunning voor een concreet plan. In hetgeen [appellant B] en [appellant A] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding om terug te komen op hetgeen in de uitspraak van 29 juli 2009 is overwogen.

5. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de goothoogte voor het bouwvlak op het perceel [locatie 2] maximaal 6 m in plaats van 7 m dient te bedragen.

5.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om voor de locatie [locatie 2] een lagere goothoogte vast te stellen dan de standaard goothoogte van 7 m die in de omgeving is gehanteerd.

5.2. Uit de verbeelding blijkt dat 7 m de standaard maximumgoothoogte in de omgeving is. In de niet met concrete bezwaren onderbouwde beroepsgrond van [appellant A] en [appellant B] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor het perceel [locatie 2] heeft kunnen uitgaan van de standaard maximumgoothoogte.

6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel [locatie 2] met zich brengt dat een exploitatieplan had moeten worden opgesteld.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming "Wonen" voor het perceel [locatie 2] niet met zich brengt dat een exploitatieplan had moeten worden opgesteld, omdat het plan voor het perceel [locatie 2] voorziet in een bouwmogelijkheid die ook bestond op grond van het wijzigingsplan "Woning Dorpstraat - Slekkerstraat, Pey".

6.2. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig vastgesteld bestemmingsplan.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, wordt als belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 6.12, eerste en tweede lid, in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6.3. Het betoog van [appellant A] en [appellant B] richt zich tegen het niet vaststellen van financiële delen van een exploitatieplan dat het perceel [locatie 2] omvat. Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant A] en [appellant B] niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat zij geen eigenaar zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant A] en [appellant B] die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de financiële delen van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van de desbetreffende delen van het exploitatieplan. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] en anderen is in zoverre niet-ontvankelijk.

7. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

191.