Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201306902/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:1953, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 6 oktober 2011 heeft [appellante] een verzoek gedaan om informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306902/1/A3.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Apeldoorn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2013 in zaak nr. 12/1034 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn.

Procesverloop

Bij brief van 6 oktober 2011 heeft [appellante] een verzoek gedaan om informatie.

Bij brief van 4 november 2011 heeft [appellante] een ingebrekestelling gestuurd.

Op 25 juli 2013 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] inzake niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak op 27 maart 2014 ter zitting aan de orde gesteld.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het derde lid wordt onder een aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 45 geldt een beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 35 voor zover deze is genomen door een bestuursorgaan als een besluit in de zin van de Awb.

2. Op 6 oktober 2011 heeft [appellante] verzocht om een kopie van een declaratie en een kopie van alle correspondentie en gemaakte aantekeningen inzake het verrekenen van haar bijstandsuitkering met het UWV. Wegens het uitblijven van een reactie heeft zij op 4 november 2011 een ingebrekestelling gestuurd. Op 7 juli 2012 heeft zij beroep ingesteld en verzocht om vaststelling van een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit onredelijk laat is ingesteld, als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb, nu [appellante] uit brieven van 28 november 2011 en 23 december 2011 had kunnen opmaken dat geen beslissing op haar verzoek zou volgen. Derhalve heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

4. [appellante] betoogt dat haar brief van 6 oktober 2011 een verzoek om informatie uit haar persoonlijke dossier betrof op grond van de Wbp. Zij betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte haar beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voert aan dat zij eerst toen duidelijk werd dat het college geen besluit zou nemen, beroep heeft ingesteld en het beroep derhalve niet onredelijk laat is ingesteld. Volgens [appellante] is bepalend voor het antwoord op de vraag of een beroep onredelijk laat is ingediend, of het bestuursorgaan er redelijkerwijs van mocht uitgaan dat de aanvrager geen prijs meer stelt op het nemen van een besluit. Deze situatie is in haar geval niet aan de orde. Voorts verzoekt [appellante] om vaststelling van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.

4.1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. De brief van 6 oktober 2011 is niet gericht aan het college, maar aan een bij de gemeente werkzame ambtenaar en bevat verwijten aan deze ambtenaar. Eerst in hoger beroep heeft [appellante] aangevoerd dat haar brief een verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp bevat. Nu in de brief de Wbp niet wordt genoemd en evenmin uit de inhoud ervan behoefde te worden afgeleid dat haar een verzoek op grond van de Wbp voor ogen stond, oordeelt de Afdeling dat de brief van 6 oktober 2011 geen verzoek ingevolge artikel 35 van de Wbp bevat. Dit betekent dat de in de Wbp genoemde beslistermijn niet van toepassing is.

De rechtbank heeft ten onrechte niet onderkend dat de brief, waarin om kopieën van stukken uit het persoonlijke dossier van [appellante] wordt gevraagd, ook niet als een Wob-verzoek is aan te merken, aangezien [appellante] niet heeft verzocht om openbaarmaking voor een ieder en zij ook de Wob niet heeft genoemd. De brief bevat evenmin een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, aangezien de reactie op de brief geen beslissing gericht op rechtsgevolg zou zijn. De rechtbank heeft niet onderkend dat de beslistermijn van de Wob noch die van de Awb van toepassing is.

Gelet op het voorgaande is niet-tijdig beslissen niet aan de orde en is het college geen dwangsom verschuldigd. Hieruit volgt dat hetgeen [appellante] verder in hoger beroep heeft aangevoerd geen bespreking behoeft.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank onbevoegd verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 juli 2013 in zaak nr. 12/1034;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het bij haar ingestelde beroep kennis te nemen;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

176-805.