Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201306956/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306956/1/V1.

Datum uitspraak: 14 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 juli 2013 in zaak nr. 12/30739 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.

2. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in het besluit van 14 september 2012, gelezen in samenhang met het voornemen daartoe, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling zijn relaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Hij voert aan dat de rechtbank een verkeerd toetsingskader heeft toegepast door een eigen invulling te geven aan de verklaringen van de vreemdeling tijdens het eerste gehoor. De staatssecretaris betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet is ingegaan op hetgeen de vreemdeling in de zienswijze heeft aangevoerd over de omstandigheden van de gestelde getuigenis van het verkeersconflict, zijn meldplicht en de uitgeoefende druk van de Iraanse autoriteiten.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 12 maart 2013 in zaak nr. 201205535/1/V4) gaat het bij de beoordeling van het asielrelaas meestal niet om de vraag of en in hoeverre een vreemdeling heeft bewezen dat het in zijn asielrelaas gestelde daadwerkelijk is voorgevallen. Een asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijs te staven. Om hem in zijn bewijspositie tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van zijn aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) gelezen in verbinding met artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en volgens het ter invulling daarvan vastgestelde beleid dat de staatssecretaris de verklaringen van een asielzoeker in beginsel geloofwaardig acht. Doet zich echter een omstandigheid als bedoeld in voormeld artikel 31, tweede lid, voor, dan zal van die verklaringen van de asielzoeker positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om het asielrelaas geloofwaardig te achten.

2.2. Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een asielzoeker in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering in voornemen en besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het door hem ingenomen standpunt heeft kunnen stellen.

2.3. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris de vreemdeling artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid heeft kunnen tegenwerpen, zodat van de verklaringen van de vreemdeling positieve overtuigingskracht heeft moeten uitgaan.

2.4. De vreemdeling heeft verklaard dat zijn toevallige getuigenis van een verkeersconflict tussen een luitenant van een ordedienst en een anderhalve maand later omgekomen jongen de aanleiding is geweest voor problemen tussen hem en de luitenant, die voor hem reden zijn geweest Iran te verlaten.

2.5. In het besluit, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste voornemen, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de vreemdeling over zijn getuigenis van het verkeersconflict en de handelwijze van de luitenant positieve overtuigingskracht missen, omdat de vreemdeling niet gedetailleerd heeft verklaard over het verkeersconflict, hij de tegenstrijdige verklaring over het huizenbezit van zijn familieleden en de door zijn zus afgegeven eigendomsakte van haar woning, als garantstelling voor het nakomen van beloftes aan de luitenant, niet heeft gecorrigeerd of aangevuld en het niet aannemelijk is dat de luitenant, gezien het tijdsverloop van anderhalve maand tussen de getuigenis van het verkeersconflict en de dood van de jongen, zoveel druk op de vreemdeling zou hebben uitgeoefend.

2.6. Gegeven de verklaring van de vreemdeling over de handelwijze van de luitenant bezien in het licht van de summiere omschrijving die de vreemdeling van het verkeersconflict heeft gegeven en zijn tegenstrijdige verklaringen over het huizenbezit van zijn directe familieleden waarop hij geen correcties of aanvullingen heeft aangebracht, heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat deze essentiële onderdelen van het asielrelaas positieve overtuigingskracht missen en dat het asielrelaas in zoverre niet geloofwaardig is. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich aldus in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling in zoverre niet in aanmerking komt voor een vergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

2.7. De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij, gezien zijn Koerdische achtergrond, zijn politieke overtuiging en zijn activiteiten voor de "Komala Partij - Iraans Koerdistan" in Nederland, na terugkeer in Iran een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Ter ondersteuning van zijn betoog heeft de vreemdeling een brief van de voorzitter van voornoemde partij in Nederland overgelegd met afdrukken van volgens die voorzitter op Facebook geplaatste foto's van bijeenkomsten waar de vreemdeling aan heeft deelgenomen.

4.1. In de brief heeft voormelde voorzitter gesteld dat de vreemdeling in Iran een sympathisant is geweest, dat hij daar informatie heeft verstrekt aan de bij de partij aangesloten kameraden en dat hij, sinds zijn komst naar Nederland, contact heeft met de hier gevestigde vertegenwoordiging van voormelde partij. In aanmerking genomen dat uit de brief de aard en omvang van de door de vreemdeling verrichte activiteiten noch de mate van zijn betrokkenheid blijkt, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt substantiële activiteiten voor voornoemde partij te hebben verricht en heeft de staatssecretaris zich, onder verwijzing naar het landgebonden asielbeleid voor Iran, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ook in zoverre niet in aanmerking komt voor een vergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4.2. Voorts heeft de vreemdeling weliswaar kopieën van twee groepsfoto's overgelegd, maar hieruit blijkt niet dat deze zijn gemaakt op bijeenkomsten van voornoemde partij in Nederland. De vreemdeling heeft dit ook op andere wijze niet aannemelijk gemaakt. De vreemdeling heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat deze foto's op Facebook zijn geplaatst, nog daargelaten welke betekenis daaraan gehecht zou moeten worden. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat die autoriteiten bekend zijn met zijn deelname aan bijeenkomsten van voornoemde partij in Nederland en dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van die autoriteiten is komen te staan.

4.3. De beroepsgrond faalt.

5. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij, nu hij op illegale wijze Iran heeft verlaten, door in Iran terug te keren strafbaar is en dat dit tot een gevangenisstraf kan leiden die, gezien de detentieomstandigheden in Iran, op zichzelf al een schending van artikel 3 van het EVRM zal opleveren.

5.1. Nu de vreemdeling de gestelde illegale uitreis noch de op hem rustende verdenking aannemelijk heeft gemaakt, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling evenmin aannemelijk gemaakt dat hij wegens een dreigende detentie een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

5.2. De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 5 juli 2013 in zaak nr. 12/30739;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Schuurman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2014

282-801.