Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201306807/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306807/1/A2.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 18 juni 2013 in zaak nr. 13/365 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2012 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Nadat partijen bij brieven van 25 oktober en 6 november 2013 daartoe toestemming, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, hadden verleend, heeft de Afdeling bepaald dat behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) heeft de raad tot taak om zorg te dragen voor de organisatie van, alsmede de verlening van rechtsbijstand.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van deze wet vallen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, kan de raad de toevoeging weigeren, indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar zijn oordeel eenvoudig afgehandeld kan worden.

De raad voert bij de toepassing van de Wrb het beleid, gepubliceerd in het Handboek Toevoegen, uitgave april 2007.

Volgens aantekening 9 bij artikel 12 "Noodzaak rechtsbijstand" vloeit de uitsluitingsgrond van artikel 12, tweede lid, onder g, van de Wrb voort uit de doelstelling van de wet, die ertoe strekt een voorziening te bieden voor bijstand van juridische aard. In een aantal gevallen zal weliswaar sprake zijn van een probleem, waarvoor de rechtzoekende hulp nodig heeft, doch in het kader van deze wet zal beoordeeld moeten worden of de noodzaak bestaat juridische bijstand te verlenen. Is juridische bijstand niet geïndiceerd, dan dient de aanvraag te worden afgewezen, waarbij de rechtzoekende zo nodig gewezen kan worden op andere meer geëigende vormen van hulpverlening, bijvoorbeeld hulpverlening van maatschappelijk werk, slachtofferhulp of een bureau sociaal raadslieden, aldus die aantekening.

2. [appellante] heeft een toevoeging gevraagd voor hulp door een advocaat bij het maken van bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van een aanvraag om een bijstandsuitkering wegens het niet tijdig verstrekken van de gevraagde gegevens.

3. De raad heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat [appellante] voor het maken van dat bezwaar geen juridische bijstand van een advocaat nodig heeft. Van haar mag worden verwacht dat zij zelf, al dan niet met de hulp van een derde die geen advocaat is, te kennen geeft, waarom zij de gevraagde gegevens niet of niet eerder heeft overgelegd, aldus de raad.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat zij zich desgewenst tot een persoon of instelling had kunnen wenden, van wie of waarvan de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van de Wrb vallen, zoals een bureau sociaal raadslieden, heeft miskend dat zij met een medewerker van een bureau sociaal raadslieden bij het Juridisch Loket is geweest en door dat loket naar een advocaat is verwezen.

5. De rechtbank heeft terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het buiten behandeling stellen van een aanvraag wegens het niet tijdig indienden van de gevraagde informatie niet zo complex is, dat juridische bijstand van een advocaat daarvoor is vereist.

Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wrb volgt dat de taak zorg te dragen voor het verlenen van rechtsbijstand aan de raad is opgedragen. De rechtbank heeft aan de verwijzing van het Juridisch Loket derhalve terecht niet de waarde toegekend die [appellante] daaraan gehecht wenste te zien.

Voorts heeft de rechtbank het bureau sociaal raadslieden slechts als voorbeeld genoemd van een instantie die in staat moet worden geacht te adviseren over het toepasselijke rechtsmiddel, de toepasselijke beslistermijnen en de te voeren procedure. Dat, naar [appellante] stelt, de door haar geraadpleegde medewerker van een bureau sociaal raadslieden haar niet heeft kunnen adviseren, maakt dat oordeel niet onjuist en laat onverlet dat [appellante] zich desgewenst tot een andere hulpverlener of hulpverlenende instantie, niet zijnde advocaat, had kunnen wenden.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

611.