Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1453

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201302292/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] over 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien vastgesteld op € 6.732,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302292/1/A2.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 januari 2013 in zaak nr. 12/9884 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] over 2008 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien vastgesteld op € 6.732,00.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 29 januari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 oktober 2012 vernietigd, het besluit van 8 mei 2012 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Een afschrift van het proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 februari 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. W.A. Timmer, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van een tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. Bij besluit van 22 december 2007 is [wederpartij] voor 2008 een voorschot kinderopvangtoeslag van € 10.371,00 toegekend voor kinderopvang via [gastouderbureau A]. Vanaf 1 september 2008 maakt [wederpartij] gebruik van kinderopvang via [gastouderbureau B].

Bij brief van 30 juni 2009 heeft de Belastingdienst [wederpartij] verzocht een overzicht van de daadwerkelijk gemaakte kosten van kinderopvang over 2008 te verstrekken. [wederpartij] heeft op 6 augustus 2009 hierop gereageerd.

Bij besluit van 8 mei 2012, gehandhaafd bij besluit van 9 oktober 2012, heeft de Belastingdienst het aan [wederpartij] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 herzien vastgesteld op € 6.732,00. Dit bedrag heeft betrekking op de kinderopvang via [gastouderbureau A] in de periode van januari 2008 tot en met augustus 2008. Het voorschot voor de kinderopvang via [gastouderbureau B] in de periode van september 2008 tot en met december 2008 is op nihil gesteld. Volgens de Belastingdienst heeft [wederpartij] over die periode geen aanspraak op kinderopvangtoeslag. Nu zij geen overeenkomst met gastouderbureau [gastouderbureau B] heeft overgelegd, kan niet worden vastgesteld dat gastouderopvang in die periode op basis van een overeenkomst, bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de door [wederpartij] in beroep overgelegde overeenkomst met [gastouderbureau B] heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat die niet voldoet aan de in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling gestelde eisen, omdat daarin het uurtarief, het adres van het kind, de ingangsdatum, de duur van de opvangperiode en het aantal opvanguren per jaar niet zijn vermeld. Volgens de Belastingdienst heeft [wederpartij] niet aangetoond dat de gastouderopvang via [gastouderbureau B] op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden.

3. De rechtbank heeft de door [wederpartij] overgelegde overeenkomst met [gastouderbureau B] in onderlinge samenhang bezien met de door [wederpartij] ingediende aanvraag en overgelegde stukken, omdat de wijziging van gastouderbureau per 1 september 2008 een voortzetting van de eerder door haar ingediende aanvraag kinderopvangtoeslag 2008 betreft. De rechtbank heeft overwogen dat het uurtarief is vermeld in de brief van gastouderbureau [gastouderbureau B] van 23 oktober 2008, die is gevoegd bij de overeenkomst. Het adres van het kind volgt uit het in de aanhef van de overeenkomst vermelde adres van [wederpartij], nu gesteld noch gebleken is dat zij niet op hetzelfde adres wonen. Voorts heeft [wederpartij] ter zitting verklaard dat de ingangsdatum van de overeenkomst hetzelfde is als de datum van de overeenkomst en die verklaring is in overeenstemming met de door [wederpartij] ingediende aanvraag en wijzigingsformulieren. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat [wederpartij] met het wijzigingsformulier van 18 november 2008 het aantal opvanguren van 160 uren per maand niet heeft gewijzigd. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de Belastingdienst in dit geval ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat aan de kinderopvang via [gastouderbureau B] geen overeenkomst ten grondslag ligt.

4. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen. Gezien de in de overeenkomst met gastouderbureau [gastouderbureau B] ontbrekende gegevens, is dit geen overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko, die de basis vormt voor de kinderopvang. Dat de Belastingdienst in de loop van de procedure bekend is geworden met de ontbrekende gegevens, maakt dat volgens de dienst niet anders, omdat de overeenkomst als bewijs van kinderopvang dient. Voorts voert de Belastingdienst aan dat de rechtbank ten onrechte gegevens uit de aanvraag heeft meegewogen, omdat uit de aanvraag als eenzijdige handeling niet blijkt dat de daarin vermelde gegevens zijn overeengekomen met [gastouderbureau B]. [wederpartij] heeft met de overeenkomst niet aangetoond dat zij in de periode in geding aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft, aldus de Belastingdienst.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 24 juli 2013 in zaak nr. 201211795/1/A2), volgt uit artikel 52 van de Wko, gelezen in verbinding met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, dat de overeenkomst in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, moet bevatten. Niet in geschil is dat niet alle gegevens zijn vermeld in de overgelegde akte van de overeenkomst tussen [wederpartij] en het gastouderbureau [gastouderbureau B]. Dit leidt in dit geval echter niet tot het oordeel dat de met [gastouderbureau B] gemaakte afspraken over de kinderopvang niet zijn aangetoond. Daartoe wordt overwogen dat uit de besluiten van 8 mei 2012 en 9 oktober 2012, waarbij het toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor de opvang via gastouderbureau [gastouderbureau A] over de periode januari 2008 tot en met augustus 2008 is gehandhaafd, kan worden afgeleid dat de Belastingdienst de overeenkomst met [gastouderbureau A] heeft aanvaard als basis voor kinderopvang. Voorts is de kinderopvang via [gastouderbureau A] ongewijzigd voortgezet via [gastouderbureau B] met dezelfde gastouder, hetgeen ook blijkt uit de tot de gedingstukken behorende brief van [gastouderbureau B] aan [wederpartij] van 23 oktober 2008. Onder deze omstandigheden heeft de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat in de periode van september 2008 tot en met december 2008 geen overeenkomst als bedoeld in artikel 52 van de Wko de basis voor kinderopvang vormt en geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Hierbij is van belang dat niet in geschil is dat in deze periode kinderopvang heeft plaatsgevonden via [gastouderbureau B] en dat [wederpartij] voor deze opvang de door haar gestelde en te verantwoorden kosten heeft gemaakt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Belastingdienst in dit geval ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat aan de kinderopvang via [gastouderbureau B] geen overeenkomst ten grondslag ligt.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de door [wederpartij] in hoger beroep gemaakte kosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de Belastingdienst/Toeslagen een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

609.