Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:145

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201306727/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Vierlingsbeek" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306727/1/R3.

Datum uitspraak: 22 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Vierlingsbeek, gemeente Boxmeer,

en

de raad van de gemeente Boxmeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Vierlingsbeek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2013, waar [appellant] en [appellant A] en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Pijpers en H.A.J. Verberk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [belanghebbende] als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen is ter zitting door de raad een nader stuk ingebracht.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] en anderen, die allen nabij het perceel [locatie 1]/[locatie 2] wonen, betogen dat de raad het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 2] ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat het bij het bestemmen van de illegaal in gebruik genomen woning aan de achterzijde van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] in de rede had gelegen om ook medewerking te verlenen aan de door hen ingediende aanvragen om woningsplitsing op enkele percelen binnen de bebouwde kom van Vierlingsbeek en in het bijzonder aan de wens van [appellant] om op zijn perceel aan de [locatie 3] te Vortum-Mullem een tweede woning te bouwen. Dit is niet toegestaan omdat de voordeur niet grenst aan de openbare weg en de woning niet goed zou worden ontsloten, terwijl dit bij de toegestane woning op het perceel [locatie 2] ook niet het geval is. Voorts wordt ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 2] overlast ondervonden als gevolg van de toegestane activiteiten op het aangrenzende perceel [locatie 1], waar thans [bedrijf belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]) is gevestigd.

[appellant] en anderen betogen voorts dat aan de gronden rondom het bouwvlak op het perceel [locatie 1] ten onrechte de bestemming "Gemengd" en niet, net als in het vorige plan, de bestemming "Groen" is toegekend. Om uitzicht op de bebouwing te voorkomen is het behoud van de groenstrook vanuit planologisch oogpunt vereist. Bovendien is aan de bestaande groenstrook op gemeentelijk grondgebied aan de achterzijde van het perceel wel de bestemming "Groen" toegekend.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] en anderen zich in het beroepschrift hebben beperkt tot het herhalen van de zienswijzen, zonder te hebben aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen onjuist zou zijn. Voor zover het beroep niet reeds hierom ongegrond wordt verklaard, stelt de raad zich op het standpunt dat het gebouw aan de achterzijde van de voormalige langgevelboerderij reeds jarenlang als zelfstandige woning wordt gebruikt, waartegen nimmer handhavend is opgetreden. De raad acht het gebruik hiervan als woning ruimtelijk inpasbaar binnen de bebouwde kom. In de kern van Vierlingsbeek zijn diverse woningsplitsingen in het verleden toegestaan, mits deze ruimtelijk aanvaardbaar zijn geacht. De aanvraag van [appellant] om op het perceel [locatie 3] woningen te bouwen is om stedenbouwkundige reden afgewezen.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het onbebouwde gedeelte van het perceel [locatie 1] dat in het vorige plan een groenbestemming had geen openbare functie heeft. Het bouwvlak is op voldoende afstand van de omliggende woningen gelegen en de raad acht een bestemming "Gemengd" op de gronden buiten het bouwvlak, gelet op de hierbinnen toegelaten functies, waaronder groenvoorzieningen, toelaatbaar.

2.2. De Afdeling is van mening dat [appellant] en anderen zich in het beroepschrift niet hebben beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de door hen afzonderlijk ingediende zienswijzen.

2.3. Het perceel [locatie 2] heeft de bestemming "Wonen" en de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw", "twee-aaneen" en een bouwvlak. Het perceel [locatie 1] heeft de bestemming "Gemengd".

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dienstverlening;

b. kantoren;

c. detailhandel;

d. wonen;

(…);

h. aan huis gebonden beroep;

i. groenvoorzieningen;

j. parkeervoorzieningen;

k. tuinen en erven;

(…).

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.1, aanhef, geldt voor het bouwen van gebouwen dat gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

(…);

c. ten aanzien van de goot- en nokhoogte van de gebouwen gelden de ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" opgenomen maximale hoogten. Blijkens de verbeelding is de maximale goot- en bouwhoogte 6,5 m onderscheidenlijk 10 m.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woningen.

Ingevolge lid 13.2, onder 13.2.1, gelden voor het bouwen van woningen de opgenomen aanduidingen, alsmede de volgende bepalingen:

a. de woningen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw" worden gebouwd;

(…);

c. per bouwvlak mogen ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen (tae)

twee-aaneen gebouwde woningen worden gebouwd;

(…).

2.4. In het vorige plan "Kom Vierlingsbeek" had het perceel [locatie 1], daarbij inbegrepen het perceel [locatie 2] in het voorliggende plan, gedeeltelijk de bestemming "Gemengde doeleinden". Binnen het daarin opgenomen bebouwingsvlak mocht één woning worden gebouwd. Buiten het bestemmingsvlak met de bestemming "Gemengde doeleinden" hadden de gronden van het perceel de bestemming "Groenvoorzieningen".

2.5. Het illegaal als woning in gebruik genomen gebouw op het perceel [locatie 2] aan de achterzijde van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] is in het plan als zelfstandige woning bestemd. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen aldus dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld, omdat de raad, ten onrechte, geen medewerking heeft verleend aan de door hen ingediende aanvragen om woningsplitsing. Los van het feit dat de door [appellant] ingediende aanvraag geen betrekking had op woningsplitsing van een woning binnen de kern van Vierlingsbeek, maar op de bouw van een nieuwe geschakelde woning ter vervanging van een bestaande woning voor een op grote afstand van het plangebied en buiten de kern van Vierlingsbeek gelegen perceel en reeds daarom verschilt van de aan de orde zijnde situatie, blijkt uit de door [appellant] overgelegde brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer van 13 november 2012 niet dat voornoemde aanvraag uitsluitend om de door [appellant] opgegeven reden is afgewezen. [appellant] en anderen hebben voorts de stelling dat een door hen ingediende concrete aanvraag om woningsplitsing op een perceel binnen de bebouwde kom van Vierlingsbeek in strijd met het gelijkheidsbeginsel is afgewezen niet onderbouwd. Het betoog faalt.

2.6. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 2] overlast wordt ondervonden, wordt overwogen dat het belang van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning op het perceel [locatie 2] kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten, omdat artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden plandeel om die reden wordt vernietigd.

2.7. Het bouwvlak binnen de bestemming "Gemengd" heeft nagenoeg dezelfde omvang als het bestemmingsvlak met de bestemming "Gemengde doeleinden" in het vorige plan, waarbinnen bebouwing ten behoeve van die bestemming mocht worden opgericht. Waar de gronden van [belanghebbende] buiten het bouwvlak in het voorliggende plan tevens de bestemming "Gemengd" hebben, hadden deze gronden in het vorige plan de bestemming "Groenvoorzieningen". In tegenstelling tot de gronden aan de achterzijde van het perceel [locatie 1], waaraan wel de bestemming "Groen" is toegekend, zijn de gronden op het perceel van [belanghebbende] niet openbaar, zodat de raad hier niet uitsluitend groenvoorzieningen heeft willen toestaan. De afstand van het bouwvlak binnen de bestemming "Gemengd" tot aan de in de bebouwde kom gelegen woningen van [appellant] en anderen is minimaal 15 m. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit ruimtelijk oogpunt geen noodzaak bestaat het zicht op de bebouwing in een stedelijke omgeving te belemmeren en dat de bestemming "Gemengd", gelet op de daarbinnen toegelaten functies, waaronder groenvoorzieningen, buiten het bouwvlak op het perceel [locatie 1] aanvaardbaar is. Het betoog faalt.

2.8. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.S. Bongertman, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Bongertman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2014

709.