Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1449

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201307330/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307330/1/R3.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2A], en de raad, vertegenwoordigd door C.M.G. Schoof, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] kunnen zich niet verenigen met de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan een perceelsgedeelte van ongeveer 1.250 m², voor het plandeel met de bestemming "Gemengd" op het perceel [locatie]. Zij voeren aan dat dit bouwvlak ten onrechte groter is dan wat er staat aan bebouwing. Hierdoor is het mogelijk dat gebouwen dichter bij hun woningen worden gebouwd. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Voorts vrezen zij voor vermindering van de waarde van hun woningen en overlast vanwege bouwwerkzaamheden. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] kunnen zich verder niet verenigen met de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak (m²) = 850" die is toegekend aan voornoemd perceel, voor zover daarmee ongeveer 36 m² aan bestaande bebouwing, die zonder omgevingsvergunning voor bouwen is opgericht, als zodanig wordt bestemd.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de aanduiding die een maximum aan bebouwd oppervlak van 850 m² mogelijk maakt, beoogd is ter plaatse van het perceel [locatie] de bestaande bebouwing als zodanig te bestemmen. Het bouwvlak is volgens de raad wat ruimer om bij eventuele herbouw enige bewegingsruimte te bieden.

2.2. Aan het perceel [locatie] zijn de bestemming "Gemengd" en de aanduidingen "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak (m²) = 850" toegekend. Het bouwvlak waar het hier om gaat, heeft een omvang van ongeveer 1.250 m².

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder 5.1.1, aanhef en sub b, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor dienstverlening.

Ingevolge het bepaalde onder 5.2.2 gelden voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" de volgende regels:

a. binnen het bouwvlak mogen gebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd;

b. ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak" mag de oppervlakte van gebouwen binnen de aanduiding "bouwvlak" en "bijgebouwen" samen ten hoogste de aangeduide oppervlakte bedragen;

(…).

2.3. Vast staat dat met het plan is beoogd de bestaande situatie als zodanig te bestemmen. De raad heeft toegelicht dat voor de bestaande bebouwing, die een oppervlakte heeft van 848 m², omgevingsvergunningen voor bouwen zijn verleend die inmiddels onherroepelijk zijn geworden. Ongeveer 36 m² aan bestaande bebouwing, die is gelegen aan de achterzijde van het perceel, is niet in overeenstemming met één van de omgevingsvergunningen voor bouwen opgericht. De raad acht deze geringe afwijking in planologisch opzicht niet onaanvaardbaar en heeft deze bebouwing daarom ook als zodanig bestemd. De Afdeling acht dit niet onredelijk. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben geen omstandigheden aangevoerd die tot het oordeel moeten leiden dat de raad de 36 m² aan bestaande bebouwing niet als zodanig had kunnen bestemmen. De enkele omstandigheid dat deze bebouwing ooit in afwijking van de omgevingsvergunning voor bouwen is opgericht, is daarvoor onvoldoende. Het betoog faalt.

2.4. Wat betreft de omvang van het bouwvlak is van belang dat deze ruimer is dan de bestaande bebouwing. De raad heeft toegelicht dat hij een bouwvlak van ongeveer 1.250 m² heeft toegekend om aan te sluiten bij de bestaande situatie, zodat alle bestaande bebouwing binnen het bouwvlak staat en nog enige bewegingsruimte over is. Anders dan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen, acht de Afdeling het niet onredelijk dat het bouwvlak niet strak om de bestaande bebouwing is gelegd, maar enige ruimte is overgelaten. Dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] onevenredig wordt aangetast indien na sloop van de bestaande bebouwing op een kortere afstand van de woningen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] bebouwing kan worden gerealiseerd, hebben zij niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt.

2.5. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

2.6. Voor zover [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vrezen voor overlast vanwege bouwwerkzaamheden, is van belang dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

3. [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de raad de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan een perceelsgedeelte van ongeveer 90 m², voor het plandeel met de bestemming "Gemengd" op het perceel [locatie] ten onrechte heeft vastgesteld.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan een perceelsgedeelte van ongeveer 90 m², bij de vaststelling van het plan abusievelijk in de verbeelding is opgenomen.

3.2. Nu de raad heeft erkend dat het niet de bedoeling is geweest om de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan een perceelsgedeelte van ongeveer 90 m² op het perceel [locatie] in de verbeelding op te nemen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

3.3. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan een perceelsgedeelte van ongeveer 90 m², voor het plandeel met de bestemming "Gemengd" op het perceel [locatie] te Nuenen, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellant sub 1] en van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

4. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

5. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten van 27 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Nuenen-Noordwest", voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" die is toegekend aan een perceelsgedeelte van ongeveer 90 m², voor het plandeel met de bestemming "Gemengd" op het perceel [locatie] te Nuenen;

III. draagt de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan [appellant sub 1] een bedrag van € 173,92 (zegge: honderddrieënzeventig euro en tweeënnegentig cent);

b. aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een bedrag van € 163,24 (zegge: honderddrieënzestig euro en vierentwintig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. aan [appellant sub 1] een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro);

b. aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] een bedrag van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

288-662.