Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201306076/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:3994, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het college aan Van Wijnen Zuid B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 9 woningen aan de Grotestraat 367 en 369 en Groenstraat 1 t/m 13 te Waalwijk (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201306076/1/A1.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Waalwijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 mei 2013 in zaak nr. 12/6662 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waalwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het college aan Van Wijnen Zuid B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 9 woningen aan de Grotestraat 367 en 369 en Groenstraat 1 t/m 13 te Waalwijk (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 24 mei 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 oktober 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2014, waar [appellante] en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door J. van Dalen en ing. J.H.A.M. van der Linden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Grotestraat-Winterdijk" de bestemmingen "Gemengde doeleinden bedrijf", "Bedrijfsdoeleinden opslag" en "Verkeersdoeleinden".

Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Om medewerking aan het bouwplan te kunnen verlenen, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning het oude beleidsuitgangspunt dat slechts 60% van het perceel mag worden bebouwd, niet heeft betrokken. Verder heeft het college geen rekening gehouden met het beleidsuitgangspunt uit het nieuwe bestemmingsplan dat parkeren dient plaats te vinden op het eigen terrein. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college diende te toetsen aan het geldende bestemmingsplan, ondanks dat dit ouder is dan tien jaar.

2.1. De omstandigheid dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan ouder is dan tien jaar en niet tijdig is herzien, betekent niet dat het college het bouwplan daaraan niet heeft mogen toetsen. [appellante] betoogt op zichzelf terecht dat het bouwplan in strijd is met dit bestemmingsplan, omdat maar 60% van het perceel mag worden bebouwd, maar het college is met het oog daarop ten behoeve van het bouwplan met de in geding zijnde omgevingsvergunning van het bestemmingsplan afgeweken. Aan de door [appellante] bedoelde planvoorschriften komt derhalve in deze procedure niet de betekenis toe die zij daaraan gehecht wil zien. Vast staat verder dat het bestemmingsplan "Gemengd gebied" in voorbereiding is, maar dat nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen. De vraag welk beleid is opgenomen voor parkeren in dat bestemmingsplan, is in deze procedure niet aan de orde.

De betogen falen.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in onvoldoende parkeergelegenheid voorziet. Daartoe voert zij aan dat de ruimte tussen het bouwplan en de speeltuin onvoldoende is voor het realiseren van 9 parkeerplaatsen. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat drie parkeerplaatsen worden gerealiseerd vlakbij de kruising van de speeltuin met de Nieuwstraat. Die parkeerplaatsen gaan ten koste van aanwezig groen en ze beperken het uitzicht, aldus [appellante]. Zij betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat twee parkeerplaatsen ten behoeve van het bouwplan kunnen worden gevonden in de Groenstraat. In dit verband voert zij aan dat het door het college verrichte onderzoek naar de parkeerbezetting in het gebied onjuist is en dat de parkeerbezetting is onderschat. In dit verband betoogt zij dat door toekomstige bouwactiviteiten in de omgeving de parkeerbezetting zal toenemen. Verder betoogt zij dat in het gebied onder meer een dokterspraktijk en een makelaar aanwezig zijn, die geen parkeergelegenheid op eigen terrein hebben.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat aan het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning de "Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een projectafwijkingsbesluit Groenstraat" van 3 oktober 2012 ten grondslag ligt. Daarin is weergegeven dat voor de berekening van de parkeerbehoefte van het bouwplan aansluiting is gezocht bij de Parkeernormennota van de gemeente Waalwijk. Tussen partijen is niet in geschil dat ingevolge daarvan de parkeerbehoefte van het bouwplan 15 parkeerplaatsen bedraagt, waarvan er 1 op het eigen terrein van één van de voorziene hoekwoningen kan worden gerealiseerd.

3.2. Vast staat dat, om in de parkeerbehoefte te voorzien, onder meer een parkeerterrein met 9 parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd ten noorden van het bouwplan, tussen de voorziene woningen en een bestaande speeltuin. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de grootte van het parkeerterrein voldoet aan de gestelde eisen. [appellante] heeft dit in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden.

3.3. Voorts geldt dat, anders dan [appellante] betoogt, het realiseren van 3 parkeerplaatsen volgens de gekozen "variant F" niet leidt tot een verlies aan uitzicht of groen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de aanleg van de parkeerplaatsen leidt tot het verwijderen van een bestaande bloembak en dat een lage haag wordt vervangen door een hek. Er bestaat daarmee geen grond voor het oordeel dat het realiseren van de parkeerplaatsen leidt tot een onaanvaardbare aantasting van aanwezig groen. Met betrekking tot het uitzicht voor fietsers heeft de verkeerskundige van de gemeente met behulp van een situatietekening toegelicht dat in de Groenstraat een middeneiland wordt aangelegd en dat aan beide zijden een trottoir wordt gerealiseerd. Voor fietsers die vanuit de Nieuwstraat komen is het verkeer op de Groenstraat, zowel dat wat van links als dat wat van rechts komt, volgens de verkeerskundige ook na het realiseren van de parkeerplaatsen voldoende zichtbaar. Er bestaat gelet deze toelichting geen grond voor het oordeel dat het realiseren van de parkeerplaatsen leidt tot een belemmering van het uitzicht op de kruising Groenstraat/Nieuwstraat dan wel tot een verkeersonveilige situatie.

3.4. Met betrekking tot de 9 bestaande parkeerplaatsen in de Groenstraat, waarvan er volgens het college 2 kunnen worden toegewezen aan het bouwplan, heeft de rechtbank terecht overwogen dat op 17 januari, 19 januari en 21 januari 2012 op verschillende tijdstippen parkeeronderzoeken zijn verricht in onder andere de Groenstraat. De resultaten daarvan zijn neergelegd in de "Parkeerbalans Groenstraat". De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de parkeerbalans onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat het college die niet ten grondslag heeft mogen leggen aan zijn oordeel over de parkeerbezetting. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan [appellante] heeft aangevoerd, het college terecht de Grotestraat heeft betrokken bij het berekenen van de parkeerbezetting in het gebied, nu op grond van de gemeentelijke parkeernormennota parkeerplaatsen binnen een loopafstand van 100 m mogen worden toegerekend aan het bouwplan. De Grotestraat is binnen die afstand gelegen. Ook anderszins is in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, dan wel in de door haar uitgevoerde tellingen, geen grond gelegen voor het oordeel dat de parkeerbalans voor onjuist moet worden gehouden.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de parkeerbalans volgt dat de gemiddelde parkeerbezetting in het betrokken gebied afgerond 77% bedraagt. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een bezettingspercentage van 85% sprake is van een hoge parkeerdruk. Het college heeft zich gelet op de berekende bezetting terecht op het standpunt gesteld dat 8% van de resterende parkeercapaciteit in het betrokken gebied aan het bouwplan mag worden toegerekend. Onbetwist is dat die capaciteit 63 parkeerplaatsen bedraagt, waarvan 8%, zijnde 5 parkeerplaatsen, voor het bouwplan beschikbaar kunnen zijn. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat 2 van de 9 huidige parkeerplaatsen in de Groenstraat aan het bouwplan kunnen worden toegewezen.

3.5. Voor zover [appellante] betoogt dat in de bestaande situatie parkeerproblemen bestaan in de Groenstraat, heeft de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juli 2012, in zaak nr. 201201252/1/A1) terecht overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden, alleen rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan, en dat een reeds bestaand tekort buiten beschouwing mag worden gelaten. Anders dan [appellante] betoogt, heeft het college voorts terecht geen rekening gehouden met de omstandigheid dat in de toekomst mogelijk een parkeertekort ontstaat door het vervallen van het parkeerterrein aan de Taxandriaweg.

3.6. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan niet in voldoende parkeergelegenheid voorziet. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing die aan het besluit ten grondslag ligt niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het realiseren van de hoekwoning op de kruising Grotestraat/Groenestraat zal leiden tot onaanvaardbare risico’s met betrekking tot verkeersveiligheid. In dit verband voert zij aan dat dit kruispunt een drukke verkeersverbinding is en dat er geen voorzieningen zijn getroffen voor fietsers en voetgangers. Verder verslechtert het zicht op de kruising en ontstaat er een zogenoemde "black spot" als gevolg van het realiseren van die woning. De gemeentelijke gronden die zijn aangekocht ten behoeve van het bouwplan dienen te worden benut voor het verruimen van het bestaande kruispunt en daarmee voor het verbeteren van de verkeersveiligheid.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de voorziene hoekwoning is aangesloten op de Grotestraat en dat die binnen de kadastrale grenzen van het perceel wordt gerealiseerd. Die woning ligt in dezelfde voorgevelrooilijn als de bestaande woningen aan die straat, behalve dat de hoekwoning iets noordelijker is gesitueerd. Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat tussen die woning en de weg een trottoir is gesitueerd. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geen grond gezien voor het oordeel dat er onvoldoende ruimte is tussen de hoekwoning en de weg en dat het zicht op de kruising niet voldoende is gewaarborgd. De rechtbank heeft eveneens terecht geen grond gezien voor het oordeel dat door het realiseren van de hoekwoning een gevaarlijke verkeerssituatie ontstaat, in verband waarmee het college de omgevingsvergunning in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen.

De vraag of de gronden die zijn aangekocht ten behoeve van het bouwplan dienden te worden benut voor het verruimen van het bestaande kruispunt, zoals [appellante] aanvoert, is in deze procedure over het verlenen van de omgevingsvergunning niet aan de orde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend.

De betogen falen.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door het college gemaakte belangenafweging ondeugdelijk is. Daartoe voert zij aan dat als gevolg van het bouwplan een groenstrook en een deel van de speeltuin verdwijnt.

5.1. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het realiseren van de voorziene woningen ten koste zal gaan van de nabijgelegen speeltuin. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is tussen de voorziene woningen en de speeltuin een groenstrook aanwezig, die de bestemming "Verkeersdoeleinden" heeft. Het college heeft toegelicht dat die strook tijdelijk als speeltuin was ingericht, maar niet als zodanig is bestemd. Het college heeft verder toegelicht dat de groenstrook zal verdwijnen als gevolg van het bouwplan, maar dat de speeltuin intact zal blijven. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het bouwplan zodanige negatieve gevolgen heeft, dat het college het belang van het realiseren daarvan niet zwaarder heeft mogen laten wegen dan de belangen van [appellante].

Het betoog faalt.

6. [appellante] heeft eerst in hoger beroep betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen, omdat op het perceel, dat 11 m breed is, geen twee herenhuizen passen. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en appellant dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

651.