Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201306751/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:6074, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2012 heeft de burgemeester een machtiging tot binnentreden in de woning van [appellante] aan de [locatie] te Naarden afgegeven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/470
JOM 2015/437
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/2000

Uitspraak

201306751/1/A1.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Naarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2013 in zaken nrs. 12/4418 en 13/411 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Naarden.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2012 heeft de burgemeester een machtiging tot binnentreden in de woning van [appellante] aan de [locatie] te Naarden afgegeven.

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd. In dat besluit heeft het zijn beslissing om op 20 januari 2012 spoedeisende bestuursdwang toe te passen door de woning op het perceel af te sluiten en te verzegelen op schrift gesteld. In dat besluit heeft het tevens beslist om zonder voorafgaande last bestuursdwang toe te passen door de woning te ontruimen.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 21.227,77.

Bij besluit van 6 augustus 2012 heeft het college het door [appellante] tegen de besluiten van 20 januari 2012 en 23 januari 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 oktober 2012 heeft het college het besluit van 12 juli 2012 gewijzigd in die zin dat de kosten van bestuursdwang worden vastgesteld op € 7.587,77.

Bij uitspraak van 20 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen de besluiten van 6 augustus 2012 en 10 oktober 2012 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2014, waar [appellante], vergezeld door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. W.L. Leefers, advocaat te Bussum, en het college, vertegenwoordigd door S. Saffrie en R. van der Kroon, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Machtiging tot binnentreden

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, is, voor zover de wet niet anders bepaalt, de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering.

Ingevolge het derde lid gaat degene die bevoegd is een machtiging te geven daartoe slechts over, indien het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.

Ingevolge artikel 2.9.1 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (hierna: het Gebruiksbesluit), zoals dat gold ten tijde hier van belang, is het, onverminderd het bij of krachtens dit besluit bepaalde, verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt, het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd of het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd.

Ingevolge artikel 7.3.2, aanhef, van de Bouwverordening van de gemeente Naarden (hierna: de Bouwverordening), zoals die gold ten tijde van belang, is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor

b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt door de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;

c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein;

d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt.

Ingevolge artikel 7.4.1, eerste lid, dient het normale onderhoud van een bouwwerk zodanig te geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.

Ingevolge het tweede lid dienen voorraden en afval op zodanige wijze en plaats te worden bewaard dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet kan worden aangetrokken.

2. De burgemeester heeft aan zijn besluit tot afgifte van de machtiging ten grondslag gelegd dat het vermoeden aanwezig is dat zich een gevaarlijke en met de Woningwet, de Bouwverordening en het Gebruiksbesluit strijdige situatie in de woning voordoet. Hij achtte het dringend noodzakelijk dat onderzoek werd uitgevoerd naar de (brand)veiligheid en hygiënische toestand in de woning.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de machtiging op onjuiste gronden is afgegeven. Zij voert daartoe aan dat de GGD nooit in de woning is geweest, zij de bouwinspecteur nooit heeft geweigerd de woning te betreden, hij een mogelijke overtreding van de Woningwet niet van buitenaf heeft kunnen constateren en dat de machtiging slechts op basis van een anonieme tip is afgegeven. Zij voert voorts aan dat de machtiging tot binnentreden een inbreuk op het huisrecht oplevert en dat door het nemen van foto's haar privacy is geschonden.

3.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in maart 2011 de gemeente Naarden door de GGD Gooi en Vechtstreek ervan op de hoogte is gesteld dat er een problematische situatie zou bestaan in de woning van [appellante]. Volgens de GGD waren er al enige jaren klachten van omwonenden en politie over de woning. Een eerder door de GGD gestart traject is niet doorgezet. Op 13 oktober 2011 hebben een gemeentelijke bouwinspecteur en een medewerker van de brandweer Gooi- en Vechtstreek de woning bezocht. Zij werden door de partner van [appellante] te woord gestaan en hebben hem medegedeeld dat zij vermoedden dat er een gevaarlijke situatie bestond in de woning. De partner van [appellante] heeft hen gevraagd hem nog enkele weken de tijd te geven om op te ruimen en spullen weg te gooien. Op 30 november 2011 hebben de bouwinspecteur en de medewerker van de brandweer opnieuw een bezoek gebracht aan de woning. Nadat niet werd opengedaan, hebben zij bij de woning naar binnen gekeken. Dit werd belemmerd door spullen die tegen het raam stonden. Wel konden zij zien dat er in de woning een grote hoeveelheid papier aanwezig was. In december 2011 heeft de bouwinspecteur nog drie maal de woning bezocht zonder dat er werd opengedaan.

3.2. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat, gelet op de klachten en bevindingen van de GGD en de bevindingen van de bouwinspecteur en de medewerker van de brandweer, het vermoeden van overtreding van de Woningwet, de Bouwverordening en het Gebruiksbesluit gerechtvaardigd was. Nu de bouwinspecteur diverse keren heeft getracht de woning te inspecteren, maar dit niet is gelukt, heeft de burgemeester het dringend noodzakelijk mogen achten dat de bouwinspecteur toegang tot de woning verkreeg om de brandveiligheid en de hygiënische toestand van de woning te onderzoeken.

Dat, zoals [appellante] betoogt, de GGD zelf de woning nooit betreden heeft, laat onverlet dat bij de GGD verschillende klachten van omwonenden over de situatie in de woning zijn binnengekomen. Ook de politie heeft na een inbraak in de woning van [appellante] die situatie bij de GGD gemeld. Daarbij komt dat de bouwinspecteur op 30 november 2011 door de ramen naar binnen heeft gekeken en, hoewel het zicht werd belemmerd, heeft geconstateerd dat er een grote hoeveelheid papier in de woning aanwezig was. Dat de machtiging is afgegeven uitsluitend op basis van een anonieme tip is derhalve niet juist.

Het betoog faalt.

3.3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester met de afgifte van de machtiging artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft geschonden. Het binnentreden van de woning van [appellante] en het maken van foto's betekent weliswaar een inmenging van de overheid als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, maar het EVRM voorziet in de mogelijkheid van beperking van het huisrecht als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan. Dat is hier het geval. De bevoegdheid tot een inspectie zonder toestemming van de bewoner is in de Awbi voorzien en voldoet, gelet op de in overweging 3.2 aannemelijk geachte omstandigheden, aan de eisen van dringende maatschappelijke noodzaak en evenredigheid. Er bestond immers een vermoeden dat er in de woning een gevaarlijke en met de Woningwet, de Bouwverordening en het Gebruiksbesluit strijdige situatie bestond. Om hierover zekerheid te verkrijgen, diende toegang tot de woning te worden verkregen om onderzoek te doen. Van het binnentreden is, zoals is vereist in artikel 10 van de Awbi, een verslag gemaakt waarin, zoals vereist in het tweede lid, onder f, van dat artikel, onder meer is vermeld wat in de woning is gedaan en overigens is voorgevallen. De foto's maken onderdeel uit van dat verslag.

Bestuursdwang

4. Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van een spoedeisend geval. Zij voert daartoe aan dat het college eerder op de hoogte was van de situatie in de woning, maar desondanks niet reeds toen handhavend heeft opgetreden. Zij voert voorts aan dat uit de verslagen van de medewerkers van de brandweer en de GGD niet blijkt dat sprake was van spoed. Zij voert verder aan dat het college misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt door de last onder bestuursdwang op te leggen.

5.1. Op 20 januari 2012 heeft de bouwinspecteur de woning betreden, vergezeld van onder meer een medewerker van de brandweer en de GGD. Blijkens het verslag van een medewerker van de GGD werd bij het bezoek op 20 januari 2012 een overvolle en vervuilde hoekwoning aangetroffen. Over de tuin is vermeld dat deze niet begaanbaar was, omdat deze vol lag met spullen. In het verslag van bevindingen van de medewerker van de brandweer, opgemaakt op 24 januari 2012, is vermeld dat de elektriciteitsdraden op de begane grond en eerste verdieping op een aantal punten zodanig met elkaar waren verbonden dat er een grote kans was op kortsluiting, hetgeen brandgevaar met zich bracht. Tevens is vermeld dat vanwege de stapels papier, kleding en andere artikelen in de hal en woonkamer op de begane grond en op overloop en in de slaapkamer op de eerste verdieping de vluchtbreedte onvoldoende was, zodat er een onvoldoende veilige vluchtweg naar de voordeur was. Over de keuken is vermeld dat er veel afval en vuil rondom de geiser en het gasfornuis lag. Tevens is gewezen op de vette aanslag op beide apparaten, zodat bij activering van de apparaten de kans groot was dat er brand zou ontstaan. De bouwinspecteur heeft, gelet op deze bevindingen, in zijn op 26 januari 2012 opgemaakte verslag van binnentreding op 20 januari 2012 vastgesteld dat per ommegaande het gebruik van de woning gestaakt moest worden. Met name de bandgevaarlijke situatie gaf daartoe aanleiding. Daarnaast was het noodzakelijk dat de woning zo spoedig mogelijk weer in ordentelijke staat zou verkeren, aldus het verslag. Voormelde bevindingen hebben de bouwinspecteur tot de conclusie geleid dat sprake was van een overtreding van artikel 2.9.1 van het Gebruiksbesluit en de artikelen 7.3.2 en 7.4.1 van de Bouwverordening.

5.2. Gelet op het voorgaande en de overgelegde foto's is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college zich op basis van deze bevindingen terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een brandgevaarlijke en onhygiënische situatie in de woning bestond en het college derhalve bevoegd was een last onder bestuursdwang op te leggen. De enkele stelling van [appellante] dat een dergelijke situatie zich niet voordeed, maakt dat niet anders.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat het college zich, gelet op het brandgevaar, terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van een spoedeisend geval en het dus bevoegd was om direct tot afsluiting en verzegeling en ontruiming van de woning over te gaan zonder [appellante] door middel van een voorafgaande last in de gelegenheid te stellen om zelf maatregelen te treffen. In hetgeen [appellante] aanvoert, worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de rechtbank zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Dat, volgens [appellante], van spoedeisendheid geen sprake was, nu het college al sinds 2010 op de hoogte was van de situatie in de woning maar daartegen niet is opgetreden, kan niet worden gevolgd. Het college is door de GGD in maart 2011 over de situatie in de woning op de hoogte gesteld, maar er bestond, zoals is vermeld in het verslag van de bouwinspecteur van 26 januari 2012, sinds dat moment slechts een vermoeden over die situatie. De woning was immers nog niet betreden door medewerkers van de gemeente. Eerst op 20 januari 2012, toen de woning werd betreden, werd de daadwerkelijke omvang van de situatie duidelijk.

De rechtbank heeft tot slot terecht overwogen dat zij geen aanwijzing ziet voor het oordeel dat het college misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt en het enkele doel was om, zoals [appellante] stelt, haar hulpverlening op te dringen. Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat bij de uitvoering van de bestuursdwang haar privacy en eigendomsrecht zijn geschonden, wordt overwogen dat dit de vraag betreft of de bestuursdwang feitelijk correct is uitgevoerd. Deze vraag is thans niet aan de orde, doch uitsluitend de vraag of het bevoegde bestuursorgaan rechtmatig tot dat besluit is overgegaan.

Kostenbeschikking

7. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat meer is ontruimd dan nodig was, waardoor ook de kosten van de ontruiming hoger zijn uitgevallen dan nodig was.

7.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat voorafgaand aan de uitvoering van de bestuursdwang is gesproken met [appellante] en zij heeft kunnen aangeven welke spullen zij in ieder geval wilde houden. Tijdens de uitvoering van de bestuursdwang is een afweging gemaakt en zijn slechts die spullen uit de woning verwijderd die tot overbelasting van de vloeren en brandgevaar zouden kunnen leiden. Uit de stukken blijkt voorts dat er spullen zijn opgeslagen in containers om te kunnen worden gesorteerd. [appellante] is daartoe nadien ook in de gelegenheid gesteld. Tevens blijkt dat waardevolle spullen, zoals sieraden en contant geld, aan [appellante] zijn overhandigd. Tijdens de uitvoering is voorts nog contact geweest met [appellante] over de gang van zaken. Anders dan [appellante] stelt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat van een te rigoureuze ontruiming, waardoor de kosten van de ontruiming hoger zijn uitgevallen dan nodig was, niet is gebleken.

Ook anderszins is niet gebleken dat de kosten van de bestuursdwang door het college ten onrechte zijn gemaakt. [appellante] heeft deze stelling op geen enkele wijze concreet onderbouwd.

8. Voor zover [appellante] tot slot betoogt dat het college onrechtmatig heeft gehandeld door het verslag van de medewerker van de brandweer van 24 januari 2012 niet aan de rechtbank toe te zenden en aan haar het 'Verslag huisuitzetting' niet toe te zenden, wordt overwogen dat, wat daar van zij, zij niet in haar belangen is geschaad, nu deze stukken aan de orde zijn geweest bij de rechtbank.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Pieters

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

473.