Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1428

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201302319/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Dobbewijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302319/1/R4.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Drukkerij Voorschoten B.V., gevestigd te Voorschoten,

2. [appellante sub 2], gevestigd te Voorschoten,

3. [appellante sub 3], gevestigd te 's-Gravenhage,

4. De vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Recht door Recht, gevestigd te Voorschoten,

5. [appellante sub 5], wonend te Voorschoten,

6. [appellanten sub 6], beiden wonend te Voorschoten,

7. [appellante sub 7 A] en [appellant sub 7 B] (hierna: gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 7]), beiden wonend te Voorschoten,

8. [appellant sub 8], wonend te Voorschoten,

9. [appellant sub 9], wonend te Voorschoten,

10. [appellanten sub 10], beiden wonend te Voorschoten,

en

de raad van de gemeente Voorschoten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Dobbewijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Drukkerij Voorschoten, [appellante sub 2], [appellante sub 3], Vereniging Recht door Recht, [appellante sub 5], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Vereniging Recht door Recht, [appellante sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2014, waar Drukkerij Voorschoten, vertegenwoordigd door D.P. Rijpsma en C. Rijpsma-Immerzeel, bijgestaan door drs. P.A.J.M. van Bragt, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. E.S. Jaques, advocaat te Leiden, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. H.S. Weeda, Vereniging Recht door Recht, vertegenwoordigd door W.J. ter Keurs, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door J.M. de Ruyter, en de raad, vertegenwoordigd door ing. J.W. Geuke en R. van der Mark, bijgestaan door mr. R. Lever, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ontvankelijkheid

2. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van Vereniging Recht door Recht en voert daartoe aan dat de doelstelling van de vereniging, zoals weergegeven in haar statuten, te algemeen is om haar als belanghebbende te kunnen aanmerken. Daarnaast is de doelstelling volgens de raad niet geografisch en functioneel beperkt. De raad stelt voorts dat niet duidelijk is wie lid zijn van de vereniging en of er sprake is van het behartigen van een collectief belang of een bundeling van individuele belangen. Het beroep van de vereniging is volgens de raad dan ook niet-ontvankelijk.

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.2. Vereniging Recht door Recht is blijkens haar statuten gevestigd in de Dobbewijk te Voorschoten en heeft als doelstelling het in algemene zin behartigen van de belangen der leden. De belangenbehartiging heeft blijkens de statuten betrekking op het optreden als vertegenwoordiger van de leden bij contacten met gemeentelijke en andere overheden bij die zaken die de Dobbewijk direct of indirect betreffen, het optreden als aanspreekpunt voor gemeentelijke en andere overheden bij zaken die de Dobbewijk betreffen, het informeren van de leden over bestuurlijke zaken die de Dobbewijk direct of indirect betreffen, het bevorderen van de onderlinge saamhorigheid in de Dobbewijk, het organiseren van amusementsbijeenkomsten, al dan niet speciaal voor de kinderen van de leden en het bevorderen van orde en netheid in de wijk.

Aannemelijk is dat verschillende leden van Vereniging Recht door Recht woonachtig zijn in het plangebied en gevolgen van de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen kunnen ondervinden. Vereniging Recht door Recht brengt door het optreden in rechte aldus een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand waarmee effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van individuele natuurlijke personen die door dat besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. In de door Vereniging Recht door Recht tot stand gebrachte bundeling van deze individuele belangen, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht. Gelet op het vorenstaande dient Vereniging Recht door Recht als belanghebbende bij het bestreden besluit te worden aangemerkt. In zoverre bestaat er dan ook geen aanleiding het beroep van Vereniging Recht door Recht niet-ontvankelijk te verklaren.

Het plan

3. Het plan is deels conserverend van aard en maakt daarnaast nieuwe bedrijfsontwikkelingen mogelijk langs een nieuw aan te leggen rondweg op het bestaande bedrijventerrein.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Bedrijfsbebouwing aan de verlengde Donklaan

5. [appellante sub 5] kan zich niet vinden in de toekomstige bebouwing aan de verlengde Donklaan. Volgens haar is de bebouwing niet in overeenstemming met de structuurvisie Dobbewijk van 29 mei 2012 en de planbeschrijving uit het ontwerpbestemmingsplan. Daarin is vermeld dat de bebouwing kleinschalig zal zijn, hetgeen volgens haar geenszins het geval is.

5.1. De raad stelt dat in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan weliswaar de term kleinschalige bedrijfsgebouwen is genoemd, maar dat dit in de toelichting bij het vastgestelde plan niet langer is opgenomen, omdat de term ‘kleinschalig’ een verkeerde suggestie oproept. De bebouwingshoogte is volgens de raad echter niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Verder stelt de raad dat is aangesloten bij de bouwhoogte van de bebouwing aan het einde van de Donklaan.

5.2. Aan de gronden aan de verlengde Donklaan is de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-2" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder c, van de planregels is de maximale bouwhoogte ter plaatse 9 m en is op 50% van de gronden een maximale bouwhoogte van 12 m toegestaan.

Aan de gronden aan het einde van de Donklaan, aan de westzijde en de oostzijde van deze straat, is een maximale goothoogte van 7 onderscheidenlijk 6 m en een maximale bouwhoogte van 10 onderscheidenlijk 9 m toegekend.

5.3. De bouwhoogte die in het plan is toegelaten komt overeen met de bouwhoogte waarvan in de structuurvisie wordt uitgegaan en met de bouwhoogte uit het ontwerpbestemmingsplan. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bebouwing niet in overeenstemming is met de structuurvisie. Dat het woord "kleinschalig" niet meer is opgenomen in de plantoelichting geef geen aanleiding voor een ander oordeel, nu daaraan geen juridische betekenis toekomt.

Het betoog faalt.

Voormalig defensieterrein

Bebouwing

6. [appellante sub 5] richt zich tegen de aanduiding "wro-zone ontheffingsgebied" voor zover die is toegekend aan de gronden ten zuiden van de [woning], waarin zij woont. Zij kan zich niet vinden in de toegestane bouwhoogte en stelt dat het planuitgangspunt dat dient te worden voorzien in een goede opbouw van de bouwhoogte, zoals weergegeven in paragraaf 4.2.3 van de plantoelichting, ook ten aanzien van de gronden ten zuiden van de [woning] moet worden toegepast. Voorts voert zij aan dat de bebouwing te dicht op de [woning] en het perceel wordt gebouwd. De afstand van de perceelsgrens tot de bebouwing die 9 m hoog mag zijn, is slechts 3 m. Dat acht zij onevenredig nadelig.

6.1. De raad stelt dat de aanduiding "wro-zone ontheffingsgebied" naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 5] is verwijderd van het deel van het voormalig defensieterrein dat het dichtst bij de [woning] ligt. Voor het overige deel van het terrein acht de raad de wijzigingsbevoegdheid gerechtvaardigd. Hij stelt daartoe dat het bevoegd gezag slechts onder bepaalde voorwaarden een omgevingsvergunning voor het bouwen van hogere bedrijfsgebouwen kan verlenen. Die voorwaarden garanderen volgens de raad dat, bezien vanaf de [woning], op de eerste strook grond een maximale bouwhoogte geldt van 9 m en aansluitend op 50% van de gronden een maximale bouwhoogte van 12 m. Daarmee is volgens de raad ook voorzien in een geleidelijke opbouw van de bouwhoogte en is het plan in zoverre in overeenstemming met de structuurvisie. De raad acht het gelet op de afstand van de [woning] tot de op het voormalig defensieterrein voorziene bebouwing aanvaardbaar dat de bouwhoogte in de eerste strook 9 m bedraagt. Gelet op die afstand is volgens de raad ook de maximale bouwhoogte van 12 m ter plaatse aanvaardbaar.

6.2. Aan de gronden op het voormalig defensieterrein is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Aan een strook grond van 10 tot 12 m diep, gelegen het dichtst bij de [woning], is de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-12" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1, onder c, van de planregels, mag de hoogte van de bedrijfsgebouwen ter plaatse van die aanduiding niet meer bedragen dan 9 m.

Aan het zuidelijker gelegen deel van het voormalig defensieterrein is de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-3" toegekend, hetgeen blijkens de voorgenoemde planregel met zich brengt dat een maximumbouwhoogte van 9 m geldt en dat op 50% van deze gronden een maximumbouwhoogte van 12 m geldt.

Voorts is aan het zuidelijker gelegen deel de aanduiding "wro-zone-ontheffingsgebied" toegekend, hetgeen blijkens artikel 4, lid 4.6 aanhef en onder a van de planregels betekent dat het bevoegd gezag ter plaatse van die aanduiding in afwijking van het bepaalde in lid 4.2.1 onder c een omgevingsvergunning verlenen voor hogere gebouwen, mits:

- het gebouw maximaal 3 meter hoger is dan volgens lid 4.2.1 onder c maximaal is toegestaan;

- na realisatie minimaal de helft van de gebouwen per aanduidingsvlak niet hoger is dan volgens lid 1 onder c maximaal is toegestaan;

- er geen onevenredige gevolgen optreden voor de lichttoetreding, privacy en gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen.

De kortste afstand van de [woning] tot de voorziene bebouwing op het oostelijk deel van het voormalig defensieterrein bedraagt ongeveer 37 m. De kortste afstand van de [woning] tot de voorziene bebouwing op het voormalig defensieterrein recht tegenover de [woning] bedraagt ongeveer 43 m.

6.3. In paragraaf 4.2.3 van de plantoelichting is op basis van de uitgangspunten uit de structuurvisie Dobbewijk de hoogteopbouw van de in het plan opgenomen bebouwing uiteengezet. Het uitgangspunt, bezien vanaf de woningen aan de Donklaan, houdt een eerste strook met een maximumbouwhoogte van 6 m in, een tweede strook met een maximumbouwhoogte van 9 m en een derde strook met een maximumbouwhoogte van 12 m.

6.4. De Afdeling stelt vast dat de bebouwing op het voormalig defensieterrein blijkens de verbeelding in samenhang bezien met de planregels, voorziet in een opbouw van bouwhoogte. Gelet op de omstandigheid dat de afstand tussen de [woning] en de voorziene bebouwing op het oostelijk deel van het voormalig defensieterrein ongeveer 37 m en tot de voorziene bebouwing op het voormalige defensieterrein recht tegenover de [woning] ongeveer 43 m bedraagt, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een hoogteopbouw waarbij op de eerste strook grond een maximumbouwhoogte van 9 m geldt en ten zuidwesten daarvan een grotere hoogte, ook met eventuele toepassing van artikel 4, lid 4.6, aanhef en onder a, van de planregels geldt, aanvaardbaar is. Gelet op de ligging van de [woning] op minimaal 37 m van de bebouwing, ziet de Afdeling in het aangevoerde voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de afstand van 3 m tussen perceelsgrens en deze bebouwing op het voormalig defensieterrein onevenredig nadeel toebrengt aan de belangen van [appellante sub 5].

Het betoog faalt.

Milieuzonering

7. Volgens [appellante sub 5] is op het voormalig defensieterrein ten onrechte milieucategorie 3.2 toegestaan. Volgens haar wordt niet voldaan aan de richtafstand van 100 m uit de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Voorts zijn volgens haar in strijd met de uitgangspunten van de structuurvisie Dobbewijk op het voormalig defensieterrein aan één perceel twee verschillende milieucategorieën toegekend. Gelet op het voorgaande kan volgens [appellante sub 5] ter plaatse maximaal milieucategorie 3.1 worden toegestaan.

7.1. De raad stelt dat uitgaande van de richtafstanden uit de VNG-brochure op het voormalig defensieterrein bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 3.2 kunnen worden toegestaan. De raad verwijst daartoe naar de notitie "Bedrijven en milieuzonering Dobbewijk" van Royal Haskoning van 16 oktober 2012 (hierna: notitie "Bedrijven en milieuzonering") en naar paragraaf 5.7 van de plantoelichting, waarin op gedetailleerd niveau de millieuzonering is gemotiveerd. De raad stelt voorts dat ten aanzien van een gemengd gebied de in de VNG-brochure vermelde richtafstand met een stap kan worden verlaagd, waardoor een afstand van 50 m van de bedrijvigheid tot de gevel van een woning als richtafstand geldt. Deze afstand wordt volgens de raad in het plan geëerbiedigd omdat de [woning] op meer dan 50 m van de desbetreffende gronden staat.

De raad stelt verder dat het uitgangspunt van één milieucategorie per perceel, later is bijgesteld en dat daarom is gekeken naar hetgeen maximaal mogelijk is op deze gronden. Voorts stelt de raad dat uit de Verordening ruimte volgt dat op bedrijventerreinen de hoogst mogelijke milieucategorie dient te worden toegekend, hetgeen in dit geval ook is gebeurd.

7.2. Aan een deel van het voormalig defensieterrein is de aanduiding "bedrijven tot en met categorie 3.2" toegekend. Deze gronden zijn ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten behorende tot categorieën 1 t/m 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Deze gronden liggen op een afstand van ongeveer 54 m van de [woning].

7.3. Ten aanzien van een gemengd gebied gelden volgens de VNG-brochure kleinere richtafstanden dan de richtafstanden die gelden ten aanzien van een rustige woonwijk of een rustig buitengebied.

Het begrip gemengd gebied wordt in de VNG-brochure als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen."

7.4. De omgeving van de [woning] kent verschillende functies. Aan de gronden behorend bij de [woning] is een agrarische bestemming toegekend. Aan de gronden in de directe omgeving van de [woning] is overwegend een bedrijfsbestemming toegekend. Tussen de bedrijfsbestemmingen is voorts een straat met woningen gelegen. Ten oosten van de [woning] ligt de spoorlijn Den Haag-Leiden. Gelet op deze diverse functies en de ligging direct langs de hoofdinfrastructuur, heeft de raad de omgeving terecht aangemerkt als gemengd gebied.

7.5. Volgens de VNG-brochure bedraagt de richtafstand tussen bedrijven uit milieucategorie 3.2 tot de gevel van woningen gelegen in een gemengd gebied 50 m.

De [woning] ligt op een afstand van meer dan 50 m van de gronden waarop bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 wordt mogelijk gemaakt. Gelet daarop wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure met betrekking tot de [woning].

7.6. In de notitie "Bedrijven en milieuzonering" is beschreven dat geluid voor het voormalig defensieterrein de meest bepalende factor is. In paragraaf 5.7 van de plantoelichting is weergegeven dat naar aanleiding van de notitie in het plan is voorzien in een geluidafscherming tussen de woningen en de te ontwikkelen bedrijven. Vermeld wordt dat ten gevolge van de geluidafscherming op sommige plaatsen hogere milieucategorieën aanvaardbaar worden geacht dan de VNG-brochure in eerste instantie toelaatbaar acht.

Nu ten aanzien van de [woning] wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure en waar nodig wordt voorzien in geluidafscherming, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid op deze gronden bedrijvigheid tot en met milieucategorie 3.2 heeft kunnen toestaan. Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van het uitgangspunt uit de structuurvisie, dat één milieucategorie per perceel wordt toegekend, heeft kunnen afwijken.

Het betoog faalt.

Groenbuffer

8. [appellante sub 5] en Vereniging Recht door Recht voeren aan dat de bestaande groenbuffer ten zuiden van de [woning] ten onrechte niet is bestemd als groenbuffer, terwijl dit wel mogelijk is op basis van de situering van de infrastructuur en zij de groenbuffer voor de inpassing van de [woning] noodzakelijk achten.

8.1. De raad stelt dat het stuk grond waar de bestaande groenbuffer zich op heeft gevormd onder het vorige plan geen groenbestemming had. De raad stelt dat het tracé van de nieuw aan te leggen weg is gewijzigd en dat daarom onteigening van gronden van de [woning] niet meer nodig is. De strook grond die overblijft, is volgens de raad echter te smal om een groenbestemming aan toe te kennen. Het gemeentebestuur heeft wel toegezegd voornemens te zijn op deze strook een groene afscheiding te realiseren. Aangezien op de gronden rondom de [woning] voldoende groen aanwezig is, wordt de [woning] volgens de raad landschappelijk ingepast.

8.2. Aan de gronden waaraan volgens [appellante sub 5] en Vereniging Recht door Recht een groenbestemming had moeten worden toegekend, is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor onder meer verkeerswegen met daarbij behorende groenvoorzieningen. In het vorige plan "Uitbreidingsplan in onderdelen Centrum" van 28 november 1949, was aan de desbetreffende gronden de bestemming "Grote industriebedrijven" toegekend. Vaststaat derhalve dat aan deze gronden geen zelfstandige groenbestemming was toegekend.

Aangezien op het perceel rondom de [woning] groen aanwezig is en het plan daarnaast de mogelijkheid biedt groenvoorzieningen te realiseren naast de nieuw aan te leggen weg, hetgeen de raad, zoals ter zitting is toegelicht, voornemens is, alsmede in aanmerking genomen dat door het tracé van de aan te leggen weg een strook grond overblijft van slechts geringe omvang, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ter plaatse de bestemming "Verkeer" heeft kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

Water

9. [appellante sub 5] voert aan dat de watertoets onvolledig is uitgevoerd. Zij voert daartoe aan dat slechts een deel van de opmerkingen van het hoogheemraadschap Rijnland in het bestemmingsplan is verwerkt. Zij stelt dat voor de watergang bij de Industrieweg, die zal worden gedempt ten behoeve van de verkeersbestemming, ten onrechte niet in watercompensatie wordt voorzien.

9.1. De raad stelt dat de watertoets is uitgevoerd en dat uit de oppervlaktebalans is gebleken dat de toename van verhard oppervlak netto minder dan 500 m² bedraagt. Dit betekent dat er geen aanleiding is voor watercompensatie. Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat het wenselijk, maar niet noodzakelijk is dat in het plan rekening wordt gehouden met watercompensatie. Om die reden wordt volgens de raad binnen de bestemming "Groen" waar mogelijk in de aanleg van water voorzien. Voorts stelt de raad dat de bestaande watergangen rondom de [woning] zullen blijven bestaan en dat de te dempen watergang bij de Industrieweg zal worden verlegd.

9.2. In paragraaf 5.10 van de plantoelichting, onder het kopje water is onder meer vermeld dat volgens het beleid van het hoogheemraadschap Rijnland bij een toename van meer dan 500 m² aan verhard en / of bebouwd oppervlak watercompensatie moet worden toegepast. De toename aan verhard oppervlak ten gevolge van het plan bedraagt 326 m².

Nu de toename van het verhard oppervlak ten gevolge van het plan minder bedraagt dan 500 m², ziet de Afdeling in hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het plan ten onrechte geen watercompensatie heeft vastgelegd. In het aangevoerde ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de watertoets onvolledig is uitgevoerd.

Het betoog faalt.

Geluid / Luchtkwaliteit

10. [appellante sub 5] voert aan dat in het akoestisch onderzoek en het luchtkwaliteitsonderzoek, die aan het plan ten grondslag liggen, een onjuiste inschatting van de verkeersintensiteit is gemaakt. Het aantal motorvoertuigen per etmaal verschilt in beide onderzoeken en ligt volgens haar hoger dan waarvan in die onderzoeken wordt uitgegaan.

Voorts is volgens haar de [woning] ten onrechte niet betrokken in het akoestisch onderzoek. Ook had volgens haar rekening gehouden moeten worden met de cumulatie van geluidsbronnen ter plaatse van de [woning].

10.1. De raad erkent dat de [woning] ten onrechte niet was betrokken in het akoestisch onderzoek. Inmiddels heeft de raad een aanvullend akoestisch onderzoek, neergelegd in het rapport van 25 juli 2013, laten uitvoeren, waarbij ook de geluidbelasting van de nieuwe weg op de [woning] in kaart is gebracht. Dit rapport is overgelegd in reactie op het door [appellante sub 5] ingediende verzoek een voorlopige voorziening te treffen. Uit dit onderzoek volgt volgens de raad dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden.

Ten aanzien van de verkeersintensiteit stelt de raad dat in het luchtkwaliteitsonderzoek, neergelegd in het rapport van 17 oktober 2012, ten onrechte is uitgegaan van een hogere verkeersintensiteit, omdat is uitgegaan van 4.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte voor kantoren en 18.000 m² bedrijfsvloeroppervlakte voor bedrijven op het voormalig defensieterrein en deelgebied 6. Dit is onjuist, aldus de raad. Uitgegaan dient te worden van een totale bedrijfsvloeroppervlakte van 18.000 m². De uitgangspunten uit het luchtkwaliteitsonderzoek betreffen volgens de raad dan ook een worst-case scenario. De berekende verkeersintensiteiten uit het akoestisch onderzoek, neergelegd in het rapport van 20 november 2012, zijn volgens de raad representatief.

De raad stelt dat omdat voor de [woning] geen hogere waarde wordt vastgesteld en zowel de [woning] als de spoorbaan reeds aanwezig waren ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, de raad niet verplicht was tot het onderzoeken van de geluidcumulatie ter plaatse. Los daarvan is volgens de raad vastgesteld dat de geluidbelasting ten gevolge van de weg op de woning zeer beperkt is en ruim onder de voorkeursgrenswaarde blijft.

10.2. Ingevolge artikel 110f van de Wet Geluidhinder (hierna: Wgh) dient de raad een akoestisch onderzoek te verrichten naar de effecten van de samenloop van geluidsbronnen, indien voor een woning of een ander geluidgevoelig gebouw een hogere waarde zal worden vastgesteld.

Voor de [woning] is geen hogere waarde vastgesteld. Gelet daarop was de raad op grond van de Wgh niet verplicht tot een onderzoek naar de cumulatie van geluidsbronnen.

De cumulatie van geluidsbronnen dient de raad echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel in de belangenafweging te betrekken.

10.3. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling afdoende uiteengezet dat het verschil in verkeersintensiteiten in het akoestisch rapport en het luchtkwaliteitsrapport op een vergissing berust. De enige consequentie daarvan is dat in het luchtkwaliteitsrapport van een slechter scenario is uitgegaan dan verwacht mag worden op grond van de juiste verkeersintensiteiten van het akoestisch rapport. [appellante sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het akoestisch rapport of in het luchtkwaliteitsonderzoek van een te laag aantal motorvoertuigen per etmaal is uitgegaan.

Volgens het akoestisch rapport van 25 juli 2013 leiden de wijziging van de verkeerscirculatie in het plangebied en de berekende toename van het aantal verkeersbewegingen tot een toename van de geluidbelasting op de [woning] van ten hoogste 1,3 dB, hetgeen leidt tot een geluidbelasting van ten hoogste 46,62 dB. Er is geen aanleiding om het akoestisch rapport ondeugdelijk te achten.

De raad heeft in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting op de [woning] en dat onderzoek naar cumulatie van geluidsbronnen niet noodzakelijk is.

Het betoog faalt.

[woning]

11. Vereniging Recht door Recht kan zich niet vinden in de agrarische bestemming van de [woning]. Zij voert daartoe aan dat de woning overeenkomstig het gebruik daarvan een woonbestemming had moeten krijgen.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat nog steeds sprake is van agrarisch gebruik van het perceel, aangezien vanuit de [woning] ongeveer 50.000 m² grasland in het omliggend weidegebied wordt geëxploiteerd. Voorts staat op het perceel volgens de raad een grote agrarische schuur waarin landbouwwerktuigen gestald staan en gras en hooi wordt opgeslagen. Daarnaast is het omzetten van de bedrijfswoning naar een woonbestemming in strijd met het provinciaal beleid, aldus de raad.

11.2. Ter zitting is vast komen te staan dat het perceel van de [woning] een agrarische functie heeft, aangezien de begrazing van nabij gelegen grasland vanuit de [woning] wordt bestierd en daarnaast landbouwwerktuigen in de schuur op de gronden rond de [woning] worden opgeslagen. Vereniging Recht door Recht heeft gelet daarop niet aannemelijk gemaakt dat het perceel enkel een woonfunctie heeft. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een agrarische bestemming passend is voor dit perceel.

Het betoog faalt.

Bouwblokken langs het spoor

Bouwhoogte

12. Vereniging Recht door Recht, [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] richten zich tegen de maximale bouwhoogte op de percelen met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-5", gelegen langs het spoor. Zij kunnen zich niet vinden in de maximale bouwhoogte van 15 m en vinden deze te hoog en ruimtelijk onaanvaardbaar.

[appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] vinden deze hoogte een onevenredige beperking van hun woon- en leefklimaat. Zij vrezen voor een aantasting van hun vrije uitzicht, lichtinval en voor reflectie van het geluid van de spoorbaan in oostelijke richting, waar hun woningen staan. Vereniging Recht door Recht vreest voor geluidhinder ten gevolge van de zijdelingse reflectie van het geluid van de spoorbaan, in westelijke richting, naar de woningen in de Dobbewijk, in het bijzonder aan de Papelaan-West.

Vereniging Recht door Recht verwijst naar het Kaderstellend Document Dobbewijk van 16 december 2002, waarin een absolute hoogte van 12 m is vastgesteld. De raad heeft zich hier volgens de vereniging ten onrechte niet aan gehouden.

12.1. De raad stelt dat zijn inzichten over de bouwhoogte ten opzichte van het Kaderstellend Document Dobbewijk zijn gewijzigd. De uitgangspunten voor het bestemmingsplan Dobbewijk zijn vastgelegd in de structuurvisie Dobbewijk, waarin het uitgangspunt van een gelaagde opbouw in bouwhoogte is vermeld. De maximale bouwhoogte voor de bebouwing langs het spoor is in de structuurvisie op 18 m gesteld. In het plan is deze maximale bouwhoogte naar aanleiding van de ingediende zienswijzen bijgesteld naar een hoogte van 15 m. Deze hoogte tast volgens de raad de belangen van de bewoners van de omliggende woningen niet onevenredig aan. De raad stelt ten aanzien van de reflectie van het geluid van de spoorbaan richting het westen, dat de geluideffecten van de voorziene bebouwing op de woningen in de Dobbewijk niet zijn berekend omdat de bebouwing uitsluitend een positief effect zal hebben op de geluidbelasting. De bouwhoogte van deze woningen is volgens de raad namelijk lager dan de voorziene bebouwing. De geluidreflectie van de spoorbaan door de voorziene bebouwing richting het oosten is betrokken in het akoestisch onderzoek en de raad acht die gelet op de geringe toename van de geluidbelasting acceptabel.

12.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2.1. van de planregels, gelden ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding-5" een maximum bouwhoogte van 12 m en voor maximaal 70% van de gronden een hogere maximale bouwhoogte van 15 m.

In de structuurvisie Dobbewijk is onder 4.7 vermeld dat de bouwhoogte oploopt tot een hoogte van 18 m aan het spoor.

12.3. De eengezinswoningen van [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] staan op een afstand van ongeveer 70 m van de voorziene bebouwing. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat hun uitzicht zal worden beperkt door de realisatie van de in het plan opgenomen bouwmogelijkheden, de raad heeft zich gelet op de afstand tussen de woningen en de voorziene bebouwing echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze beperking niet zodanig zal zijn dat de belangen van [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] onevenredig zullen worden geschaad.

12.4. De raad heeft zijn beleidsuitgangspunten ten aanzien van dit bestemmingsplan vastgelegd in de structuurvisie Dobbewijk. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het Kaderstellend document uit 2002, nu de daarin opgenomen beleidsuitgangspunten zijn herzien in onder meer de structuurvisie Dobbewijk. In zoverre ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een maximale bouwhoogte van 15 m voor de bebouwing langs het spoor heeft kunnen vaststellen.

12.5. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de geluidbelasting vanwege het spoor op de Dobbewijk zal afnemen ten gevolge van de afschermende werking van de ter plaatse voorziene bebouwing aannemelijk. Met geluidreflectie op de Dobbewijk, waaronder woningen aan de Papelaan-West, behoefde de raad dan ook geen rekening te houden.

12.6. In de notitie "geluidseffecten bestemmingsplan West door wijzigingen bestemmingsplan Dobbewijk" van 20 november 2012 van Royal Haskoning, is weergegeven dat de geluidbelasting op de gevel van de eengezinswoningen met drie bouwlagen aan de oostzijde van het spoor ten opzichte van de bestaande situatie ten hoogste met 0,35 dB toeneemt. Ten opzichte van de maximale bouwmogelijkheden op basis van het vorige plan neemt de geluidbelasting niet toe.

Gelet op de geringe toename in de geluidbelasting heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze toename niet onacceptabel is. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een bouwhoogte van 15 m heeft kunnen toestaan op de gronden langs het spoor.

De betogen falen.

Behoefte

13. [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] voeren aan dat niet is gebleken dat behoefte bestaat aan de bedrijfshallen met een hoogte van 15 m en dat het plan om die reden niet uitvoerbaar is. De locatie is volgens hen onaantrekkelijk en daarnaast is volgens hen sprake van bestaande leegstand op lokale en regionale bedrijventerreinen.

13.1. De raad stelt dat uit een inventarisatie in 2008 is gebleken dat voldoende behoefte bestaat aan nieuwe bedrijfslocaties op het bedrijventerrein Dobbewijk. Daarom heeft de provincie volgens de raad subsidie toegekend voor de herinrichting van het bedrijventerrein. De raad stelt verder dat zich reeds gegadigden hebben gemeld.

13.2. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar.

13.3. In hetgeen [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar. Met de enkele stelling dat geen behoefte bestaat en dat lokaal en regionaal sprake is van leegstand van bedrijventerreinen hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat op deze locatie, een bestaand bedrijventerrein, geen behoefte is aan nieuwe bedrijfsgebouwen.

Het betoog faalt.

Deelgebied 4

14. Vereniging Recht door Recht kan zich niet vinden in de maximaal toegelaten bouwhoogte van 9 m van de bebouwing in deelgebied 4. Ter plaatse kan op een afstand van 20 m van de gevels van de woningen aan de Donklaan 9 m hoog worden gebouwd, terwijl aan de oostzijde van de woningen aan de Donklaan slechts 6 m hoog mag worden bebouwd. Dit veroorzaakt volgens Vereniging Recht door Recht ten onrechte rechtsongelijkheid tussen beide zijden van de Donklaan.

14.1. De raad acht de maximale bouwhoogten aan de westzijde van de Donklaan ruimtelijk acceptabel gelet op de geleidelijke hoogteopbouw. De eerste strook van 10 m mag niet worden bebouwd, de tweede strook heeft een maximale bouwhoogte van 6 m, met de mogelijkheid 50% daarvan maximaal 9 m hoog te bouwen, en de derde strook heeft een maximale bouwhoogte van 9 m met de mogelijkheid 50% daarvan maximaal 12 m hoog te bouwen. Het verschil in bouwhoogten aan beide zijden van de Donklaan is volgens de raad te verklaren door de aanwezigheid van verschillende bedrijven.

14.2. Vereniging Recht door Recht heeft niet aannemelijk gemaakt dat de belangen van bewoners van de Donklaan worden geschaad door de toegelaten bouwhoogte in deelgebied 4. Aan het feit dat aan de andere zijde van de Donklaan gebouwen tot een hoogte van niet meer dan 6 m zijn toegelaten komt niet de betekenis toe die Vereniging Recht door Recht daaraan gehecht wil zien. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een bouwhoogte van 9 m voor de bedrijfsbebouwing in deelgebied 4 heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

Overgangszones

15. Vereniging Recht door Recht voert aan dat niet zeker is of de overgangszones waaraan de bestemming "Groen" en de bestemming "Tuin-2" zijn toegekend wel binnen de planperiode zullen worden gerealiseerd, omdat geen sprake zou zijn van voldoende private betrokkenheid.

15.1. De raad stelt dat nog onduidelijk is hoe de groenbuffer beheerd gaat worden, maar dat hij voornemens is de bestemmingen te realiseren.

15.2. In de omstandigheid dat geen sprake zou zijn van private betrokkenheid ziet de Afdeling, nu de raad voornemens is de bestemmingen te realiseren, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de overgangszones niet binnen de planperiode zullen worden gerealiseerd.

Het betoog faalt.

Artikel 11, lid 11.2.3. onder d, van de planregels

16. Vereniging Recht door Recht richt zich tegen artikel 11, lid 11.2.3. onder d, van de planregels, voor zover daarin wordt bepaald dat aan- en bijgebouwen een maximale bouwhoogte van 5 m mogen hebben. Zij vindt 5 m te hoog aangezien dit kan leiden tot verminderd zicht en verminderde warmte van de ondergaande zon in de achtertuinen van aangrenzende woningen.

16.1. De raad stelt dat een dergelijke bouwhoogte niet ongebruikelijk is op een achtererf. Gebruik is gemaakt van de standaard aan- en bijgebouwenregeling uit het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Voorschoten. De raad ziet geen ruimtelijke aanleiding hiervan af te wijken en acht deze hoogte niet onevenredig beperkend voor de bewoners.

16.2. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bouwhoogte van 5 m voor aan- en bijgebouwen niet onaanvaardbaar is.

Het betoog faalt.

[locatie 1 en 2]

17. [appellante sub 3] is eigenaar en verhuurder van de panden [locatie 1 en 2]. Zij richt zich tegen de situering van het bouwvlak en de ter plaatse toegestane maximale bouwhoogte voor de koppen van de panden op deze percelen. [appellante sub 3] wenst een bouwvergunning die in 2005 is verleend, in het plan verwerkt te zien. Zij wenst de gevel van haar panden aan de voorkant over de gehele breedte door te trekken. [appellante sub 3] stelt dat de raad op de hoogte was van de bouwvergunning, en dat het bouwplan nog niet is uitgevoerd omdat de mogelijke aanleg van de rondweg aan de realisering daarvan in de weg stond.

17.1. De raad stelt dat de bestaande bedrijfsbebouwing op de percelen [locatie 1 en 2] als zodanig is bestemd. De raad stelt niet op de hoogte te zijn van concrete bouwplannen van [appellante sub 3]. Ondanks dat [appellante sub 3] verschillende malen de mogelijkheid heeft gehad plannen bij de gemeente kenbaar te maken, heeft [appellante sub 3] daarvan geen gebruik gemaakt. Wat de koppen van de bedrijfsgebouwen op de percelen [locatie 1 en 2] betreft, bleek het volgens de raad niet nodig om hieraan een verkeersbestemming toe te kennen. Dit was wel nodig voor het perceel [locatie 3] dat in verband daarmee is aangekocht door de gemeente.

17.2. Eerst ter zitting is de bouwvergunning uit 2005 ter sprake gekomen. Niet in geschil is dat de bouwvergunning die in 2005 is verleend ten behoeve van het bouwvoornemen van [appellante sub 3], zag op het doortrekken van de gevel van de panden [locatie 1, 2 en 3]. Aangezien [appellante sub 3] nog uitsluitend de gevel van de panden op nummer [locatie 1 en 2] wenst door te trekken, kan deze vergunning niet meer worden gebruikt.

[appellante sub 3] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de panden [locatie 1 en 2] concrete plannen naar voren heeft gebracht waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid een hogere bouwhoogte had moeten toekennen, en het bouwvlak anders had moeten situeren op de percelen [locatie 1 en 2].

Het betoog faalt.

Dobbeweg 1

18. Drukkerij Voorschoten richt zich tegen het plan voor zover aan haar perceel aan de Dobbeweg 1 te Voorschoten niet in zijn geheel een kantoorbestemming is toegekend. Zij stelt dat een bedrijfsbestemming, zoals aan de begane grond is toegekend, niet langer passend is. Zij heeft verschillende malen geprobeerd het pand te verkopen en te verhuren, maar de begane grond van het pand staat al meer dan tien jaar leeg. Drukkerij Voorschoten wenst een kantoorbestemming en voert aan dat zij nagenoeg voldoet aan de gemeentelijke kantorennota. De raad heeft volgens haar ten onrechte niet gekeken naar de mogelijkheid om het perceel in zijn geheel voor kantoordoeleinden te bestemmen.

18.1. De raad stelt dat tegemoet is gekomen aan de zienswijze van Drukkerij Voorschoten, nu op het perceel Dobbeweg 1 bedrijfsmatige activiteiten behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, alsmede een zelfstandig kantoor, met dien verstande dat kantoren uitsluitend op de verdiepingen zijn toegestaan.

Het bestemmen van het hele pand voor kantoordoeleinden is volgens de raad in strijd met artikel 7, eerste lid van de Verordening ruimte. Bovendien had het perceel in het voorgaande bestemmingsplan evenmin een zelfstandige kantoorbestemming.

18.2. Aan het perceel Dobbeweg 1, zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van kantoor-1" en "bedrijf tot en met categorie 2" toegekend.

18.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c en h, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 tot en met 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in de bijlage van de planregels, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 2" en tevens voor een zelfstandig kantoor, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van kantoor-1" met dien verstande dat kantoren uitsluitend op de verdieping(en) zijn toegestaan.

18.4. In de plantoelichting staat dat in beginsel geen zelfstandige kantoren worden toegelaten en dat zorgvuldig moet worden omgegaan met het creëren van bouwmogelijkheden van nieuwe kantoorgebouwen vanwege de structurele leegstand. Voorts staat in de plantoelichting dat de Dobbewijk zich bevindt op loopafstand van een treinstation en dat daarom voor twee kavels zo dicht mogelijk bij het station de mogelijkheid om zelfstandige kantoren te realiseren in beraad wordt gehouden. In dit plan wordt dit echter niet geregeld.

18.5. Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Verordening ruimte, wijzen bestemmingsplannen voor gronden die zijn gelegen buiten de invloedsfeer van de op kaart 5 aangeduide haltes in de kantoorontwikkelingslocaties geen bestemmingen aan die nieuwe kantoren mogelijk maken. Binnen de invloedsfeer van deze haltes liggen gronden die te voet binnen 10 minuten vanaf deze haltes bereikbaar zijn. Voor de haltes Den Haag Centraal en Rotterdam Centraal geldt dat binnen de invloedsfeer eveneens gronden liggen die vanaf deze haltes binnen 10 minuten bereikbaar zijn met natransport via hoogfrequente bus- en railverbindingen; kantoren mogen alleen worden toegelaten in de directe nabijheid van de haltes van het natransport.

Ingevolge het tweede lid, is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op:

a) kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto oppervlak van maximaal 1.000 m² per vestiging;

b) kantoren met een lokaal verzorgingsgebied, zoals gemeentehuizen en bankfilialen;

c) bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak en minder is dan 3.000 m²,

d) functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven, een veiling of een kenniscentrum;

e) uitbreiding van bestaande kantoren, eenmalig met ten hoogste 10% van het bestaande bruto vloeroppervlak.

Ingevolge het derde lid mogen bestemmingsplannen in afwijking van het bepaalde in lid 1 nieuwe kantoren mogelijk maken voor zover het gaat om:

a) het herbestemmen van onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden voor kantoren of

b) locaties die zijn opgenomen op bijlage 1 van deze verordening.

Voorwaarde daarbij is dat strikte toepassing van het bepaalde in lid 1 zou leiden tot onevenredige benadeling van andere belangen. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording.

18.6. Artikel 7, derde lid van de Verordening ruimte biedt de raad de mogelijkheid zelfstandig een afweging te maken over de aanvaardbaarheid van nieuwe kantoorbestemmingen voor zover het gaat om het herbestemmen van onbenutte bouw- en gebruiksmogelijkheden. Niet is gebleken dat de raad dit heeft onderkend. De raad heeft naast de vermeende strijd met de Verordening ruimte geen andere redenen aangevoerd waarom hij geen kantoorbestemming wenst en de bedrijfsbestemming wil continueren, terwijl de begane grond van het pand, ondanks inspanningen van Drukkerij Voorschoten al ongeveer tien jaar leegstaat. Gelet daarop ziet de Afdeling in hetgeen Drukkerij Voorschoten heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf", voor zover toegekend aan het perceel Dobbeweg 1, voor zover ter plaatse geen kantoren op de begane grond zijn toegestaan, niet berust op een deugdelijke motivering.

Het betoog slaagt.

[locatie 4]

19. Ter zitting heeft [appellante sub 2] haar beroep tegen de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-[fabriek]" en de bestemming "Tuin-2" ingetrokken.

20. [appellante sub 2] richt zich tegen de planregeling voor haar perceel aan de [locatie 4], kadastraal bekend Voorschoten sectie B nummer 6939. [appellante sub 2] gebruikt dit perceel ten behoeve van haar [fabriek].

[fabriek]

21. [appellante sub 2] voert aan dat de raad de [fabriek] ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd. Zij voert daartoe aan dat de aan een deel van haar perceel toegekende aanduiding "specifieke vorm van bedrijf uitgesloten-4" het soort bedrijvigheid dat kan plaatsvinden op de betreffende gronden ten onrechte beperkt. Volgens [appellante sub 2] betekent deze beperking dat in feite alleen bedrijven in milieucategorie 1 zijn toegestaan. Dit maakt de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" ten onrechte nutteloos.

21.1. De raad stelt dat de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf uitgesloten-4" ten onrechte is toegekend aan het deel van het perceel waar de [fabriek] is gevestigd.

21.2. Aan een deel van het perceel dat in gebruik is als [fabriek] is de bestemming "Bedrijf" toegekend, alsmede, voor zover thans van belang, de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf-[fabriek]", "specifieke vorm van bedrijf-uitgesloten 4", "bedrijf tot en met categorie 3.1" en "wro-zone wijzigingsgebied 2".

21.3. Nu de raad ten aanzien van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf uitgesloten-4" heeft gesteld dat deze aanduiding abusievelijk ook aan een deel van het perceel waarop de [fabriek] is gevestigd, is toegekend, heeft de raad zich in zoverre op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld.

Het betoog slaagt.

Wijzigingsbevoegdheid

22. [appellante sub 2] kan zich niet vinden in de aan een deel van haar perceel toegekende wijzigingsbevoegdheid, waarmee de bedrijfsbestemming van de gronden ter plaatse gewijzigd kan worden naar de bestemming "Tuin-2". Volgens haar is de wijzigingsbevoegdheid niet reëel omdat de exploitatie van haar [fabriek] niet binnen de planperiode zal worden beëindigd. Het toekennen van de wijzigingsbevoegdheid is bezwaarlijk omdat de waarde van het perceel hierdoor daalt en [appellante sub 2] financiële schade lijdt. Volgens [appellante sub 2] gebruikt de raad de wijzigingsbevoegdheid ten onrechte als uitsterfconstructie. [appellante sub 2] voert voorts aan dat de grens van het bestemmingsvlak waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend, dwars door het bestaande gebouw van de [fabriek] is getrokken, hetgeen de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid eveneens beperkt en daarnaast onevenredig beperkend is voor het gebruik van de gronden die aansluiten op de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid wordt toegekend, nu het gebouw in zijn geheel gesloopt zal moeten worden.

22.1. De wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming "Tuin-2" betreft volgens de raad geen verplichting en is niet aan de orde indien de [fabriek] duurzaam geëxploiteerd wordt. Volgens de raad worden in de bestemming "Tuin-2" de bestaande ontsluitingswegen als zodanig bestemd.

22.2. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2" toegekend. Aan dat deel zijn voorts de bestemming "Bedrijf" en de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf-[fabriek]" en "bedrijf tot en met categorie 3.1" toegekend.

Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b en f van de planregels, zijn ter plaatse een [fabriek] alsmede bedrijfsmatige activiteiten, behorende tot categorieën 1 t/m 3.1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in de bijlage van de planregels, toegestaan.

22.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.7.2, van de planregels, zijn burgemeester en wethouders, met toepassing van artikel 3.6 van de Wro, bevoegd de bestemming ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2" te wijzigen, naar de bestemming "Tuin-2", indien de functie van [fabriek] duurzaam is beëindigd en niet zal worden hervat.

22.4. Gelet op artikel 4, lid 4.7.2, van de planregels is de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid gekoppeld aan de duurzame beëindiging van de functie van de [fabriek].

De raad heeft niet onderkend dat op de gronden waaraan de wijzigingsbevoegdheid is toegekend tevens andere bedrijfsmatige activiteiten tot en met categorie 3.1 zijn toegestaan. Daaruit volgt dat de raad niet heeft onderkend dat het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid tot een aanzienlijke beperking van de gebruiksmogelijkheden van de betreffende gronden van [appellante sub 2] zal leiden.

Nu de raad dit niet heeft onderkend is de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2" in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

Geluidwerende voorzieningen

23. [appellante sub 2] voert aan dat in het plan ten onrechte is opgenomen dat een inrichting ter plaatse van de aanduiding "milieuzone-1" uitsluitend in gebruik mag worden genomen of in werking mag zijn, indien en voor zover, met het oog op relevante wetgeving en/of vergunningen in voldoende mate is voorzien in geluidbeperkende, geluidwerende voorzieningen dan wel ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm" in geluidafschermende maatregelen. De bepaling gaat volgens [appellante sub 2] niet verder dan dat daarin wordt bepaald dat bedrijven zich aan de milieuregelgeving moeten houden. Dit hoort volgens [appellante sub 2] niet thuis in een bestemmingsplan en is volgens haar daarom in strijd met het systeem van de wet.

23.1. De raad stelt dat de bepaling niet in strijd is met de wet, aangezien het gaat om een planologisch relevante bepaling om aan te geven waar een geluidscherm dient te worden opgericht indien dat nodig is gelet op de milieuregelgeving. De raad acht het oprichten van het geluidscherm in dergelijke situaties noodzakelijk met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan.

23.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.4, onder a, van de planregels mag een inrichting als bedoeld in lid 4.1 ter plaatse van de aanduiding "milieuzone -1" uitsluitend in werking worden genomen of in werking zijn, indien is voorzien in een geluidwerende voorziening ter plaatse van de aanduiding "geluidscherm", tenzij:

- de inrichting tot een lagere milieucategorie behoort dan ter plaatse op grond van deze regels bij recht is toegestaan;

- door middel van maatregelen aan de bron of in de overdracht van het geluid voorzien wordt in een aanvaardbare geluidsbelasting op de gevels van woningen en/of andere geluidgevoelige functies.

23.3. Aan de gronden van [appellante sub 2] is gedeeltelijk de aanduiding "milieuzone-1" toegekend. Aan delen van het perceel van [appellante sub 2] is de aanduiding "geluidscherm" toegekend.

Het plan maakt oprichting van een geluidscherm mogelijk op de door middel van een aanduiding op de verbeelding aangegeven plaats. De planregel heeft aldus tot doel de plaatsing van een eventueel gelet op milieuregelgeving benodigd geluidscherm vast te leggen. De planregel dient gelet daarop een ander doel dan de bestaande milieuregelgeving. In het aangevoerde wordt reeds daarom geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat artikel 4, lid 4.4, van de planregels in zoverre in strijd is met het systeem van de wet.

Het betoog faalt.

Overig

23.4. [appellante sub 2] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het herhalen van de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

Opdracht

24. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Bestuurlijke lus

25. Gelet op hetgeen is overwogen onder 18.6 is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf", voor zover daar geen kantoren op de begane grond zijn toegestaan.

26. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met betrekking tot het beroep van Drukkerij Voorschoten de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen alsnog te bezien of het plandeel met de bestemming "Bedrijf", voor zover toegekend aan het perceel Dobbeweg 1 en voor zover daar geen kantoren op de begane grond zijn toegestaan, gelet op de betrokken belangen in stand kan blijven. De raad dient daartoe, met in achtneming van hetgeen is overwogen onder 18.6, alsnog toereikend te motiveren waarom de bestemming "Bedrijf" passend is voor het perceel, dan wel het bestreden besluit zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient de raad het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

27. Met betrekking tot het beroep van [appellante sub 2] ziet de Afdeling wegens het ontbreken van een belang van partijen bij het nemen van een nieuw besluit geen aanleiding tot het toepassen van een bestuurlijke lus.

Conclusie

28. Het beroep van [appellante sub 2] is gegrond. Het besluit van 20 december 2012 dient wegens strijd met 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-uitgesloten-4" en de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2", voor zover deze zijn toegekend aan het deel van het perceel van [appellante sub 2] waarop de [fabriek] is gevestigd.

29. De beroepen van [appellante sub 5], Vereniging Recht door Recht, [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellanten sub 10] en [appellante sub 3] zijn ongegrond.

30. Ten aanzien van Drukkerij Voorschoten zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

31. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

32. Ten aanzien van [appellante sub 5], Vereniging Recht door Recht, [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellanten sub 10] en [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Voorschoten van 20 december 2012, kenmerk 2727, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-uitgesloten-4" en de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied 2", voor zover deze zijn toegekend aan het deel van het perceel van [appellante sub 2] waarop de [fabriek] is gevestigd;

III. draagt de raad van de gemeente Voorschoten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV. draagt de raad van de gemeente Voorschoten naar aanleiding van het beroep van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Drukkerij Voorschoten B.V. op om binnen twintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- het besluit van de raad van de gemeente Voorschoten van 20 december 2012, kenmerk 2727, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 18.6 en 26 te herstellen en

- de Afdeling en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Drukkerij Voorschoten B.V. de uitkomst mede te delen en

- een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

V. verklaart de beroepen van [appellante sub 3], Vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Recht door Recht, [appellante sub 5], [appellanten sub 6], [appellante sub 7 A] en [appellant sub 7 B], [appellant sub 8], [appellant sub 9] en [appellanten sub 10] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Voorschoten tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Voorschoten aan [appellante sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

539-731.