Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201304340/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:1817, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de burgemeester een machtiging verleend aan de toezichthoudend ambtenaar van de gemeente om zonder toestemming van de bewoners binnen te treden in de woning op het adres [locatie 1] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6757
AB 2015/114

Uitspraak

201304340/1/A3.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van het Bildt,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 april 2013 in zaak nr. 12/2634 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna in enkelvoud: [wederpartij]), wonend te [woonplaats], gemeente het Bildt,

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2012 heeft de burgemeester een machtiging verleend aan de toezichthoudend ambtenaar van de gemeente om zonder toestemming van de bewoners binnen te treden in de woning op het adres [locatie 1] te [plaats].

Bij besluit van 3 oktober 2012 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 oktober 2012 vernietigd, het besluit van 28 maart 2012 herroepen en de burgemeester veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 200,00 aan immateriële schadevergoeding aan elk van beiden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend en hierbij tevens hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2014, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door H.M. Kuipers, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en [wederpartij], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: de Awbi) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, is, voor zover de wet niet anders bepaalt, de burgemeester tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning, gelegen binnen zijn gemeente, voor andere doeleinden dan strafvordering bevoegd.

Ingevolge het derde lid gaat degene die bevoegd is een machtiging te geven daartoe slechts over, indien het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.

2. Op 1 juli 2013 zijn de artikelen 8:110 tot en met 8:112 van de Awb in werking getreden (Stb. 2013, 258). Nu de aangevallen uitspraak vóór deze datum is bekendgemaakt, zijn deze artikelen niet van toepassing. De Awb, zoals deze luidde tot 1 juli 2013, noch de Wet op de Raad van State biedt grondslag voor het instellen van incidenteel hoger beroep. Hoger beroep dient te worden ingesteld binnen de daartoe gestelde termijn. Voor zover [wederpartij] bij verweerschrift heeft beoogd hoger beroep in te stellen, is dat niet binnen die termijn ingesteld. Er doen zich geen feiten en omstandigheden voor op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3. Bij brieven van 15 augustus 2010 en 22 januari 2012 hebben omwonenden, wonend aan de [locatie 2 en 3] verzocht om handhavend op te treden tegen het houden van paarden en honden op het perceel [locatie 1] wegens stank- en geluidsoverlast. De burgemeester heeft, nadat een aantal keer vruchteloos is geprobeerd een afspraak met [wederpartij] te maken voor een controle aan huis door het handhavingsbureau, machtiging verleend tot het binnentreden van de woning zonder toestemming van de bewoners. In de machtiging is vermeld dat dit noodzakelijk is voor het uitvoeren van controle met het oog op toezicht op de naleving van het bepaalde in het bestemmingsplan.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat een inmenging in het huisrecht gerechtvaardigd kan zijn ter controle van strijd met een bestemmingsplan aangezien een dergelijke controle het belang van de openbare veiligheid en het economische welzijn dient. Volgens de rechtbank was het verkrijgen van toegang tot de woning in dit geval echter niet noodzakelijk. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat een huisbezoek een zeer ingrijpend middel is dat pas kan worden ingezet indien het vermoeden van een illegale situatie voldoende serieus is en voor de bevestiging van dit vermoeden minder ingrijpende middelen niet aanwezig zijn om te kunnen vaststellen of zich een overtreding voordoet. Volgens de rechtbank waren in dit geval alternatieven aanwezig en bestond ook overigens onvoldoende aanleiding de woning tegen de wil van de bewoners te betreden. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het afgeven van de machtiging uitsluitend is gebaseerd op klachten van omwonenden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat door een controle die in 2001 heeft plaatsgevonden bij het gemeentebestuur al bekend was dat in het verleden acht honden en twee paarden werden gehouden waarvan destijds niet is geconstateerd dat dit illegaal was. De rechtbank heeft geen betekenis toegekend aan de bekendheid van toezichthouders met de recente situatie ter plaatse omdat geen rapporten van hun bevindingen van de observaties zijn overgelegd. Voorts acht zij van belang dat niet eerst bij [wederpartij] is geïnformeerd naar het aantal paarden en honden dat op het perceel wordt gehouden. De rechtbank is verder van oordeel dat het perceel vanuit naburige percelen had kunnen worden gecontroleerd, zoals vanuit de tuin van de buren of zo nodig ook in de tuin van [wederpartij].

5. De burgemeester stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan alle feiten en omstandigheden die tot het afgeven van de machtiging in dit geval hebben geleid.

De burgemeester heeft hierbij uiteengezet dat ter plaatse al langer bestaande en hoog oplopende burenruzies bestaan, waarbij over en weer handhavingsverzoeken worden ingediend en procedures worden gevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte betekenis toegekend aan de controle die in 2001 heeft plaatsgevonden, terwijl deze controle niet zag op het controleren van de woonbestemming. Dat destijds niet tot strijd met het bestemmingsplan is geconcludeerd zegt derhalve, mede gelet op het tijdsverloop, niets over de huidige situatie, aldus de burgemeester.

Volgens de burgemeester zijn de door de rechtbank genoemde alternatieve middelen niet toereikend, aangezien deze geen inzicht geven in het daadwerkelijke aantal aanwezige dieren en de wijze waarop deze worden gehouden. Anders dan waar de rechtbank van uit is gegaan, heeft [wederpartij] geweigerd hierin inzicht te geven, terwijl dit hem wel is gevraagd. Voorts zijn toezichthouders regelmatig ter plaatse geweest, waarvan ook een aantal keer op het perceel van [wederpartij] en dat van de buren, in verband met andere handhavingsgeschillen. Op dat moment was al geconstateerd dat ter plaatse een groot aantal dieren werd gehouden en kon ook worden geconcludeerd dat op deze wijze geen volledig inzicht kon worden verkregen in het exacte aantal dieren en de wijze waarop deze binnen de woning en de overige opstallen werden gehouden. Vanuit de behoefte een zorgvuldig besluit te nemen op het handhavingsverzoek en om nieuwe procedures te voorkomen is [wederpartij] gevraagd een afspraak te maken zodat de feiten nauwkeurig konden worden vastgesteld. Nadat zowel schriftelijk als telefonisch tevergeefs is getracht medewerking te verkrijgen, is uiteindelijk overgegaan tot het afgeven van de machtiging.

6. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoners een zeer ingrijpend middel is dat alleen kan worden ingezet indien het vermoeden van een illegale situatie voldoende serieus is en het voor de bevestiging van dit vermoeden redelijkerwijs noodzakelijk is dat toegang wordt verkregen tot die woning omdat geen minder ingrijpende middelen aanwezig zijn. De Afdeling is echter van oordeel dat aan deze voorwaarden voor het verlenen van een machtiging in dit geval is voldaan. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, heeft de burgemeester het vermoeden van overtreding van het bestemmingsplan niet uitsluitend gebaseerd op de klachten van omwonenden. De burgemeester heeft dit ook gebaseerd op de observaties die op het perceel zijn uitgevoerd door toezichthouders die zich al enige tijd bezighouden met diverse conflicten tussen de bewoners. Ter zitting heeft H.M. Kuipers, toezichthouder, uiteengezet dat zij voorafgaand aan het afgeven van de machtiging een aantal keer op het perceel van [wederpartij] en op percelen van de buren is geweest in het kader van andere handhavingsgeschillen. Hierbij is geconstateerd dat op het perceel verscheidene dieren werden gehouden, zodat bekend was dat de klachten van de buren niet van elke grond ontbloot waren. Het enkele feit dat van deze gegevens geen rapporten zijn overgelegd in deze procedure betekent niet dat de burgemeester hieraan geen enkele betekenis mocht toekennen. [wederpartij] was immers, als één van de betrokkenen bij de handhavingsgeschillen, bekend met deze controles en heeft ook niet ontkend dat deze hebben plaatsgevonden.

Nu de toezichthouder al eerder op het perceel van [wederpartij] en de percelen van de buren was geweest, en heeft verklaard dat hierbij onvoldoende informatie kon worden verkregen aangezien de dieren zich grotendeels in de woning en overige opstallen bevonden, valt niet in te zien dat het nogmaals observeren op deze wijze als afdoende alternatief kan worden beschouwd.

Voorts is aan [wederpartij] informatie gevraagd over het aantal dieren en de wijze waarop deze werden gehouden. Gezien de brieven die zich omtrent het verzoek om controle in het dossier bevinden en de verklaringen van [wederpartij] ter zitting is aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] geen medewerking wilde verlenen aan het vaststellen van het aantal dieren en de wijze waarop deze werden gehouden op het perceel, aangezien hij het verzoek om handhaving als zoveelste pesterij van de buren ziet. Voorts valt niet in te zien dat betekenis moet worden toegekend aan de controle die heeft plaatsgevonden in 2001, reeds gelet op het tijdsverloop tussen deze controle en de afgegeven machtiging.

Deze omstandigheden bij elkaar genomen leiden de Afdeling tot het oordeel dat de burgemeester, die op zorgvuldige wijze op het handhavingsverzoek diende te beslissen, op basis van de bekendheid van de toezichthouder met de situatie ter plaatse en de in het verleden naar voren gekomen gegevens, een voldoende serieus vermoeden had dat zich ter plaatse een overtreding van het bestemmingsplan voordeed. Voorts waren voor de burgemeester in dit specifieke geval geen alternatieve, minder ingrijpende middelen aanwezig om deze feiten vast te kunnen stellen.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep van de burgemeester is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Gelet op het onder 6 overwogene en nu de overige overwegingen van de aangevallen uitspraak, waarbij de beroepsgronden van [wederpartij] uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, niet in hoger beroep zijn bestreden zal de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2012 van de burgemeester alsnog ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

8. Voor proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [wederpartij A] en [wederpartij B] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep van de burgemeester van het Bildt gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 april 2013, in zaak nr. 12/2634;

IV. verklaart het door [wederpartij A] en [wederpartij B] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V. wijst het verzoek van [wederpartij A] en [wederpartij B] om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Langeveld-Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014