Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1411

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201300342/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:26184, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 14 oktober 2011 heeft [appellante] verzocht twee vaste paaltjes voor de gevel van het pand aan de Mallemolen nrs. 51 en 53 te Den Haag te vervangen door uitneembare paaltjes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/327

Uitspraak

201300342/1/A3.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante]), wonend te Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 november 2012 in zaak nr. 12/5413 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij brief van 14 oktober 2011 heeft [appellante] verzocht twee vaste paaltjes voor de gevel van het pand aan de Mallemolen nrs. 51 en 53 te Den Haag te vervangen door uitneembare paaltjes.

Bij brief van 28 december 2011 heeft het college [appellante] geïnformeerd dat het niet hiervoor geen aanleiding ziet.

Bij besluit van 25 mei 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 26 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 mei 2012 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 7 augustus 2013 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk is verklaard.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2014, waar [appellante], en het college, vertegenwoordigd door A.S. Imanse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

2. Bij het besluit op bezwaar van 25 mei 2012 heeft het college het door [appellante] ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard aangezien de brief van 28 december 2011 naar de mening van het college ziet op de weigering een feitelijke handeling te verrichten en niet op een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

3. De rechtbank heeft overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of de brief van 28 december 2011 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, beoordeeld dient te worden of vervanging van de bestaande twee vaste paaltjes door uitneembare paaltjes leidt tot een uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat gebruik kan maken van de doorgang tussen Mallemolen nrs. 51 en 53 en nrs. 71 en 73. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college nagelaten dit te onderzoeken. De rechtbank heeft daarom het beroep gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 25 mei 2012 vernietigd.

4. [appellante] bestrijdt deze overwegingen van de rechtbank in hoger beroep niet.

5. [appellante] heeft hoger beroep ingesteld omdat de rechtbank volgens haar heeft miskend dat de brief van 14 oktober 2011 niet alleen beschouwd had moeten worden als een aanvraag om vervanging van de vaste verkeerspaaltjes door uitneembare paaltjes, maar ook als een bezwaar tegen een (mogelijk) verkeersbesluit dat de weg vrijmaakte voor het plaatsen van de vaste paaltjes, dan wel, voor zover de Afdeling oordeelt dat een dergelijk verkeersbesluit niet is genomen, een verzoek tot herstel van de situatie vóór het plaatsen van de paaltjes.

5.1. [appellante] heeft deze grond voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd, en zij dit uit een oogpunt van zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond.

7. Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellante] ingediende bezwaarschrift. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

8. Bij dit besluit heeft het college het bezwaarschrift opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een onderzoek ter plaatse, dat is uitgevoerd met een vrachtwagen met een breedte van 2,43 meter, een containerauto met een breedte van 2,43 meter en een brandweerauto met een breedte van 2,60 meter. Het Handboek Openbare Ruimte, dat het college hanteert voor de inrichting van wegen, gaat uit van een maximale breedte van een ontwerpvoertuig van 2,65 meter plus 30 centimeter aan elke zijde die benodigd is voor spiegels. Uit het onderzoek is gebleken dat de voertuigen ook na het uitneembaar maken van de paaltjes geen gebruik van de doorgang tussen Mallemolen nrs. 51 en 53 en nrs. 71 en 73 kunnen maken, zodat vervanging van de paaltjes niet leidt tot een uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van de doorgang gebruik kan maken, aldus het college. De brief van 28 december 2011 houdt naar de mening van het college daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb in, maar slechts een weigering een feitelijke handeling te verrichten.

9. [appellante] betoogt dat destijds door het plaatsen van de vaste paaltjes het aantal categorieën weggebruikers dat gebruik kan maken van de doorgang is beperkt. Daartoe voert zij aan dat in 2010 een grote vrachtauto door de doorgang heeft kunnen rijden om het riool door te spuiten en te reinigen. Ter toelichting heeft zij een factuur overgelegd van het bedrijf dat deze werkzaamheden heeft verricht. De uitkomsten van het aan het besluit ten grondslag gelegde onderzoek zijn onjuist, aldus [appellante].

9.1. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat de afstand tussen de vaste paaltjes 2,43 meter bedraagt. Uit de door [appellante] overgelegde factuur blijkt de breedte van de vrachtauto niet en evenmin dat deze daadwerkelijk door de doorgang is gereden. Derhalve heeft [appellante] met het overleggen van de factuur niet aannemelijk gemaakt dat het vervangen van de vaste paaltjes door uitneembare paaltjes gevolgen zal hebben voor het aantal categorieën weggebruikers dat van de doorgang gebruik kan maken. [appellante] heeft voorts een verklaring van de directeur van het Rode Kruis van 13 januari 1993, een verklaring van een notaris van 6 april 1993, een kadastrale tekening van het Hof Mallemolen 55 en een door [appellante] bewerkte en ingekleurde kadastrale tekening ingediend. Deze stukken geven geen inzicht in het aantal categorieën weggebruikers dat gebruik kan maken van de doorgang na vervanging van de bestaande twee vaste paaltjes door uitneembare paaltjes, zodat zij hiermee evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkomsten van het onderzoek onjuist zijn. Gezien het voorgaande heeft het college op goede gronden het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. Het betoog faalt.

10. Het beroep van rechtswege van [appellante] tegen het besluit van 7 augustus 2013 is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 7 augustus 2013, kenmerk B.3.13.0106.001 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

43-798.