Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201300693/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5410, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad naar aanleiding van een verzoek van [appellant A] en anderen het voornemen tot het geven van een ontwerpopdracht voor de uitbreiding en verbouwing van het gemeentehuis in Overveen voor een bedrag van € 401.500,00 niet referendabel geacht. Op dezelfde datum heeft de raad ingestemd met een voorlopig ontwerp voor de renovatie en uitbreiding van het gemeentehuis en het college van burgemeester en wethouders opdracht gegeven te starten met de uitvoering van de definitieve ontwerpfase en hiervoor een krediet beschikbaar te stellen van € 401.500,00, als onderdeel van de totale investeringslasten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2014/79

Uitspraak

201300693/1/A3.

Datum uitspraak: 23 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] (hierna: [appellant A] en anderen), allen wonend te Bloemendaal,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 december 2012 in zaak nr. 12/3753 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

de raad van de gemeente Bloemendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de raad naar aanleiding van een verzoek van [appellant A] en anderen het voornemen tot het geven van een ontwerpopdracht voor de uitbreiding en verbouwing van het gemeentehuis in Overveen voor een bedrag van € 401.500,00 niet referendabel geacht.

Op dezelfde datum heeft de raad ingestemd met een voorlopig ontwerp voor de renovatie en uitbreiding van het gemeentehuis en het college van burgemeester en wethouders opdracht gegeven te starten met de uitvoering van de definitieve ontwerpfase en hiervoor een krediet beschikbaar te stellen van € 401.500,00, als onderdeel van de totale investeringslasten.

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de raad het door [appellant A] en anderen gemaakte bezwaar, voor zover dat is gericht tegen het besluit tot het niet referendabel achten van het voornemen, gegrond verklaard en dit besluit, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd en, voor zover dat is gericht tegen de instemming, de opdracht en het beschikbaar stellen van het krediet, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2014, waar [appellant A] en anderen, bijgestaan door mr. W.J.R.M. Welschen, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Lever, advocaat te Leiden, en R. Vernooij, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. De raad heeft gesteld dat [appellant A] en anderen geen belang meer hebben bij beoordeling van hun hoger beroep, nu inmiddels vervolgbesluiten zijn genomen, zodat de renovatie en uitbreiding van het gemeentehuis niet meer kunnen worden tegengehouden.

2.1. Aannemelijk is dat de raad op korte termijn weer besluiten zal nemen ten aanzien waarvan initiatieven tot het houden van een referendum zullen worden ingediend. Aangezien de uitspraak in hoger beroep voor de besluiten op die initiatieven gevolgen zal kunnen hebben, hebben [appellant A] en anderen belang bij beoordeling van het hoger beroep.

3. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Referendumverordening Bloemendaal 2009 (hierna: de verordening) wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen onder referendum verstaan: een raadgevende volksstemming waarbij de kiesgerechtigden zich uitspreken over een door de raad te nemen besluit.

Ingevolge onderdeel d wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van de raad.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder i, kan een referendum niet worden gehouden over besluiten die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, eerste volzin, kunnen kiesgerechtigden schriftelijk aangeven dat zij een initiatief willen nemen tot een referendum over een voorgenomen besluit.

Ingevolge het vijfde lid, eerste volzin, beslist de raad, indien een kennisgeving is gedaan volgens de gestelde eisen, in dezelfde vergadering waarvoor het besluit van de raad is geagendeerd met inachtneming van het bepaalde in artikel 3, of over dit besluit een referendum kan worden gehouden.

4. Op 25 juni 2009 heeft de raad ingestemd met de Projectopdracht centrale huisvesting gemeentelijke organisatie (exclusief buitendienst) van het college, betreffende het uitvoeren van een onderzoek naar de meest optimale route naar de centrale huisvesting.

Op 1 juni 2010 heeft de raad het college opdracht gegeven om het ontwerp van de centrale huisvesting van de gemeentelijke organisatie verder uit te werken in een gedetailleerd ruimtelijk, functioneel en technisch programma van eisen en in een ontwerp van interieur en exterieur. Voorts heeft de raad ingestemd met de vervolgstappen en de projectplanning, waaronder de Europese aanbestedingsprocedure voor de selectie van een architect, en hiervoor een krediet beschikbaar gesteld van € 100.000,00.

Op 26 mei 2011 heeft de raad het programma van eisen gemeentelijke huisvesting vastgesteld, de definitiefase van het project afgesloten, het college opgedragen een voorlopig ontwerp voor te bereiden en daarvoor een voorbereidingskrediet van € 623.000,00 beschikbaar gesteld.

Vervolgens heeft de raad het besluit van 22 december 2011 en de beslissing betreffende de instemming, de opdracht en het beschikbaar stellen van het krediet van dezelfde datum genomen, alsmede het besluit van 25 juni 2012 op het bezwaar van [appellant A] en anderen.

5. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de bepalingen in de verordening die zien op het referendum onverbindend moeten worden geacht, geldt dat zij desgevraagd niet naar voren hebben gebracht met welk hoger voorschrift de bepalingen in strijd zijn. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze bepalingen onverbindend zijn.

6. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beslissing betreffende de instemming, de opdracht en het beschikbaar stellen van het krediet van 22 december 2011 niet referendabel was, omdat die beslissing zijn grondslag vindt in die van 26 mei 2011, waarover een referendum kon worden gehouden. Volgens [appellant A] en anderen is, als aan de beslissing van 26 mei 2011 voorafgaande beslissingen referendabel worden geacht, die beslissing niet referendabel. Zou de raad die voorafgaande beslissingen niet referendabel achten, dan heeft hij onvoldoende gemotiveerd waarom dat naar zijn oordeel het geval is, nu hij die beslissingen eerder wel referendabel achtte. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat niet opnieuw gelegenheid ontstaat tot het houden van een referendum over een nieuw gemeentehuis nu met de beslissing van 22 december 2011 een nieuwe fase van het project is ingeluid. Volgens hen bevat de beslissing van 22 december 2011 wezenlijk nieuwe aspecten ten opzichte van die van 26 mei 2011.

6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de raad bij toepassing van artikel 3 van de verordening beoordelingsvrijheid heeft, zodat de rechter terughoudend dient te toetsen.

6.2. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beslissing betreffende de instemming, de opdracht en het beschikbaar stellen van het krediet van 22 december 2011 objectief gezien zijn grondslag vindt in en voortbouwt op de beslissing van 26 mei 2011 en dat het voornemen tot de beslissing van 26 mei 2011 referendabel was. De Afdeling neemt hierbij mede in aanmerking dat de beslissingen van 25 juni 2009 en 1 juni 2010 hoofdzakelijk een intern en voorbereidend karakter hebben. Met het nemen van de beslissing van 26 mei 2011 heeft de raad definitief ingestemd met het project tot renovatie en uitbreiding van het gemeentehuis. Bij deze beslissing is de onderzoeks- en definitiefase beëindigd en zijn contracten gesloten met onder meer een architect, een projectleider en andere adviseurs.

Hetgeen [appellant A] en anderen aanvoeren leidt niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorgenomen beslissing van 22 december 2011 niet referendabel was.

Het betoog faalt.

7. [appellant A] en anderen betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad hun bezwaar voor zover dat is gericht tegen de beslissing betreffende de instemming, de opdracht en het beschikbaar stellen van krediet van 22 december 2011, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 8:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat het feit dat die beslissing samenhangt met het besluit tot het niet referendabel achten van dezelfde datum er niet toe kan leiden dat deze bepaling opzij wordt gezet.

7.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de beslissing betreffende de instemming, de opdracht en het beschikbaar stellen van krediet van 22 december 2011 ziet op de voorbereiding van privaatrechtelijke rechtshandelingen. Een beslissing ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling valt onder artikel 8:3 van de Awb. Tegen de beslissing van 22 december 2011 kon dan ook geen beroep worden ingesteld en op grond van artikel 7:1, eerste lid, evenmin bezwaar worden gemaakt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de raad reeds hierom het bezwaar van [appellant A] en anderen tegen deze beslissing, daargelaten of deze beslissing een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zo al samenhang zou bestaan tussen de beslissing van 22 december 2012 en het besluit van dezelfde datum, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat dat er niet toe zou kunnen leiden dat artikel 8:3 opzij wordt gezet.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Langeveld-Mak

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2014

317-741.