Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1401

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
201304606/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304606/1/V1.

Datum uitspraak: 18 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Buitenlandse Zaken,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 april 2013 in zaak nr. 12/29939 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2011 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 22 augustus 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 26 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling heeft op 6 juni 2011 een aanvraag om verlening van een mvv ingediend in het kader van gezinshereniging bij zijn [moeder] (hierna: referente). Aan referente is bij besluit van 4 januari 2002 een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) verleend.

3. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft beoordeeld of de vreemdeling aanspraken kan ontlenen aan de in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 nr. 2008/17 (hierna: het WBV 2008/17) neergelegde 'Tijdelijke overgangsregeling niet-tijdige aanvraag gezinsleden artikel 29, eerste lid, onder e en f Vw (tijdelijke regeling nareis gezinsleden)' (hierna: de tijdelijke regeling). De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de tijdelijke regeling gold tot en met 2 september 2008. Nu de vreemdeling zijn aanvraag eerst op 6 juni 2011 heeft ingediend, kan hij geen aanspraak maken op toepassing van de tijdelijke regeling, aldus de staatssecretaris.

3.1. Ingevolge artikel II van het WBV 2008/17 treedt dit in werking met ingang van 2 juni 2008, en vervalt het op 2 september 2008. De staatssecretaris betoogt derhalve terecht dat de vreemdeling geen aanspraak kan maken op toepassing van de tijdelijke regeling.

De grief slaagt.

3.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling besluit van 22 augustus 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

4. Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals ten tijde van belang luidend, wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

Ingevolge het tweede lid kan in de overige gevallen de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.

Ingevolge artikel 3.22, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, verleend, indien de hoofdpersoon:

a. duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, en

b. een garantstelling heeft ondertekend, voor zover de vreemdeling als partner van die persoon wil verblijven.

Ingevolge het tweede lid, zoals de bepaling luidde ten tijde van belang, wordt in afwijking van het eerste lid de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon 65 jaar of ouder is of naar het oordeel van de staatssecretaris blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.

Ingevolge het derde lid wordt, tenzij sprake is van gezinsvorming, de verblijfsvergunning in afwijking van het eerste lid eveneens verleend, indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is verleend en gezinshereniging niet mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.

Volgens paragraaf B2/2.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), zoals luidend ten tijde van belang, wordt de blijvendheid van de arbeidsongeschiktheid aangenomen indien:

- sprake is van ten minste twee jaar volledige arbeidsongeschiktheid;

- (gedeeltelijk) herstel voor ten minste nog een jaar redelijkerwijs is uitgesloten; en

- niet reeds op voorhand, gelet op de reden(en) van de arbeidsongeschiktheid, geheel of gedeeltelijk herstel na dit jaar is te verwachten.

De vreemdeling legt zelf een verklaring over van de GG&GD dan wel een bedrijfsarts of verzekeringsarts waaruit het vorenstaande blijkt.

5. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat niet wordt voldaan aan het middelenvereiste. Niet is gebleken dat referente blijvend en volledig arbeidsongeschikt is, zodat geen reden bestaat voor vrijstelling van het middelenvereiste op grond van artikel 3.22, tweede lid, van het Vb 2000. De stelling dat referente wegens haar medisch-psychische toestand niet in staat is om te werken is volgens de staatssecretaris onvoldoende voor vrijstelling, nu de gestelde gezondheidstoestand niet met stukken is gestaafd. De bij brieven van 17 november 2011 en 9 december 2011 overgelegde toestemmingsverklaringen en bewijzen omtrent de medische situatie en de bij brief van 16 augustus 2011 overgelegde verklaring van de psychiater van referente kunnen niet dienen ter staving van deze stelling, nu dit geen stukken zijn zoals genoemd in paragraaf B2/2.10 van de Vc 2000.

5.1. Het betoog van de vreemdeling dat het tegenwerpen van het middelenvereiste in strijd is met artikel 12 van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Richtlijn 2003/86) faalt. Deze bepaling biedt de lidstaten immers de mogelijkheid het middelenvereiste tegen te werpen wanneer het verzoek om gezinshereniging niet wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden na de toekenning van de vluchtelingenstatus. Dit is neergelegd in artikel 3.22 van het Vb 2000.

Het betoog van de vreemdeling dat de gestelde gezondheidstoestand van referente voldoende is gestaafd met de overgelegde medische stukken faalt evenzeer, nu de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit geen stukken zijn zoals genoemd in paragraaf B2/2.10 van de Vc 2000.

5.2. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan de aanvraag zou moeten worden ingewilligd. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hem niet verweten kan worden dat niet binnen drie maanden nadat aan referente bij besluit van 4 januari 2002 de verblijfsvergunning is verleend namens hem een mvv-aanvraag is ingediend. Ten tijde van de verlening van haar verblijfsvergunning was referente in de veronderstelling dat de vreemdeling was overleden en is zij niet op de hoogte gebracht van de mogelijkheid tot gezinshereniging en het veilig stellen van de nareistermijn. Volgens de vreemdeling heeft de staatssecretaris erkend dat de informatievoorziening destijds onzorgvuldig was, nu hij de tijdelijke regeling in het leven heeft geroepen. Referente heeft in de periode dat deze regeling gold er namens de vreemdeling geen beroep op kunnen doen omdat zij op dat moment niet wist dat de vreemdeling nog leefde. Voor zover nu geen beroep meer kan worden gedaan op de tijdelijke regeling, dient zijn aanvraag wegens deze bijzondere omstandigheden te worden behandeld in overeenstemming met de strekking van de tijdelijke regeling, aldus de vreemdeling.

5.2.1. Artikel 3.13, tweede lid, van het Vb 2000 biedt de staatssecretaris de mogelijkheid om, indien niet wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 van het Vb 2000 genoemde voorwaarden, toch een verblijfsvergunning te verlenen. In hoofdstuk B2 van de Vc 2000 is geregeld in welke gevallen de verblijfsvergunning met toepassing van deze bepaling kan worden verleend. Dit beleid voorziet niet in verlening van een verblijfsvergunning wegens de door de vreemdeling gestelde, onder 5.2. genoemde omstandigheden.

Het betoog van de vreemdeling dat zijn aanvraag wegens bijzondere omstandigheden in overeenstemming met de strekking van de tijdelijke regeling, en in afwijking van het geldende beleid, dient te worden behandeld, faalt. De tijdelijke regeling was bedoeld om de onduidelijkheid weg te nemen die werd veroorzaakt door het eerdere ontbreken van een specifieke wijze van structurele informatieverstrekking over het belang van het tijdig indienen van een aanvraag voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f van de Vw 2000. De door de vreemdeling gestelde bijzondere omstandigheid, dat referente tot 2009 in de veronderstelling was dat de vreemdeling was overleden, houdt geen verband met dit doel. Reeds hierom kan deze omstandigheid niet als zodanig bijzonder worden aangemerkt, dat zij de staatssecretaris noopte de aanvraag van de vreemdeling te behandelen in overeenstemming met de strekking van de tijdelijke regeling.

5.3. De vreemdeling heeft voorts aangevoerd dat met de weigering hem een mvv te verlenen inbreuk wordt gemaakt op het door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) beschermde recht op eerbiediging van zijn familie- en gezinsleven. In dit verband heeft de vreemdeling betoogd, onder verwijzing naar het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (www.echr.coe.int; hierna: het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer) dat deze weigering getuigt van excessief formalisme, nu aan hem een mvv zou zijn verleend indien deze in 2002 was aangevraagd. Voorts heeft de vreemdeling aangevoerd dat hij in Senegal, waar hij nu verblijft, te vrezen heeft voor een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en dat referente dit ook te wachten staat, indien zij gedwongen wordt in Senegal te gaan wonen. Bovendien staat volgens de vreemdeling de gezondheidstoestand van referente in de weg aan een verblijf in Senegal. Ten slotte heeft de vreemdeling aangevoerd dat zijn belangen als kind ten onrechte niet zijn meegewogen.

5.3.1. Uit de jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven een "fair balance" moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en referente enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

5.3.2. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

5.3.3. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. In dit verband is volgens de staatssecretaris niet gebleken dat referente, die sinds 2001 in Nederland verblijft en een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand ontvangt, alle benodigde inspanningen heeft verricht om de Nederlandse taal te leren en zodoende haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Evenmin is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te voeren. Voor zover de vreemdeling heeft verwezen naar asielgerelateerde omstandigheden die aan uitoefening van het gezins- en familieleven in Senegal in de weg zouden staan, heeft hij nagelaten te onderbouwen waaruit deze bestaan. Voorts is de vreemdeling inmiddels meerderjarig zodat van hem verwacht kan worden zichzelf staande te houden in Senegal, waartoe hij tot op heden ook toe in staat is gebleken. De verwijzing naar het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer kan de vreemdeling niet baten, nu dit geen vergelijkbare zaak betreft. Niet is aangetoond dat referente vanwege haar medische situatie aan Nederland is gebonden, aldus de staatssecretaris.

5.3.4. Het geheel van de voor de te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor in 5.3.3. vermeld, biedt geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de weigering de vreemdeling een mvv te verlenen, niet in overeenstemming is met de "fair balance" die moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 22 augustus 2012 terecht op het standpunt gesteld dat zich geen schending voordoet van het recht op respect voor het gezins- en familieleven van de vreemdeling, bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in het arrest van 15 november 2011, C-256/11, Dereci, punt 70 (www.curia.europa.eu), dient aan artikel 7 van het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte te worden toegekend als aan artikel 8, eerste lid, van het EVRM, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het EHRM. Gelet hierop faalt het beroep van de vreemdeling op artikel 7 van het Handvest eveneens.

5.4. Het betoog van de vreemdeling dat het besluit van 22 augustus 2012 onvoldoende blijk geeft van een belangenafweging als bedoeld in artikel 17 van Richtlijn 2003/86, faalt. De in deze bepaling bedoelde belangenafweging heeft plaatsgevonden in het kader van artikel 3:4 van de Awb en artikel 8 van het EVRM.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 april 2013 in zaak nr. 12/29939;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 april 2014

512.