Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1390

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201400591/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de raad van de gemeente Den Haag een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 17 oktober 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Ypenburg". Tegen dit besluit hebben het gemeentebestuur en Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere beroep ingesteld. Zij hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400591/2/R3.

Datum uitspraak: 11 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen onder meer:

1. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het gemeentebestuur) en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwmarkt Ypenburg B.V., gevestigd te Den Haag, en andere,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) aan de raad van de gemeente Den Haag een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening met betrekking tot het door de raad bij besluit van 17 oktober 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Ypenburg".

Tegen dit besluit hebben het gemeentebestuur en Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere beroep ingesteld.

Zij hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door drs. M. Houtman, drs. H.J.P. Zijderveld en ing. R.W. van der Ark, allen werkzaam bij de gemeente, Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.A. Visser, advocaat te Dordrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.R.A.H.C. Delsing Nicolaas en mr. I.T.F. Vermeulen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hornbach Holding B.V., vertegenwoordigd door G. van Heeren, J.P.F. Tijchon en mr. C.W. Kniestedt, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het gemeentebestuur en Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere hebben verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de aanwijzing die ertoe strekt dat artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels, voor zover het de zinsnede "waaronder" tot en met "goederen" betreft, niet in werking treedt. Het verzoek van Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere om een voorlopige voorziening betreft voorts tevens de aanwijzing die ertoe strekt dat artikel 1, onder 81, onder c tot en met d, van de planregels niet in werking treedt.

3. Het college heeft aan de aanwijzingen ten grondslag gelegd dat artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, van de planregels tevens andere vormen van perifere detailhandel dan detailhandel in volumineuze goederen mogelijk maakt. Ingevolge de definitie in artikel 1, onder 81, onder c en d, van perifere detailhandel worden daardoor op bedrijventerreinen vormen van perifere detailhandel toegelaten die ingevolge artikel 9 van de Verordening Ruimte, actualisering 2012 (hierna: Verordening) uitsluitend zijn toegestaan op gronden die daartoe specifiek zijn aangewezen. Nu de gronden in kwestie niet als zodanig zijn aangewezen, zijn artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, en artikel 1, onder 81, onder c en d, van de planregels strijdig met artikel 9, tweede lid, van de Verordening, aldus het college.

4. Het gemeentebestuur betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten tot het geven van de aanwijzing met betrekking tot artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, en voert daartoe onder meer aan dat met de desbetreffende zinsnede van dat artikel is beoogd te bepalen dat ter plaatse uitsluítend volumineuze detailhandel is toegestaan.

De uitleg die het college aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag heeft gelegd acht het gemeentebestuur onjuist en, gelet op de overige leden van artikel 4, tevens onlogisch.

Het gemeentebestuur voert aan dat de reactieve aanwijzing tot gevolg heeft dat zich ook op plandelen van bedrijventerreinen zonder de aanduiding "dhp" bouwmarkten en tuincentra kunnen vestigen, terwijl die gronden zowel volgens gemeentelijk als volgens provinciaal beleid niet als vestigingslocatie voor perifere detailhandel zijn aangewezen. Dit verdraagt zich voorts niet met de eis in artikel 9, vijfde lid, van de Verordening, dat een bestemmingsplan dat grotere perifere detailhandelsbedrijven mogelijk maakt vergezeld dient te gaan van een distributieplanologisch onderzoek en een advies van het Regionaal Economisch Overleg en evenmin met het gemeentelijke uitgangspunt dat voor de vestiging van een nieuwe bouwmarkt of tuincentrum op een bedrijventerrein een nadere planologische afweging in de vorm van een binnenplanse afwijking noodzakelijk is, aldus het gemeentebestuur.

Bouwmarkt Ypenburg en andere voeren in aanvulling op het betoog van het gemeentebestuur aan, dat het zonder nadere beperking toestaan van vestiging van perifere detailhandel op alle gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" tevens strijdt met artikel 9, tweede lid, sub b, van de Verordening, waarin de grootte van die bedrijven is gelimiteerd.

Met het verzoek om een voorlopige voorziening wordt volgens het gemeentebestuur en Bouwmarkt Ypenburg en andere beoogd te voorkomen dat - hangende de bodemprocedure ingediende - aanvragen voor alle vormen van perifere detailhandel, waaronder bouwmarkten en tuincentra, op bedrijventerreinen zonder meer zullen moeten worden ingewilligd.

5. De voorzitter ziet voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het verzoek van Bouwmarkt Ypenburg en andere moet worden afgewezen wegens het relativiteitsvereiste zoals neergelegd in artikel 8:69a van de Awb. Daarbij is van belang dat het gemeentebestuur, aan wie het relativiteitsvereiste naar verwachting niet zal worden tegengeworpen, vergelijkbare beroepsgronden heeft ingediend. De vraag of het relativiteitsvereiste aan Bouwmarkt Ypenburg en andere kan worden tegengeworpen, zal in de hoofdzaak moeten worden beantwoord.

5.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Verordening, wijst een bestemmingsplan voor gronden die zijn gelegen buiten de bestaande winkelconcentraties in de centra van steden, dorpen en wijken of nieuwe wijkgebonden winkelcentra, geen bestemmingen aan die nieuwe detailhandel mogelijk maken.

Ingevolge het tweede lid is het bepaalde in het eerste lid niet van toepassing op een bestemmingsplan dat de volgende ontwikkelingen mogelijk maakt:

a) detailhandel in auto’s, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeelapparatuur, fitnessapparatuur, piano’s, surfplanken en tenten, grove bouwmaterialen, landbouwwerktuigen en brand- en explosiegevaarlijke goederen;

b) tuincentra;

c) bouwmarkten;

d) grootschalige meubelbedrijven (inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting en stoffering) met een bruto-oppervlak van minimaal 1.000 m² en detailhandel in: keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s; mits de gronden op kaart 7 zijn aangewezen als opvanglocatie voor perifere detailhandel;

e) kleinschalige detailhandel tot een bruto-vloeroppervlak van 200 m², zoals buurt- en gemakswinkels;

f) de beperkte verkoop van consumentenartikelen bij sport-, culturele-, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen (zoals stadions en ijsbanen), mits het assortiment aansluit bij deze voorzieningen;

g) detailhandel als leerwerkplaats bij beroepsonderwijs met een omvang die past bij de schaal van de onderwijsinstelling;

h) de aflevering van door consumenten bestelde producten, uitgezonderd dagelijkse artikelen aan een afhaalloket of

i) uitbreiding van bestaande detailhandel, eenmalig met ten hoogste 10% van het bruto-oppervlak per vestiging.

Ingevolge het vijfde lid moet een bestemmingsplan dat een ontwikkeling van perifere detailhandel mogelijk maakt, zoals bedoeld in het tweede lid, onder b, c en d, bij detailhandelsontwikkelingen groter dan 1.000 m² aan bruto vloeroppervlak vergezeld gaan van een distributieplanologisch onderzoek. Uit het advies moet blijken dat geen sprake is van ontwrichting van de detailhandelsstructuur. Tevens is ingevolge het vijfde lid advies nodig van het Regionaal Economisch Overleg (REO).

5.2. Ingevolge artikel 1, onder 81, wordt onder perifere detailhandelsbedrijven verstaan:

a. bouwmarkten;

b. tuincentra;

c. grootschalige meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting en stoffering, met een bruto oppervlak van minimaal 1.000 m²;

d. detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s, met daarbij passende nevenassortimenten;

e. detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen;

f. detailhandel in volumineuze goederen.

5.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden onder meer bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van:

b. perifere detailhandel, waaronder wordt begrepen detailhandel in volumineuze goederen.

Ingevolge lid 4.4, onder d, zijn, in uitzondering op lid 4.1, ter plaatse van de aanduiding "dhp" ook andere perifere detailhandelsbedrijven toegestaan met de daarbij behorende, aan de hoofdfunctie gerelateerde horeca, met uitzondering van detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke stoffen.

Ingevolge lid 4.5, aanhef en onder c, kan het bevoegd gezag een afwijking toestaan van het bepaalde in lid 4.4, ten behoeve van perifere detailhandelsbedrijven zoals bedoeld in lid 4.4, onder d, op gronden die niet zijn aangeduid met de aanduiding "dhp" op de plankaart, mits daarover aan het Dagelijks Bestuur van het Stadsgewest Haaglanden, nadat zij kennis hebben genomen van de uitkomsten van een distributieplanologisch onderzoek, schriftelijk advies is gevraagd.

5.4. Gelet op het samenstel van bepalingen met betrekking tot gronden met de bestemming "Bedrijventerreinen" in artikel 4 van de planregels, is de voorzitter met het gemeentebestuur van oordeel dat artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, vanaf de komma, niet anders kan worden gelezen dan als een limitatieve, nadere concretisering van het begrip perifere detailhandel - ofwel als: "perifere detailhandel, waaronder uitsluitend wordt begrepen detailhandel in volumineuze goederen". Daarbij overweegt de voorzitter dat de lezing van die bepaling die het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, met name niet strookt met de strekking van lid 4.4, onder d, dat een uitzondering maakt op lid 4.1 voor andere perifere detailhandelsbedrijven.

Naar voorlopig oordeel stelt het gemeentebestuur terecht dat niet is uitgesloten dat ingevolge artikel 4, lid 4.1, in samenhang met artikel 1, onder 81, van de planregels, zoals deze bepalingen ten gevolge van de reactieve aanwijzing bekend zijn gemaakt en in werking getreden, een aanvraag om een omgevingsvergunning zal moeten worden ingewilligd voor het op gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" realiseren van alle vormen van perifere detailhandel die in artikel 1, onder 81, onder a, b, e en f, van de planregels worden genoemd. De voorzitter houdt het er, gelet op het verhandelde ter zitting, voor dat dit gevolg met de aanwijzing niet is beoogd. Niet is uitgesloten dat in verband hiermee de aanwijzing met betrekking tot artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, in de bodemprocedure op dit punt niet in stand zal blijven.

Gelet hierop bestaat aanleiding om, teneinde onomkeerbare gevolgen op dit punt te voorkomen, de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen, zoals hieronder nader is aangegeven.

5.5. De overige beroepsgronden van het gemeentebestuur behoeven derhalve geen bespreking meer. Ter zitting hebben Bouwmarkt Ypenburg en andere verklaard dat in het geval waarin het verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de reactieve aanwijzing ten aanzien van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder b, wordt ingewilligd, hun verzoek voor het overige geen afzonderlijke bespreking meer behoeft.

5.6. Ten aanzien van het gemeentebestuur is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het college dient ten aanzien van Bouwmarkt Ypenburg en andere op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. treft de voorlopige voorziening dat de bijzin "waaronder uitsluitend wordt begrepen detailhandel in volumineuze goederen" moet worden geacht deel uit te maken van artikel 4, lid 4.1, onder b, van de planregels van het bestemmingsplan "Ypenburg" zoals dat op 17 oktober 2013 is vastgesteld;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Bouwmarkt Ypenburg B.V. en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2014

240.