Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201311417/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Rembrandt" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201311417/2/R4.

Datum uitspraak: 8 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker] en anderen, h.o.d.n. Groep Verontruste omwonenden Egmontshof (hierna: [verzoeker] en anderen), wonend te Oud-Beijerland,

en

1. de raad van de gemeente Oud-Beijerland,

2. het college van burgemeester en wethouders van Oud-Beijerland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Rembrandt" gewijzigd vastgesteld.

Bij besluit van 5 november 2013 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woon-zorgcomplex op de [locatie] te Oud-Beijerland.

Bij besluit van 17 september 2013 heeft het college op grond van het bepaalde in de artikelen 83 en 85, in samenhang met artikel 110a, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) voor woningen in het plangebied van het bestemmingsplan "Rembrandt" een hogere grenswaarde vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben onder meer [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

Tevens hebben [verzoeker] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[belanghebbende] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 maart 2014, waar [verzoeker] en anderen, bij monde van [verzoeker], en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. M.G. Dorrepaal en R.C. Jellema, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door ing. J.J.T.W. Heemskerk, bijgestaan door mr. A.M. Nijboer, advocaat te Den Haag.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De besluiten van 15 oktober 2013, 5 november 2013 en 17 september 2013 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32, van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

3. De bestreden besluiten zijn genomen ten behoeve van het project "Rembrandt". Fase 1 van dit project omvat de realisatie van een zorggebouw met 102 zorgplaatsen, ter vervanging van een reeds bestaande zorgvoorziening, alsmede een appartementengebouw met maximaal 76 appartementen, waarvan maximaal 50 appartementen voor de doelgroep ouderen in combinatie met lichte zorg. Fase 2 van het project omvat 68 grondgebonden woningen. De op 5 november 2013 verleende omgevingsvergunning heeft uitsluitend betrekking op fase 1 van het project. Nu [belanghebbende] ter zitting heeft verklaard dat voor de tweede fase van het project eerst omgevingsvergunning zal worden aangevraagd na realisering van de eerste fase over ongeveer twee en een half jaar, ziet de voorzitter aanleiding de beoordeling van het verzoek te beperken tot de eerste fase van het project. Voor wat betreft de tweede fase is met het verzoek immers geen spoedeisend belang gemoeid.

4. [verzoeker] en anderen betogen dat de bouwmassa van het toegestane woon-zorgcomplex niet past binnen een rustige woonwijk. Zij vrezen voor waardevermindering van de omliggende woningen.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is voorzien in een deugdelijke stedenbouwkundige inpassing. Daarbij wijst de raad op de gelaagde opzet van het woon-zorgcomplex, die zorgt voor een goede aansluiting op de omliggende bebouwing en die eventuele schaduwwerking beperkt. Daarnaast wijst de raad op de in het plan opgenomen afschermende groenstroken.

4.2. De voorzitter ziet in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd, mede gelet op de onderbouwing van de raad, vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voorzien in een deugdelijke inpassing van de toegestane ontwikkeling. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de raad daarbij een grote mate van beleidsvrijheid heeft.

Eventuele waardevermindering van omliggende woningen kan desgewenst aan de orde worden gesteld in het kader van een aparte planschadeprocedure. Wat betreft de bestemmingsplanprocedure bestaat echter voorshands geen grond voor de verwachting dat de gestelde waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een zodanig gewicht had moeten toekennen dat hij daarom van de vaststelling van het plan had moeten afzien.

Het betoog faalt.

5. Volgens [verzoeker] en anderen bestaat onvoldoende behoefte aan de toegestane ontwikkeling. Zij stellen dat de woningmarkt in Oud-Beijerland en de Hoeksche Waard problematisch is, en dat een krimp in de bevolking te verwachten is. Tevens wijzen zij op een krantenartikel, waarin wordt bericht van een ontslaggolf in de zorg in de regio Rijnmond. [verzoeker] en anderen betogen voorts dat de financiële uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling niet is geborgd.

5.1. De raad heeft in zijn verweerschrift en ter zitting gemotiveerd dat met het beoogde woon-zorgcomplex wordt voorzien in een nieuw zorgconcept, waarmee zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht wordt ingespeeld op een regionale behoefte. Daarbij wijst de raad op de "Regionale Woonvisie Hoekse Waard 2009" (hierna: de woonvisie), waarin is opgenomen dat Oud-Beijerland een potentiële locatie is voor een grootschaliger woon-zorgcomplex. Uit de woonvisie volgt voorts dat, gezien het voorzieningenniveau en de vergrijzing, het wenselijk is woningbouw voor senioren en verpleging toe te voegen. In dit verband wijst de raad ook op pagina 3 van het actualisatiedocument van de woonvisie uit 2013, waarin wordt gerefereerd aan uitkomsten van een woningbouwbehoefteonderzoek. Uit dit onderzoek volgt dat een tekort bestaat aan geschikte seniorenwoningen. Gelet op deze onderbouwing van de raad ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende is aangetoond dat geen behoefte bestaat aan de toegestane ontwikkeling. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat het plan voorziet in het vervangen en moderniseren van een ter plaatse reeds aanwezig, verouderd zorgcomplex.

Voor zover [verzoeker] en anderen aanvoeren dat de economische uitvoerbaarheid onvoldoende is geborgd, overweegt de voorzitter dat de raad heeft toegelicht dat van gemeentewege geen kosten behoeven te worden gemaakt ten behoeve van de betrokken ontwikkeling. Nu tussen de gemeente en de initiatiefnemers voorts een anterieure overeenkomst is gesloten waarin afspraken zijn neergelegd omtrent kostenverhaal, en nu uit deze overeenkomst blijkt dat ten behoeve van het realiseren van de betrokken ontwikkeling bankgaranties zijn verstrekt, ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd vooralsnog geen aanleiding om aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen.

Het betoog faalt.

6. Volgens [verzoeker] en anderen leidt het plan tot een aantasting van de verkeersveiligheid, alsmede tot een tekort aan parkeerplaatsen.

6.1. In het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "Verkeerseffecten nieuwbouwplannen Rembrandt" van Goudappel-Coffeng van 24 december 2012 is onderbouwd dat de toegestane ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van de verkeersveiligheid, dan wel een tekort aan parkeergelegenheid. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter heeft de raad zich in redelijkheid kunnen baseren op dit rapport. [verzoeker] en anderen hebben dit rapport immers niet gemotiveerd bestreden.

7. Volgens [verzoeker] en anderen zullen de woningen rond het plangebied een te hoge geluidsbelasting ondervinden. Met het vaststellen van een hogere grenswaarde voor de woningen binnen het plangebied is gekozen voor de weg van de minste weerstand, nu alternatieven niet zijn onderzocht. De woningen die zijn geprojecteerd langs de N217 kunnen ook worden voorzien van een geluidluwe gevel of voorzetgevel, aldus [verzoeker] en anderen.

7.1. Ten aanzien van de toename van de geluidbelasting ter plaatse van bestaande omliggende woningen overweegt de voorzitter dat, volgens pagina 6 en 7 van het aan het plan ten grondslag gelegde akoestische rapport van Rho adviseurs voor leefruimte van 22 augustus 2013, de geluidhinder ter plaatse van omliggende woningen zal toenemen met maximaal 1,5 dB ten gevolge van de toegestane ontwikkeling. Een dergelijke toename is volgens het rapport aanvaardbaar. Nu [verzoeker] en anderen hun vrees voor onevenredige geluidhinder niet nader hebben onderbouwd, ziet de voorzitter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige geluidhinder ter plaatse van de woningen rond het plangebied. Het betoog faalt in zoverre.

7.2. Ten aanzien van de woningen binnen het plangebied overweegt de voorzitter dat ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De regeling in artikel 83 van de Wgh strekt ertoe dat bij besluit wordt vastgesteld welke geluidbelasting - na het zo mogelijk treffen van maatregelen - bij de te bouwen woningen vanwege de weg maximaal mag optreden. Deze regeling strekt daarmee tot bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. Onbetwist is dat [verzoeker] en anderen woonachtig zijn in de omgeving van de locatie waar de woningen worden gerealiseerd, en niet in woningen waarvoor bij het bestreden besluit hogere waarden zijn vastgesteld. Evenmin zijn zij eigenaar van dergelijke woningen. Derhalve strekt de regeling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [verzoeker] en anderen. Gelet op het vorenstaande kan hetgeen zij aanvoeren over de vastgestelde hogere waarden voor de te bouwen woningen in de bodemprocedure niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de voorzitter af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [verzoeker] en anderen terzake aanvoeren.

Het betoog faalt ook in zoverre.

8. [verzoeker] en anderen betogen dat artikel 8.5 van de planregels ten onrechte voorziet in een afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van het vergroten van het aantal toegestane woningen ter plaatse van het bestemmingsvlak van de bestemming "Wonen - 2". Zij stellen dat een dergelijke toename leidt tot ernstige overlast door verkeershinder, alsmede een verslechtering van de luchtkwaliteit.

8.1. Anders dan [verzoeker] en anderen kennelijk menen, voorziet de afwijkingsbevoegdheid zoals vervat in artikel 8.5 van de planregels niet in het verhogen van het aantal toegestane woningen, maar uitsluitend in het vergroten van het aantal zelfstandige woningen ten koste van het aantal woningen ten behoeve van lichte zorg. Gelet daarop ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de betrokken planregeling leidt tot onevenredige hinder. Het betoog faalt.

9. Gelet op het voorgaande bestaat er onvoldoende grond voor de verwachting dat het bestemmingsplan, voor zover dat voorziet in fase 1, in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarom wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2014

472-783.