Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1384

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201310403/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:3640, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning verleend voor het varen met [rondvaartboot] richting de Kinderdijk te Alblasserdam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Waterwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/467
JB 2014/120 met annotatie van prof. mr. G. Overkleeft-Verburg
JOM 2014/582
JIN 2014/164 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JOM 2015/436
BA 2014/104
AB 2014/219
Gst. 2014/68

Uitspraak

201310403/1/A4.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2013 in zaak nr. 13/2191 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning verleend voor het varen met [rondvaartboot] richting de Kinderdijk te Alblasserdam.

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het betreft de windgevoeligheid en de gevaarzetting van twee schroeven, het besluit van 19 september 2012 aangevuld met twee overwegingen daarover, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door D. Don, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft zijn beroepsgronden tijdig ingediend, hetgeen volgens hem blijkt uit de door hem overgelegde e-mails van de rechtbank. Indien zou worden geoordeeld dat de stukken te laat zijn ingediend, is dit volgens [appellant] verschoonbaar, omdat de server van de rechtbank tijdens het digitaal indienen van de stukken weigerde en de rechtbank hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid om de stukken aangetekend per post aan te leveren.

1.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bevat het beroepschrift ten minste de gronden van het beroep.

Ingevolge artikel 6:6 kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 8:40a, eerste lid, is afdeling 2.3 van overeenkomstige toepassing op het verkeer met de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 2:17, tweede lid, geldt als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt.

1.2. Op 16 april 2013 heeft [appellant] pro forma beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar. Bij brief van 19 april 2013 is [appellant] in de gelegenheid gesteld zijn beroep binnen vier weken na dagtekening van de brief van gronden te voorzien. Daarbij is vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Ter zitting heeft [appellant] gesteld dat hij de brief van 19 april 2013 heeft ontvangen. De termijn voor het indienen van gronden liep af op 17 mei 2013. [appellant] heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij op 18 mei 2013 om 00:01 uur en 00:35 uur digitaal stukken heeft ingediend bij de rechtbank. De beroepsgronden met bijlagen heeft hij tevens bij brief van 21 mei 2013, ontvangen door de rechtbank op 22 mei 2013, per post ingediend. In die brief heeft [appellant] vermeld dat na de ontvangstbevestiging van de digitaal ingediende stukken bleek dat de bijlagen niet goed leesbaar waren of te omvangrijk waren om digitaal te worden aangeboden, zodat hij alle stukken opnieuw op papier heeft toegestuurd.

1.3. Volgens de memorie van toelichting op de Wet elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Kamerstukken II, 2008/09, 31 867, nr. 3, blz. 14) is een gerecht juridisch verantwoordelijk voor het naar behoren functioneren van de netwerkcomputer, de eindserver daaronder begrepen, waarvan het gebruik maakt. Het ophouden van berichten of stukken bij de netwerkcomputer van het gerecht komt niet voor risico van partijen. Dit geldt ook indien de bestuursrechter een tijdig verzonden beroepschrift eerst na afloop van de beroepstermijn ontvangt, omdat het betreffende stuk door een storing bij de eindservers is opgehouden.

1.4. Volgens artikel 8:40a, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 2.17, tweede lid, van de Awb geldt als tijdstip waarop een bericht elektronisch door de bestuursrechter is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Uit de door [appellant] overgelegde stukken volgt dat de door hem bij de rechtbank ingediende stukken door de rechtbank zijn ontvangen op of na 18 mei 2013, en derhalve buiten de door de rechtbank gestelde termijn voor het indienen van de beroepsgronden. Anders dan [appellant] in zijn hogerberoepschrift betoogt, volgt uit de door hem overgelegde ontvangstbevestigingen van de rechtbank niet dat de server van de rechtbank haperingen vertoonde. Derhalve bestaat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen aanleiding de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het feit dat de rechtbank [appellant] niet heeft gewezen op de mogelijkheid de stukken per aangetekende post aan te leveren, leidt niet tot een ander oordeel. De keuze voor het elektronisch indienen van de beroepsgronden komt voor rekening van [appellant]. Het feit dat [appellant], zoals hij ter zitting heeft gesteld, om 21:30 uur op de laatste dag van de termijn is begonnen met de elektronische verzending van de stukken, dat hij problemen had met het indienen van de stukken vanwege een verkeerd referentienummer en het feit dat op dat tijdstip geen contact met de griffie van de rechtbank mogelijk was, komt eveneens voor zijn risico. Dat de beroepsgronden op 21 mei 2013, de dinsdag na Pinksteren, in overleg met een secretaresse van de afdeling bestuursrecht van de rechtbank alsnog per aangetekende post zijn toegezonden, kan niet tot het oordeel leiden dat [appellant] met de te late indiening van de beroepsgronden niet in verzuim is.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

628.