Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1380

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201310087/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Veldhuizen A, locatie Kranenburg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310087/1/R6.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ede,

en

de raad van de gemeente Ede,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Veldhuizen A, locatie Kranenburg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2014, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door L.R. Hendriks, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van maximaal 34 woningen.

3. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat hij op een afstand van 76 meter van het plangebied woont en daar geen zicht op heeft, terwijl het ruimtelijk beeld van en het woon- en leefklimaat in de wijk niet in relevante mate veranderen.

3.1. De afstand van de woning van [appellant] tot het plangebied bedraagt ongeveer 76 meter. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op de betrokken percelen. Niet uitgesloten is echter dat hij gevolgen zal ondervinden van het verkeer vanwege het plan, in het bijzonder parkeerproblemen. Gelet hierop kan hij worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en kan hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, beroep instellen.

4. De raad betoogt dat de beroepsgronden over de toepassing van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) en het gelijkheidsbeginsel niet in de zienswijzenprocedure naar voren zijn gebracht, zodat [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk is.

4.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel er aan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. [appellant] heeft het gehele plan bestreden in zijn zienswijze. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

5. [appellant] voert aan dat ten onrechte geen overleg heeft plaatsgevonden met de betrokken bewoners.

5.1. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een mogelijke inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Uit de stukken blijkt dat de raad toepassing heeft gegeven aan de in de Wro, de Awb en het Bro neergelegde procedure. In hetgeen [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet op de juiste wijze is geschied.

6. [appellant] keert zich tegen de toepassing van de Chw. Hij betoogt dat de sociaal-economische en sociaal-culturele problemen in de wijk een zorgvuldige werkwijze vereisen.

6.1. Uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met bijlage I, onderdeel 3, onder 3.1, van de Chw volgt, voor zover van belang, dat afdeling 2 van die wet van toepassing is op besluiten die vereist zijn voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Het plan voorziet in nieuwbouw van minimaal 25 en maximaal 34 woningen in de wijk Veldhoven A. In het voorheen geldende bestemmingsplan was weliswaar voorzien in woningbouw, maar uit de plankaart en de daarbij behorende voorschriften volgt dat woningbouw zoals thans in het plan voorzien niet mogelijk was. Gelet hierop is de totstandkoming van het plan vereist voor de ontwikkeling van het woongebied. De Chw is derhalve van toepassing op het plan.

7. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

7.1. [appellant] heeft eerst ter zitting betoogd dat het plan niet voorziet in voldoende groenvoorzieningen en evenmin in voldoende parkeerplaatsen.

Nog daargelaten de vraag of het naar voren brengen van deze beroepsgronden zich verhoudt met een goede procesorde, overweegt de Afdeling dat ingevolge artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van een beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De Afdeling zal daarom deze beroepsgronden buiten beschouwing laten.

8. [appellant] keert zich ertegen dat het onderhavige gebied wordt gezien als een uitloper van het gebied Het Nieuwe Landgoed. Daartoe voert hij aan dat binnen de wijk Veldhuizen A onderscheid gemaakt kan worden tussen het plangebied van het bestemmingsplan "Veldhuizen A" en het plangebied van het bestemmingsplan "Het Nieuwe Landgoed". Voor deze gebieden bestonden twee afzonderlijke klankbordgroepen en de scheiding is ook fysiek waarneembaar.

8.1. De raad heeft ervoor gekozen om het plangebied Veldhuizen A, locatie Kranenburg wat de stedenbouwkundige opzet betreft te laten aansluiten bij het naastgelegen plangebied Het Nieuwe Landgoed. Volgens de raad sluit het plan aan bij de grondprincipes van de stedenbouwkundige opzet van de wijk Veldhuizen A. De belangrijkste toevoeging is het toestaan van schuine daken.

8.2. In de plantoelichting is vermeld dat het bij het vigerend bestemmingsplan "Veldhuizen A" behorende beeldkwaliteitsplan "Veldhuizen A" dat op 12 mei 2005 is vastgesteld, op onderdelen wordt aangepast ten behoeve van het voorliggende plan. Belangrijkste aanpassing is het toestaan van schuine daken in het voorliggend plan. De reden daarvoor is dat het plangebied nu wordt gezien als een uitloper van het gebied Het Nieuwe Landgoed dat aan de noordkant, aan de Lunenburg, grenst aan het onderhavige plangebied. De architectuur van dit plan is minder zakelijk en hoekig en sluit in sfeer aan bij het vele groen aan de randen en in het gebied. Voorgesteld wordt om ook voor het voorliggend plangebied meer te kiezen voor deze in Ede populaire woonsfeer. Dat kan omdat het plangebied, een voormalig schoolterrein, nogal op zich zelf staat en ruimtelijk overloopt in het plangebied Het Nieuwe Landgoed. Vanaf de Kranenburg vormt het nu als het ware een inleiding op dat plan. Een en ander houdt in dat ook de roodbruine baksteen van de woningbouw in Het Nieuwe Landgoed uitgangspunt wordt voor de woningbouw in dit plan.

8.3. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad wat betreft de stedenbouwkundige uitgangspunten niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij Het Nieuwe Landgoed. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de onderhavige locatie is gelegen naast het gebied van Het Nieuwe Landgoed.

9. [appellant] voert aan dat het bestemmingsplan afwijkt van het bestemmingsplan "Veldhuizen A" uit 2006 en het beeldkwaliteitsplan "Veldhuizen A". Dit bestemmingsplan "Veldhuizen A" maakte deel uit van de herstructurering van de wijk Veldhuizen A. De stedenbouwkundige opzet is gebaseerd op de uitgangspunten van het Congrès International d’Architecture Moderne (hierna: CIAM). [appellant] voert aan dat de wijk in strijd met dit bestemmingsplan "Veldhuizen A" en het beeldkwaliteitsplan "Veldhuizen A" wordt verdicht in plaats van verdund en dat er geen variatie in woningaanbod wordt aangebracht. Dit terwijl er genoeg bouwgrond is om de woningen op een andere locatie te bouwen en het voorgaande bestemmingsplan "Veldhuizen A" genoeg mogelijkheden bevat om woningen te bouwen die aan de wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan "Veldhuizen A" en aan het beeldkwaliteitsplan voldoen.

9.1. De raad betoogt dat de belangrijkste uitingen van de CIAM-gedachte grote collectieve voorzieningen als parken, functionele en veelal plat afgedekte bebouwing en een rationele kavel- en bebouwingsstructuur waren. De raad stelt dat als gevolg van de economische crisis het Masterplan Veldhuizen A niet in zijn geheel kan worden uitgevoerd. Als gevolg daarvan zal niet alle openbare ruimte nieuw worden aangelegd. Ook bestaat op dit moment geen markt voor werkwoningen. Daaraan is het beeldkwaliteitsplan eveneens aangepast. Het bestemmingsplan "Veldhuizen A" voorzag in de bouw van halfopen en gesloten woningen met een plat dak. Voor deze woningen bestond onvoldoende belangstelling. Daarom zijn ook rijwoningen met kap toegestaan. Voor deze woningen bestaat wel belangstelling. De principes van de CIAM-gedachte blijven uitgangspunt van het voorliggende plan. De rechtlijnige opzet blijft uitgangspunt van het stedenbouwkundig plan, in het bijzonder wat de verkaveling betreft. De bouwblokken sluiten aan bij de orthogonale structuur van de wijk.

9.2. De raad is bij de vaststelling van het bestemmingsplan niet gebonden aan het bestemmingsplan "Veldhuizen A" en het beeldkwaliteitsplan "Veldhuizen A". In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat aan de uitgangspunten van de CIAM-gedachte wordt voldaan. Dat het onderhavige bestemmingsplan de bouw van woningen met een puntdak mogelijk maakt, maakt dit niet anders. Overigens heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het bestemmingsplan op essentiële punten afwijkt van het beeldkwaliteitsplan "Veldhuizen A" en het bestemmingsplan "Veldhuizen A" dat geldt voor het omringende gebied.

10. [appellant] voert aan dat er geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van de bouw van meer woningen in de goedkope categorie voor de sociaal-economische en sociaal-culturele problemen van de wijk.

10.1. De raad betoogt dat op 31 mei 2012 de "Woonvisie Ede 2012" is vastgesteld. Volgens deze Woonvisie komt bij nieuwbouw de nadruk te liggen op grondgebonden woningen en ligt de eerstkomende jaren in verband met de marktomstandigheden een nadrukkelijke focus op goedkope en middeldure woningbouw. De Woonvisie gaat in lijn met de verwachte bevolkingsgroei en de groei van de huishoudens uit van de bouw van 7500 woningen in de periode 2012 tot 2025, derhalve jaarlijks ongeveer 500 woningen. De Woonvisie is gebaseerd op onder meer de "Analyse van de woningmarkt" van maart 2011, de "Nota Woningprogrammering" van maart 2012, het woningbehoefteonderzoek "Wonen in Ede" van december 2011 en de "Analyse Inkomensverdeling naar koop- en huurwoningen" van december 2011.

10.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de behoefte aan de voorziene woningen voldoende is onderzocht. Hetgeen [appellant] voorts heeft aangevoerd, betreft geen ruimtelijk relevante aspecten.

11. [appellant] voert aan dat de woningeigenaars binnen het gebied Veldhuizen A ongelijk worden behandeld. Binnen het plangebied mogen woningen met schuine daken worden gebouwd, terwijl iets verderop een dakopbouw met een plat dak moet worden gebouwd.

11.1. De raad voert aan dat op het oorspronkelijk voorgestelde type huizen geen inschrijvingen werden gedaan. Daarom zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden beperkt aangepast en zijn ook rijwoningen met kap toegestaan. Daarvan zijn in korte tijd 23 van de 34 verkocht. Volgens de raad is geen sprake van een ongelijke behandeling. In verband met een goede ruimtelijke ordening zijn op grond van gewijzigde planologische inzichten en afweging van de betrokken belangen andere regels vastgesteld.

11.2. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde ongelijke behandeling zich niet voordoet. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plangebied kan worden beschouwd als een uitloper van het gebied Het Nieuwe Landgoed. Voorts is daarbij van belang dat het plan betrekking heeft op nieuw te bouwen woningen, terwijl de woningen in het plangebied Veldhuizen A al bestaan.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bijleveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

433.