Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-01-2014
Datum publicatie
22-01-2014
Zaaknummer
201304521/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304521/1/V1.

Datum uitspraak: 14 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 april 2013 in zaak nr. 12/31360 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de adviezen van 19 maart en 27 augustus 2012 (hierna: de adviezen), opgesteld door het onder de verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie werkzame Agentschap NL (hierna: het Agentschap), niet inzichtelijk en concludent zijn. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat ter beoordeling van de levensvatbaarheid van een onderneming van belang is of deze zich kan handhaven op de markt en dat het Agentschap in de adviezen heeft uiteengezet dat zich in 2012 een omzetdaling heeft voorgedaan ten opzichte van 2011 die maakt dat de onderneming van de vreemdeling niet levensvatbaar is.

2.1. Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000, onder een beperking, verband houdende met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan een vreemdeling, die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de staatssecretaris een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 november 2012 in zaak nr. 201203575/1/V1) gaat de vaste gedragslijn van de staatssecretaris, dat een onderneming die niet economisch levensvatbaar is en daarom niet kan worden voortgezet reeds om die reden geen wezenlijk Nederland belang dient, de grenzen van een redelijke wetsuitleg niet te buiten. Voorts is in die uitspraak overwogen dat het aan de desbetreffende vreemdeling is om aannemelijk te maken dat met de door hem beoogde arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

2.3. Voormelde, aan het besluit ten grondslag gelegde, adviezen van het Agentschap zijn deskundigenadviezen aan de staatssecretaris voor de uitoefening van diens bevoegdheden. De staatssecretaris moet, indien hij een advies van het Agentschap, daaronder begrepen de eventueel nadien uitgebrachte nota's, aan een besluit ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

2.4. De rechtbank heeft overwogen dat niet inzichtelijk is waarom en op basis van welke criteria het Agentschap heeft geoordeeld dat de onderneming waarmee de vreemdeling arbeid als zelfstandige beoogt te verrichten niet levensvatbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is onduidelijk welke waarde het Agentschap heeft toegekend aan het behaalde bedrijfsresultaat over 2011 en bestaat aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door het Agentschap gehanteerde methode van extrapolatie.

2.5. In de adviezen staat dat de onderneming van de vreemdeling in enige behoefte voorziet, maar niet levensvatbaar is en dus geen wezenlijk Nederlands belang dient. Volgens het Agentschap dalen de omzet en het bedrijfsresultaat in 2012 met circa 26 procent ten opzichte van 2011, indien de cijfers over de eerste twee kwartalen van 2012 worden geëxtrapoleerd naar geheel 2012. Dat bedrijfsresultaat ligt bij gelijkblijvende kostenverhoudingen niet op het niveau van een algemeen aanvaard minimum waarmee in het levensonderhoud van de twee vennoten kan worden voorzien, aldus het Agentschap. De vreemdeling heeft de continuïteit van de onderneming niet aannemelijk gemaakt en het wezenlijk Nederlands belang daardoor evenmin. Volgens het Agentschap is de prognose van het administratiekantoor over 2012 niet onderbouwd en ontbreken intentieverklaringen of contracten voor een substantiële afzet.

2.6. De conclusie van het Agentschap, dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de onderneming levensvatbaar is en met de door hem beoogde arbeid een wezenlijk Nederlands belang is gediend, is aldus inzichtelijk. De stukken die de vreemdeling in beroep heeft overgelegd ter staving van zijn stelling dat het Agentschap ten onrechte alleen is uitgegaan van de omzetcijfers over de eerste helft van 2012, kunnen niet bij de toetsing van het besluit worden betrokken, omdat bij die toetsing moet worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van het besluit. Verder heeft de vreemdeling zijn stelling ter zitting bij de rechtbank, dat de bedrijfskosten in 2011 geen standaardkosten zijn die naar 2012 kunnen worden geëxtrapoleerd, niet gestaafd. De rechtbank heeft dit niet onderkend en gelet op het voorgaande ten onrechte overwogen dat de adviezen niet inzichtelijk en concludent zijn en dat de staatssecretaris, door deze aan het besluit ten grondslag te leggen, in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb heeft gehandeld.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris de adviezen ten onrechte aan het besluit ten grondslag heeft gelegd, omdat het Agentschap in vergelijkbare zaken positief heeft geadviseerd. De vreemdeling heeft hiertoe een vijftal adviezen overgelegd, waaruit blijkt dat de ondernemingen waarover het Agentschap in die gevallen heeft geadviseerd levensvatbaar zijn, omdat hun financiële positie verbetert. De staatssecretaris heeft zich gelet op die advisering en het onder 2.6 overwogene, terecht op het standpunt gesteld dat dit geval niet met die gevallen vergelijkbaar is.

De beroepsgrond faalt.

5. De niet nader onderbouwde stelling van de vreemdeling, dat het huidige toelatingsbeleid ten aanzien van Turkse zelfstandigen strenger is geworden ten opzichte van 1 januari 1973, biedt geen grond voor het oordeel dat de standstill-bepaling in artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, is geschonden.

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 april 2013 in zaak nr. 12/31360;

III. verklaart in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2014

412-701.