Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1376

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201309734/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6785, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van een bouwwerk in afwijking van het bestemmingsplan voor het oprichten van twaalf appartementen ter plaatse van de percelen [locaties], te Sliedrecht (hierna: de percelen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309734/1/A1.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sliedrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, van 5 september 2013 in zaak nr. 13/1451 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Sliedrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het college aan [belanghebbende] omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van een bouwwerk in afwijking van het bestemmingsplan voor het oprichten van twaalf appartementen ter plaatse van de percelen [locaties], te Sliedrecht (hierna: de percelen).

Bij uitspraak van 5 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 februari 2014, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.W.M. Berendsen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende] vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het bouwen van twaalf appartementen met een totale hoogte van ongeveer 11 m en een totale diepte van ongeveer 20 m op de percelen. Op het naastgelegen perceel van [appellant], [locatie a], staat aan de voorzijde een winkel met daarachter een gebouw dat gebruikt wordt voor opslag. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) omgevingsvergunning verleend. Op deze zaak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kerkbuurt Oost" rust op de percelen de bestemming "Centrumdoeleinden en verblijfsgebied".

Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Centrumdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor wonen.

Ingevolge artikel 7, onder 4.1, onder b, mogen de maximum goot- respectievelijk bouwhoogte van de gebouwen niet meer bedragen dan op de plankaart is aangegeven.

Op de plankaart is ter plaatse van de percelen aangegeven dat voor het voorste deel van het bouwblok met een diepte van 11 m, de maximum bouwhoogte 10 m is. Voor het achterste gedeelte van het bouwblok is als maximum bouwhoogte 4 m aangegeven. Deze maximum bouwhoogten gelden eveneens voor het perceel van [appellant] .

3. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3º, van de Wabo omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit om daarvoor omgevingsvergunning te verlenen heeft kunnen komen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet past binnen de omgeving waardoor het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening en stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is. Daartoe voert hij aan dat door het bouwplan de panden op zijn perceel klem komen te zitten en de inval van zonlicht wordt beperkt. Hij betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het besluit van 15 februari 2013 in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft genomen. In dit kader voert hij aan dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor de bijeenkomsten over de ontwikkeling van het bouwplan. [appellant] wijst er verder op dat door een wethouder van de gemeente Sliedrecht een toezegging over de verlening van de omgevingsvergunning is gedaan. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat ook na 2010, op 24 januari 2011, 17 maart 2011 en 31 januari 2012, bijeenkomsten zijn gehouden over het bouwplan.

4.1. Het thans geldende bestemmingsplan laat aan de voorzijde van de percelen een bouwhoogte van 10 m toe, waardoor de bouwhoogte daar slechts met 1 m wordt overschreden. Verder staan aan de overzijde en aan de andere zijde van het perceel van [appellant] appartementencomplexen met een hoogte van 12 m. Het college heeft voor de beoordeling of het met het bouwplan voorziene gebouw stedenbouwkundig aanvaardbaar is alle in de directe omgeving aanwezige bebouwing kunnen betrekken. Gelet op de aanwezige en toegestane bebouwing heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorziene gebouw past in het beeld van de Kerkbuurt. Geen grond kan worden gevonden voor het oordeel dat wegens de overschrijding van 1 m de inval van zonlicht aan de voorzijde van het perceel van [appellant] zodanig wordt beperkt dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning had moeten weigeren. Ten aanzien van het gebouw aan de achterzijde van het perceel van [appellant] is, gezien de ligging van dat gebouw ten zuidoosten, evenmin gebleken dat door de in het bouwplan te voorziene gebouw de inval van zonlicht zodanig wordt beperkt dat het bouwplan daarom in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts blijft aan de achterzijde van de percelen het bouwvlak voor een diepte van ongeveer 10 m ongebruikt. Voor zover [appellant] betoogt dat hij in zijn belangen wordt geschaad, doordat het lichtinval op zijn perceel ten opzichte van het bestemmingsplan dat vóór 2004 van toepassing was in grote mate wijzigt, omdat dat bestemmingsplan slechts een maximale bouwhoogte toestond van 4,5 m, wordt overwogen dat [appellant] deze grond had moeten inbrengen in het kader van de bestemmingsplanprocedure, dat het bestemmingsplan thans onherroepelijk is en de gevolgen van het bouwplan mede beoordeeld dienen te worden aan de hand van het thans geldende bestemmingsplan.

4.2. [appellant] heeft naar voren gebracht dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor de bijeenkomsten over de ontwikkeling van een bouwplan voor de locatie. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank daarin terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit van 15 februari 2013 in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is voorbereid en het besluit als gevolg daarvan geen juiste afweging van belangen meer bevat. De rechtbank heeft in dit kader terecht van belang geacht dat [appellant] bij de herontwikkeling van de locatie als mogelijk participant is betrokken en pogingen zijn gedaan om zijn perceel te verwerven, maar dat hierover geen overeenstemming is bereikt. De omstandigheid dat, als gesteld, geen bod op zijn perceel is uitgebracht doet daar niet aan af. Het door [appellant] naar voren gebrachte dat de rechtbank heeft miskend dat ook op 24 januari 2011, 17 maart 2011 en 31 januari 2012 bijeenkomsten zijn geweest waarbij hij niet was betrokken, geeft, wat daar ook van zij, evenmin grond voor het oordeel dat het besluit is voorbereid in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. [appellant] heeft in het kader van de openbare voorbereidingsprocedure zijn zienswijzen naar voren gebracht. Het college is in het zienswijzenverslag van 29 januari 2013 op deze zienswijzen ingegaan. Het college heeft daardoor in overeenstemming met de bepalingen als genoemd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zijn besluit op de aanvraag voorbereid. De rechtbank heeft voorts aan de omstandigheid dat het college positief tegenover het bouwplan stond terecht niet de betekenis toegekend die [appellant] daaraan toegekend wenst te zien, reeds omdat uit de vergaderverslagen voorafgaande aan het indienen van de aanvraag van het nu aan de orde zijnde bouwplan volgt dat naast het realiseren van dit bouwplan ook onderzoek is gedaan naar alternatieve mogelijkheden, waaronder de mogelijkheid om het perceel van [appellant] bij de herontwikkeling van de locatie te betrekken. Zoals de Afdeling eerder bij uitspraak van 27 november 2013 in zaak nr. 201211044/1/A1 heeft overwogen, dient het college te beslissen omtrent het verlenen van omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan voor het project, zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Dat dergelijke alternatieve mogelijkheden aanwezig zijn heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt. Voorts blijkt niet dat de belangen van [appellant] niet zijn onderkend en meegewogen.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het college in redelijkheid de belangen die zijn gediend met het realiseren van het bouwplan zwaarder kunnen laten wegen dan de belangen van [appellant]. Het college heeft derhalve in redelijkheid omgevingsvergunning kunnen verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3˚, van de Wabo. De rechtbank heeft dit onderkend.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gemeente als grondeigenaar van een deel van de percelen ten onrechte de financiële belangen bij de realisering van het bouwplan voorop heeft gesteld.

5.1. Anders dan [appellant] betoogt, is niet gebleken dat het college zijn bevoegdheden heeft aangewend voor andere doeleinden dan waarvoor die zijn gegeven. De omstandigheid dat realisering van het bouwplan voor de gemeente mogelijk financieel gunstig is, brengt nog niet met zich dat het college op oneigenlijke wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Uit het besluit blijkt dat er ook ruimtelijke motieven aan het bouwplan ten grondslag liggen. De rechtbank heeft dit onderkend.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

270-789.