Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201309205/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:2523, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2012 heeft het college zijn beslissing tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang ten aanzien van het in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer plaatsen van afvalstoffen op de openbare weg ter hoogte van [locatie 1] te Eibergen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [wederpartij] komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/5298
BA 2014/112

Uitspraak

201309205/1/A4.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 augustus 2013 in zaak nr. 12/1896 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2012 heeft het college zijn beslissing tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang ten aanzien van het in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer plaatsen van afvalstoffen op de openbare weg ter hoogte van [locatie 1] te Eibergen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college beslist dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [wederpartij] komen.

Bij besluit van 5 juni 2012 heeft het college besloten tot invordering van de kosten van de toepassing van bestuursdwang. Het college heeft deze kosten vastgesteld op € 9.195,79.

Bij besluiten van 20 november 2012 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 18 april 2012 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard en het tegen het besluit van 5 juni 2012 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 20 november 2012 vernietigd en de besluiten van 18 april 2012 en 5 juni 2012 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar het college, vertegenwoordigd door S.A. van der Spek en J.M. Grotestam, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die een overtreding pleegt of medepleegt.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [wederpartij] als overtreder moet worden aangemerkt. In dit verband betoogt het college dat de ter hoogte van [locatie 1] aangetroffen containers met afvalstoffen eerder op het terrein van [wederpartij] stonden en dat die onder zijn verantwoordelijkheid vielen. Het college verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013 in zaak nr. 201201721/1/A4. Ook betoogt het college dat [wederpartij] geen betalingsregeling had getroffen indien hij geen overtreder was.

2.1. Niet in geschil is dat artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is overtreden, doordat ter hoogte van [locatie 1] te Eibergen afvalstoffen zijn geplaatst. [wederpartij] is eigenaar van het terrein met bedrijfspand aan de [locatie 2] te Eibergen. Hij verhuurde zijn pand aan [bedrijf], een bedrijf voor het spuiten en conserveren van houtproducten, totdat dit bedrijf failliet ging. De rechtbank heeft overwogen dat het dossier onvoldoende feitelijke grondslag biedt voor de conclusie dat [wederpartij] de containers met afvalstoffen op de parkeerplaats voor de voormalige gemeentewerf heeft geplaatst of heeft doen plaatsen. De enkele aanwezigheid van de [bedrijf]-sticker op een van de containers acht de rechtbank daartoe onvoldoende, mede omdat [wederpartij] ter zitting heeft verklaard dat de containers gezien de sticker ooit van [bedrijf] moeten zijn geweest, maar dat dit niet betekent dat hij deze op de parkeerplaats voor de voormalige gemeentewerf heeft geplaatst of laten plaatsen.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college [wederpartij] ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt, nu het college daarvoor onvoldoende bewijs heeft geleverd. Het college heeft aan de besluiten van 18 april 2012 en 5 juni 2012, alsook de besluiten op bezwaar ten grondslag gelegd dat [wederpartij] als overtreder moet worden aangemerkt, omdat de afvalstoffen afkomstig zijn van zijn perceel, dat zijn perceel niet is afgesloten en dat daardoor iedereen vrij toegang had tot het perceel. Ter motivering van het standpunt dat [wederpartij] als overtreder moet worden aangemerkt, heeft het college twee rapporten met foto's van de aangetroffen containers met afvalstoffen overgelegd. Op een aantal foto's staan etiketten waaruit zou moeten blijken dat de afvalstoffen afkomstig zijn van het bedrijf ESI op het terrein van [wederpartij]. Dat is echter op de foto's niet leesbaar. In de rapporten wordt voorts vermeld dat er gesprekken hebben plaatsgevonden met de heer [huurder] van het pand aan [locatie 1]. De inhoud van deze gesprekken is echter niet op schrift gesteld. Evenmin heeft het college verklaringen van de heer [huurder] overgelegd, waaruit zou moeten blijken dat [wederpartij] de overtreder is. Verder is niet vast komen te staan dat de ter hoogte van [locatie 1] te Eibergen aangetroffen afvalstoffen vóór 15 april 2012 in het afgesloten pand of buiten op het niet afgesloten terrein van [wederpartij] stonden. De vergelijking met de door het college genoemde uitspraak van de Afdeling in zaak nr. 201201721/1/A4 gaat niet op. In die zaak ging het om de toepassing van spoedeisende bestuursdwang met betrekking tot de verwijdering van een afvalzak met huishoudelijk afval. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling mag in dergelijke zaken ervan worden uitgegaan dat degene van wie de adresgegevens die in een vuilniszak worden aangetroffen zijn de vuilniszak verkeerd heeft aangeboden. Deze jurisprudentie ziet op een andere situatie dan hier aan de orde. Bovendien zou die jurisprudentie voor de onderhavige zaak betekenen dat ESI als overtreder moest worden aangemerkt, nu volgens het college haar naam op de etiketten op de containers met afvalstoffen staat vermeld. Ter zitting heeft het college echter gesteld dat het alleen [wederpartij] als overtreder heeft aangemerkt, omdat [bedrijf] failliet is. Voorts heeft het college ter zitting gesteld dat het wil aannemen dat [wederpartij] de afvalstoffen niet in persoon aan de openbare weg heeft gezet. Gelet op al het vorenoverwogene heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] als overtreder kon worden aangemerkt. Het treffen van een betalingsregeling bewijst evenmin dat [wederpartij] de overtreder is.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Berkelland tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Berkelland een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. De Jong

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

628.