Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201309097/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft het college, voor zover thans van belang, vastgesteld dat op de locatie Merwedelaan 4 te Dongen (hierna: de locatie) sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en dat spoedige sanering daarvan niet noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Wet bodembescherming 27
Wet bodembescherming 37
Wet bodembescherming 48
Circulaire bodemsanering 2009
Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/71 met annotatie van Y. Flietstra
JBO 2014/115 met annotatie van Y. Flietstra
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/5293

Uitspraak

201309097/1/A4.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2013 heeft het college, voor zover thans van belang, vastgesteld dat op de locatie Merwedelaan 4 te Dongen (hierna: de locatie) sprake is van een geval van ernstige verontreiniging en dat spoedige sanering daarvan niet noodzakelijk is.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2014, waar [appellante B], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door ing. P.F.B.A. Jansen en drs. E. van Alphen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. lngevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) stellen gedeputeerde staten, naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, of naar aanleiding van een nader onderzoek, in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, stellen gedeputeerde staten, in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 37, vierde lid, kunnen gedeputeerde staten, indien zij vaststellen dat geen sprake is van risico’s als bedoeld in het eerste lid, bij de beschikking aangeven welke maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem genomen moeten worden en op welke wijze en tijdstippen aan hen verslag wordt gedaan van de uitvoering van die maatregelen. Tevens kan worden aangegeven welke beperkingen in het gebruik van de bodem door de eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar sprake is van ernstige verontreiniging, in acht worden genomen.

2. Het bestreden besluit is gebaseerd op de artikelen 29, eerste lid, en 37, eerste lid, van de Wbb. Vaststaat dat op de locatie de stortplaats Westerlaan gevestigd was. [appellant] is eigenaar van de locatie.

3. Aan het bestreden besluit ligt onder meer het rapport "Nader bodemonderzoek voormalige stortlocatie Westerlaan in Dongen" van Tauw B.V. van 29 februari 2012 (hierna: het nader onderzoek) ten grondslag. Aanleiding voor dit onderzoek vormde een in 2007 uitgevoerde risicoanalyse waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Eindrapportage NAVOS-onderzoek Westerlaan/Spaarnelaan, Dongen" van 15 mei 2007. Uit het nader onderzoek blijkt dat zich op de locatie een geval van ernstige verontreiniging voordoet. Volgens de risicobeoordeling in het nader onderzoek zijn er geen onaanvaardbare risico's voor mens, plant of dier. Evenmin bestaat er een onaanvaardbaar risico van verspreiding van verontreiniging. Gelet hierop is spoedige sanering volgens het college niet noodzakelijk.

4. [appellant] betoogt dat niet duidelijk is waaraan het college de bevoegdheid tot het doen van nader onderzoek ontleent. Uit het rapport van 15 mei 2007 blijkt niet dat destijds de interventiewaarde werd overschreden, zodat hierin geen aanleiding voor het doen van nader onderzoek kon worden gevonden. Nu de situatie als vermeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 28 van de Wbb zich niet voordoet, ontbeert het besluit van 20 augustus 2013 volgens [appellant] een wettelijke grondslag.

4.1. Ingevolge artikel 48 van de Wbb, voor zover thans van belang, zijn gedeputeerde staten belast met het nader onderzoek in hun provincie voor zover daarin niet is voorzien op de wijze, bedoeld in de artikelen 13, 27, 28, 43 tot en met 47, 55b of 72. Het college is op grond hiervan bevoegd nader onderzoek te (laten) doen.

Ook als geen melding is gedaan is het college van gedeputeerde staten, als bevoegd gezag, ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wbb naar aanleiding van een nader onderzoek gehouden een geval van ernstige verontreiniging in een beschikking vast te stellen en, ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wbb, vast te stellen of spoedige sanering noodzakelijk is.

De beroepsgrond faalt derhalve.

5. [appellant] bestrijdt voorts dat de interventiewaarde voor chroom op de locatie wordt overschreden.

5.1. Uit het nader onderzoek blijkt dat de interventiewaarde voor chroom in de grond van de deklaag overschreden wordt in een bodemvolume van 65 m³. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie van dit onderzoek onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

6. Verder voert [appellant] aan dat het college bij de vaststelling of spoedige sanering noodzakelijk is ten onrechte heeft getoetst aan de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 3 april 2012, van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Circulaire 2009). Volgens [appellant] had het college toepassing moeten geven aan de Circulaire bodemsanering 2013 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu die op 1 juli 2013 in werking is getreden (hierna: de Circulaire 2013).

6.1. Bij de vaststelling of spoedige sanering noodzakelijk is, is blijkens het bestreden besluit de Circulaire 2009 toegepast. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting verklaard dat dit weliswaar in het besluit wordt vermeld, maar dat in werkelijkheid de Circulaire 2013 is toegepast. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met de vereiste zorgvuldigheid genomen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

6.2. In de Circulaire 2013 hebben ten opzichte van de Circulaire 2009 geen wijzigingen plaatsgevonden ten aanzien van de hier aan de orde zijnde streef- en interventiewaarden voor chroom en de beoordeling van risico's voor mens, milieu of verspreiding van chroomverontreiniging, zoals aan de orde in de onderhavige besluitvorming. Wat betreft de beoordeling van de ernst van de chroomverontreiniging ter plaatse van de locatie en de spoedeisendheid van de sanering daarvan verschilt de door het college gehanteerde Circulaire 2009 inhoudelijk niet van de Circulaire 2013.

6.3. Gezien het voorgaande is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, tenzij er ook een andere grond voor vernietiging van het bestreden besluit aanwezig is die meebrengt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven.

7. [appellant] voert verder aan dat de ernstige verontreiniging leidt tot waardevermindering van zijn perceel en dat het bestreden besluit niet voorziet in een oplossing daarvoor.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 april 2012 in zaak nr. 201102047/1/A4), speelt waardevermindering geen rol bij de beoordeling of in een geval van ernstige verontreiniging spoedige sanering noodzakelijk is, omdat dit aspect geen betrekking heeft op de bescherming van de bodem. Het betoog biedt daarom geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het recht.

8. Tenslotte betoogt [appellant] dat artikel 37 van de Wbb geen grondslag biedt voor het opleggen van gebruiksbeperkingen en dat in het besluit van 20 augustus 2013 niet wordt vermeld wat de gebruiksbeperkingen zijn, hetgeen in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

8.1. Uit artikel 37, vierde lid, van de Wbb volgt dat het college in het belang van de bescherming van de bodem gebruiksbeperkingen kan opleggen. In zoverre faalt de beroepsgrond.

In het bestreden besluit heeft het college vermeld dat wijziging naar een gevoeliger gebruik van de percelen binnen de interventiewaardencontour dient te worden gemeld bij bureau Bodem van de provincie Noord-Brabant en dat werkzaamheden in de verontreinigde grond binnen de interventiewaardencontour alleen zijn toegestaan met goedkeuring van bureau Bodem van de provincie Noord-Brabant. De interventiewaardencontouren zijn aangegeven op de kadastrale kaart die als bijlage bij het besluit is gevoegd. Het betoog dat de gebruiksbeperkingen niet worden vermeld, mist derhalve feitelijke grondslag.

Ter informatie merkt de Afdeling nog op dat, zoals het college ter zitting heeft toegelicht, de beperkingen geen betrekking hebben op het huidige gebruik van de grond als tuin.

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 augustus 2013, nr. 3456861;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Dekker

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

563.