Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1368

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201308885/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Sweelinckplein en omgeving te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308885/1/A4.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Den Haag,

2. [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk Sweelinckplein en omgeving te Den Haag.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2014, waar [appellant sub 1 A], bijgestaan door mr. P.A.J. Stevens, [appellant sub 2] en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Helm en S.F. Lakhichand, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college op grond van artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 onder meer het Sweelinckplein en omgeving (buurt nr. 43) aangewezen als buurt waar van ORAC's gebruik moet gaan worden gemaakt.

Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van een plaatsingsplan, de concrete locaties aangewezen waar de ORAC's worden geplaatst. Onder meer wordt voorzien in de plaatsing van twee naast elkaar gelegen ORAC's in de 2e van Blankenburgstraat op locatie 43-12. Deze locatie is gesitueerd ter hoogte van de woningen van [appellant sub 1 A] aan de [locatie 1] en van [appellant sub 2] aan de [locatie 2] en op korte afstand van de naastgelegen woning van [appellant sub 1 B] aan de [locatie 3].

2. Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943 (hierna: de randvoorwaarden), gehanteerd. Als randvoorwaarden zijn onder meer gesteld:

- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt;

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).

3. [appellant sub 2] betoogt dat in de Nota van antwoord op de ingebrachte zienswijzen ten onrechte niet is ingegaan op drie punten die hij in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht. [appellant sub 1] voert aan dat ingediende zienswijzen veelal door middel van algemeenheden zijn afgewezen. Volgens hen is het bestreden besluit gelet hierop niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.

3.1. In hoofdstuk 2 van de Nota van antwoord is een korte beschrijving opgenomen van de onderwerpen die meerdere belanghebbenden naar voren hebben gebracht en is daarop in algemene zin gereageerd. In hoofdstuk 4 zijn de specifieke zienswijzen van de belanghebbenden weergegeven, waaronder die van [appellant sub 2] en [appellant sub 1], en is op die zienswijzen gereageerd. In voorkomende gevallen is daarbij verwezen naar de algemene reacties in hoofdstuk 2.

De Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verzet zich niet tegen deze handelwijze. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid of niet deugdelijk is gemotiveerd. Niet gebleken is dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

3.2. Het betoog faalt.

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat plaatsing van de ORAC’s op locatie 43-12 ten koste zal gaan van ten minste een parkeerplaats, terwijl volgens de randvoorwaarden het aantal te vervallen parkeerplaatsen tot een minimum moet worden beperkt. Zij wijzen er in dat verband op dat bij de drie door hen voorgestelde alternatieve locaties geen parkeerplaatsen hoeven te verdwijnen. Deze alternatieve locaties zijn volgens hen ook om andere redenen geschikter dan de bij het bestreden besluit aangewezen locatie 43-12. Zij betwijfelen dat ter plaatse van twee alternatieve locaties leidingen en kabels liggen, waardoor die locaties ongeschikt zouden zijn, zoals het college heeft gesteld. [appellant sub 1] heeft ter toelichting hierop een door het college verstrekte kaart met de aanwezige kabels en leidingen in de 2e van Blankenburgstraat en de 2e Sweelinckstraat overgelegd. Zij bestrijden voorts dat de derde alternatieve locatie geen verbetering zou zijn ten opzichte van locatie 43-12.

4.1. Bij de keuze van een locatie voor ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plaatsingsplan. Daarbij heeft het college beleidsvrijheid. De Afdeling toetst de keuze van het college terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden en de naar voren gebrachte alternatieve locaties beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

4.2. Het college heeft in de Nota van antwoord toegelicht dat de parkeerdruk op wijkniveau wordt beoordeeld en dat de parkeerdruk in het Sweelinckplein en omgeving na de plaatsing van de ORAC's niet zal stijgen boven de norm van 90%, in welk geval het college geen parkeerprobleem aanwezig acht.

Gelet op die toelichting heeft het college in de enkele omstandigheid dat plaatsing van de ORAC's op locatie 43-12 leidt tot verlies van een parkeerplaats in redelijkheid geen aanleiding hoeven vinden om af te zien van aanwijzing van die locatie.

4.3. In de Nota van antwoord heeft het college vermeld dat de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorgestelde locatie voor een blinde muur, tegenover de woning aan de 2e van Blankenburgstraat 161, niet geschikt is vanwege de daar aanwezige waterleiding. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dit een hoofdwaterleiding betreft en dat het omleggen daarvan zeer kostbaar is.

Gezien de door [appellant sub 1] overgelegde kaart met kabels en leidingen, alsmede de door het college in verweer overgelegde kaart met kabels en leidingen, bestaat geen grond voor twijfel over de aanwezigheid van een waterleiding ter plaatse van de voorgestelde alternatieve locatie. Het betreft een doorgaande waterleiding en niet een huisaansluiting. Aan de zijde van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bevindt zich eveneens een waterleiding, doch die leiding ligt dichter bij de woningen en hoeft voor het plaatsen van de ORAC’s niet te worden verplaatst. Gelet hierop en gegeven de randvoorwaarden heeft het college als locatie voor de ORAC’s in redelijkheid locatie 43-12 kunnen verkiezen boven deze door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangedragen alternatieve locatie.

4.4. De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorgestelde alternatieve locatie op de hoek van de 2e van Blankenburgstraat en de 2e Sweelinckstraat, ter hoogte van de gevel van het pand 2e Sweelinckstraat 73a, acht het college niet geschikt vanwege de daar aanwezige kabels en leidingen. Het omleggen van de kabels en leidingen is onnodig en niet gebruikelijk als er een locatie is die voldoet aan de randvoorwaarden. Het college heeft daaraan toegevoegd dat in de regel geen ORAC’s op hoeken van straten worden geplaatst in verband met kabels en leidingen die daar lopen, het uiterlijk aanzien en de omstandigheid dat de ledigingwagen bij het ledigen meer dan een straat zou kunnen blokkeren. Bovendien zouden de ORAC’s op de voorgestelde locatie voor een winkel, met daarboven een woning, terechtkomen, hetgeen volgens het college geen verbetering is ten opzichte van het plaatsingsplan.

Gezien de door [appellant sub 1] en het college overgelegde kaarten met kabels en leidingen, is het niet uitgesloten dat plaatsing van de ORAC’s op deze locatie zou betekenen dat kabels en leidingen moeten worden omgelegd. Gelet voorts op het uitgangspunt van het college om op de hoeken van straten geen ORAC’s te plaatsen, dat de Afdeling niet onredelijk acht, en de omstandigheid dat de ORAC’s op de alternatieve locatie voor een winkel met daarboven een woning zouden worden geplaatst, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit alternatief geen verbetering ten opzichte van het plaatsingsplan is.

4.5. De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorgestelde alternatieve locaties op en nabij de hoek van de 2e van Blankenburgstraat en de 2e Sweelinckstraat, ter hoogte van de voor- of zijgevel van de woning 2e Sweelinckstraat 75, zijn volgens het college evenmin een verbetering ten opzichte van locatie 43-12, omdat de ORAC’s ook daar voor een woning zouden worden geplaatst. Dat de locatie nabij de hoek aan de zijkant van die woning is gelegen, acht het college in dit verband niet relevant, omdat vanuit die woning zicht op de ORAC’s zou bestaan. Bovendien liggen ter plaatse kabels en leidingen in de grond, waardoor het niet mogelijk is de ORAC’s op deze locaties te plaatsen, en levert het ledigen meer hinder voor het verkeer op dan op locatie 43-12. Wat de locatie op de hoek betreft, heeft het college voorts gewezen op het uitgangspunt om op hoeken van straten geen ORAC’s te plaatsen.

Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze locaties geen verbetering ten opzichte van het plaatsingsplan inhouden. Voor zover is gesteld dat aan de zijgevel van de woning ook ruimte is om de ORAC’s tussen de aanwezige kabels en leidingen te plaatsen, daargelaten of dit in werkelijkheid mogelijk is, doet dit niet af aan de overige omstandigheden die maken dat het college deze locatie minder geschikt acht dan locatie 43-12. Een keuze voor die locatie zou bovendien ten koste gaan van parkeergelegenheid.

4.6. Gelet op het vorenstaande, leiden de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] naar voren gebrachte alternatieve locaties niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid locatie 43-12 als locatie voor de ORAC’s heeft kunnen aanwijzen. Hun betoog faalt derhalve.

5. [appellant sub 2] betoogt dat het college locatie 43-12 niet heeft kunnen aanwijzen voor de plaatsing van ORAC’s, omdat deze locatie op korte afstand van zijn woning is gelegen. Hij voert in dat verband aan dat de aanwezigheid van ORAC’s overlast als gevolg van het plaatsen van vuilnis naast de containers veroorzaakt. Volgens hem erkent het college dit probleem, maar heeft het daarvoor geen adequate oplossing. Hij voert voorts aan dat het legen van de ORAC’s geluidhinder veroorzaakt.

5.1. In de Nota van antwoord heeft het college toegelicht dat het niet kan garanderen dat een ORAC locatie schoon is. Wel worden ORAC’s twee keer per week geleegd en wordt opgetreden tegen bewoners die de ORAC’s niet juist gebruiken. Indien vuil rondom een ORAC wordt aangetroffen, kan hiervan melding worden gemaakt. Op basis van die melding wordt vervolgens handhavend opgetreden. Voorts is vermeld dat in andere stadsdelen de ervaring is opgedaan dat straten waar ORAC’s zijn geplaatst veelal schoner zijn dan in de situatie ervoor. Ten aanzien van de gestelde geluidhinder heeft het college ter zitting toegelicht dat de ORAC’s zijn voorzien van een dubbelschalige trommel met rubberen dempers, die worden vervangen zodra ze versleten zijn, en dat het legen van de ORAC’s maar enkele minuten in beslag neemt.

5.2. Gelet op deze motivering ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de stank- en geluidhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd behoefde het daarom in redelijkheid geen aanleiding te vinden om af te zien van de aanwijzing van locatie 43-12 voor de plaatsing van ORAC’s. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 1] betoogt dat het college bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de waardevermindering van de woningen aan de [locatie 1] en 173. Ter ondersteuning van de stelling dat de waarde van de woningen daalt, heeft zij een taxatierapport overgelegd voor de woning aan de [locatie 1]. In dit rapport is vermeld dat het evident is dat de aanwezigheid van een container voor de deur een nadelige invloed kan hebben op de verkoop ten opzichte van vergelijkbare te koop staande woningen die geen containers voor de deur hebben. Hoewel het lastig is om hier een negatieve waarde aan toe te kennen, is een waardedaling van circa € 10.000,- à € 15.000,- reëel te achten, aldus het rapport.

6.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de waardevermindering van een nabijgelegen woning de belangen van de eigenaar in de regel niet zodanig aantast dat daaraan meer gewicht moet worden toegekend dan aan het belang dat is gediend met de plaatsing van ORAC’s. Het stelt zich op het standpunt dat dit in de situatie van [appellant sub 1] niet anders is.

6.2. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Het heeft in de gestelde waardevermindering in redelijkheid geen aanleiding hoeven vinden om af te zien van de aanwijzing van locatie 43-12. Dit laat onverlet dat [appellant sub 1], indien zij meent dat zij schade leidt die niet voor haar rekening dient te komen, een verzoek tot schadevergoeding tot het college kan richten. Het betoog faalt.

7. De beroepen zijn ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Visser

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

148.