Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1367

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
201308833/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Markt-Centrum e.o." vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308833/1/R3.

Datum uitspraak: 16 april 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] (hierna: [appellante]), gevestigd te Etten-Leur,

en

de raad van de gemeente Etten-Leur,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Markt-Centrum e.o." vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en Wereldhave Nederland B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.P.C. Obbink, advocaat te Utrecht en de raad, vertegenwoordigd door W. Gommeren en P.B.M. Mourik-van Dartel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Wereldhave Nederland B.V., vertegenwoordigd door mr. H.M. Kasteel en ir. G.J. Wijnen, bijgestaan door mr. G. Aarts, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellante], die is gevestigd in buurtwinkelcentrum Kerkwerve te Etten-Leur, kan zich niet verenigen met de bestemming "Centrum-1" en de aanduiding "supermarkt" die zijn toegekend aan een perceel in het winkelcentrum aan de Hof van den Houte en het Burchtplein.

[appellante] voert aan dat de supermarkt een nieuwe stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en dat het plan geen toelichting bevat over de behoefte hieraan. Zij voert verder aan dat het realiseren van een supermarkt ter plaatse zal leiden tot een overaanbod aan supermarkten. In dit verband wijst zij op een door BRO uitgevoerd distributieplanologisch onderzoek, waarvan de resultaten in een rapport van 21 december 2012 zijn neergelegd en dat betrekking heeft op het bestemmingsplan "Bisschopsmolen-Voorvang". In dat rapport is vermeld dat wanneer de reeds vastliggende uitbreidingsplannen van de [appellante] en de Albert Heijn gerealiseerd zijn, in 2020 geen uitbreidingsruimte meer aanwezig is. Verder is in dit rapport vermeld dat het toevoegen van een extra supermarkt niet mogelijk is. Het toevoegen van een nieuwe supermarkt aan de Bisschopsmolenstraat met een omvang van 1.800 m2 winkelvloeroppervlak leidt er toe dat er in Etten-Leur een overbewinkeling gaat ontstaan van circa 1.500 m2. Volgens [appellante] geldt deze conclusie eveneens voor de mogelijk gemaakte supermarkt binnen het plangebied. Verder zal ook de woonomgeving negatieve effecten ondervinden van overbewinkeling. Volgens [appellante] wordt deze conclusie bevestigd in een rapport van Droogh Trommelen en Partners van 24 oktober 2013, dat in opdracht van de raad is opgesteld. Voorts betoogt [appellante] dat uit dit rapport voortvloeit dat een nieuwe supermarkt voor leegstand in haar omgeving, en daarmee een aantasting van haar ondernemersklimaat, zal zorgen.

Verder betoogt [appellante] dat met de komst van een supermarkt voor parkeerhinder moet worden gevreesd en dat verkeershinder zal optreden bij het laden en lossen.

Tot slot betoogt [appellante] dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) heeft aangegeven dat het aantal vierkante meters winkelruimte niet mag groeien en heeft gewaarschuwd voor leegstand van winkels in Brabant.

2.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan conserverend van aard is en dat bij het vaststellen ervan de bestaande situatie en rechten uitgangspunt zijn geweest. Aangezien in het hiervoor geldende plan eveneens ter plaatse een supermarkt mogelijk was en om een schadeclaim van Wereldhave B.V. te voorkomen, is opnieuw een supermarkt mogelijk gemaakt. Gezien de mogelijkheden van het voorgaande plan, voorziet het voorliggende plan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Verder stelt de raad dat het overdekte winkelcentrum waarbinnen het betreffende perceel ligt, deel uitmaakt van het kernwinkelgebied van Etten-Leur. De belangrijkste functie hierbinnen is detailhandel, waartoe ook een supermarkt behoort. Een supermarkt zal bezoekers genereren die ook andere winkels bezoeken. Een eventuele supermarkt draagt daarmee bij aan het behoud en versterken van een goed functionerend (winkel)centrum. Voorts stelt de raad dat het regelen van concurrentieverhoudingen ruimtelijk niet relevant is en dat een supermarkt op het bestreden plandeel niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in Etten-Leur.

2.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

2.3. Aan de door [appellante] bedoelde gronden is de bestemming "Centrum - 1" en de aanduiding "supermarkt" toegekend. De gronden maken deel uit van het in het centrum van Etten-Leur gelegen winkelcentrum dat in eigendom is van Wereldhave Nederland B.V.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming en aanduiding mede bestemd voor een supermarkt.

Ingevolge lid 4.4.1, onder i, geld voor de uitoefening van een supermarkt een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 3.500,00 m2 per vestiging.

In het hiervoor geldende plan was op de betreffende gronden eveneens een supermarkt met dezelfde omvang mogelijk.

2.4. Het plan voorziet niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, maar in een continuering van de bestaande planologische mogelijkheden voor een supermarkt in een reeds bestaand winkelcentrum, waarbij niet in aanvullende bebouwing wordt voorzien. De in het plan voorziene supermarkt kan dan ook niet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, zodat deze bepaling niet van toepassing is.

Over de mogelijke duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau overweegt de Afdeling dat de Wet ruimtelijke ordening niet ertoe strekt bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Concurrentieverhoudingen vormen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 september 2013 in zaak nr. 201208105/1/R2), komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen, maar is het doorslaggevende criterium of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

Naar het oordeel van de Afdeling draagt een supermarkt naar haar aard bij aan de mogelijkheid te voorzien in eerste levensbehoeften. In de rapporten van 21 december 2012 en 24 oktober 2013 wordt niet geconcludeerd dat de mogelijkheid tot het exploiteren van een supermarkt zal leiden tot het verdwijnen van een zodanig deel van het supermarktenaanbod, hetgeen overigens evenmin in de rapporten is geconcludeerd, dat voor de inwoners van het verzorgingsgebied rondom het centrum wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het voorzien in hun eerste levensbehoeften. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rapporten wat betreft het voorzieningenniveau zodanig afwijken van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten, dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal leiden.

Over het betoog van [appellante] dat voor leegstand in het buurtwinkelcentrum Kerkwerve moet worden gevreesd, overweegt de Afdeling dat in het rapport van 24 oktober 2013 is vermeld dat de levensvatbaarheid van het voorzieningenaanbod in Kerkwerve op langere termijn onzeker is en dat de onderlinge verhouding tussen Kerkwerve en het centrum een belangrijk aandachtspunt is. In het rapport is evenwel niet de conclusie getrokken dat het plan, door te voorzien in de supermarkt, zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat en het ondernemersklimaat in het buurtwinkelcentrum Kerkwerve en tot onaanvaardbare leegstand in dat buurtwinkelcentrum. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een supermarkt in een winkelcentrum in het centrum van Etten-Leur kan bijdragen aan het behoud en versterken van het overige winkelaanbod als de thans aanwezige huurder van die locatie vertrekt en dat daarmee leegstand in het winkelcentrum kan worden voorkomen.

Ten aanzien van het betoog dat onvoldoende parkeergelegenheid aanwezig is in de omgeving van de supermarkt, overweegt de Afdeling dat [appellante] het standpunt van de raad dat onder het winkelcentrum een parkeergarage aanwezig is voor 1.000 voertuigen en dat daarmee in voldoende parkeergelegenheid is voorzien, niet gemotiveerd heeft bestreden. Voorts heeft de raad ter zitting aannemelijk gemaakt dat, door de supermarkt te voorzien in het zuidelijke deel van het winkelcentrum nabij een parkeerplaats, de verkeersdoorstroming in de omgeving niet onaanvaardbaar wordt gehinderd.

2.5. Over de stelling dat het college tegen een uitbreiding van het aantal vierkante meters winkelvloeroppervlak is, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting onder meer de reactie van het college op het voorontwerp van het bestemmingsplan is weergegeven. Het college heeft geen aanleiding gezien om opmerkingen te maken over het plan. Met de enkele verwijzing naar een krantenartikel dat in algemene zin vermeldt dat het college een rem wil op de uitbreiding van het winkelvloeroppervlak in Noord-Brabant, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet kan verenigen met het plan.

2.6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat een beroepsgrond faalt, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

Proceskosten

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Van Helvoort

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2014

361.